7. Maar als hetgeen in het boekje (
Vers 2) geschreven staat, en zoals dat in
Hoofdstuk 11:1-
14 wordt gevonden, geschieden zal, in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij (
Hoofdstuk 11:15) bazuinen zal en dan alleen zal worden volbracht wat volgens
Hoofdstuk 11:15-
19 de inhoud van de zevende bazuin is (
Hoofdstuk 12:1-
19:21), zo zal de verborgenheid van God van de laatste toekomst van Zijn rijk, vooral voor Israël (
Hoofdstuk 20:1-
10), maar vervolgens ook voor alle gelovigen uit de heidenen (
Hoofdstuk 20:11-
22:5) vervuld worden. En het zal zijn, zoals Hij zodanig een openbaring van Zijn rijk en heerlijkheid als blijde boodschap, Zijn dienstknechten de profeten reeds in het Oude Testament verkondigd heeft. De zeven schalen van de toorn in
Hoofdstuk 15, 16 zijn dus geen vertraging, waartoe de zevende bazuin in dezelfde verhouding zou staan, als het zevende zegel (
Hoofdstuk 8:1)tot de vertraging van de zeven bazuinen geworden is, maar in de dagen van de stem van de zevende bazuin-engel ingesloten.
Zette in Vers 2 de engel zijn rechtervoet op de zee en de linker op de aarde, waarbij van het standpunt van de ziener op Patmos alleen aan de Middellandse zee aan de ene zijde en het vaste land in Klein-Azië kan worden gedacht, dat is het oord, waarheen Hij bij Zijn eed ziet, het Heilige land met Jeruzalem. De "verborgenheid van God, die vervuld zou worden, ziet dan ook inderdaad in de eerste plaats op Israël zoals uit de juiste verklaring van de volgende gezichten zal blijken. De wereld van de heidenen, die bij het aanbrengen van de tijd van de volmaking vooral in aanmerking komt, is die van ons werelddeel Europa, waarheen zich ook de rechterhand van de engel, die zich tot het zweren verheft, wendt. De linkervoet staat op Azië, dat is het toneel van de geschiedenis van het rijk van God in dit deel van de gezichten van de Openbaring eweest. Maar van daar gaat het nu verder naar het Westen en daar zal dan volgens die eed de geschiedenis van de Kerk, die hier moet worden gesticht, die geschiedenis de inhoud uitmaakt van het kleine boekje, zo'n einde hebben, dat Israël, het oorspronkelijke volk van het koninkrijk, weer op de voorgrond van het Godsrijk treedt; want alleen zo kan de verborgenheid van God worden vervuld. De vorm, die in onze tegenwoordige tijd de burgerlijke en kerkelijke toestanden aannemen, wijst ook zeer beslist op een grote catastrofe en dringt ons met geweld de vraag op: "Wat moet er van worden, als de afval van de Kerk, onder de Christenen van Europa reeds begonnen, zich nog verder langs die weg ontwikkelt, dat een groot gedeelte van de mensen Christus verwerpt en openlijk het moderne heidendom belijdt, ja, als in de Kerk zelf de ideale Christus in de plaats van de historische en het zogenoemde gemeente-bewustzijn in de plaats van de normatieve autoriteit van de Heilige Schrift wordt gesteld? Zal die afval zozeer toenemen, dat die onmiddellijk in de laatste grote afval overgaat en ten slotte de verschijning van de persoonlijke antichrist bewerkt? Of zal de Kerk, zoals die vroeger van de volken van de Oudheid tot die van de Middeleeuwen is overgegaan, haar weg weer voortzetten en bij die volken zich een nieuwe heerschappij stichten, die de zending onder de heidenen nu reeds gedeeltelijk voor het rijk van God heeft gewonnen? Of zal hier te lande door gebeurtenissen, die de Heere voor Zijn wijsheid heeft voorbehouden, een terugkeren plaats hebben, zodat de Christenen in onze geciviliseerde Staten iets beters gaan zoeken en tot de verlaten wegen van de zaligheid, in Christus Jezus alleen, terugkeren? Van deze drie mogelijkheden zijn de beide eerste door het profetische woord van de Schrift bepaald ontkend, want de persoonlijke antichrist komt niet, voordat het geheim, waarvan Paulus in Romeinen 11:25, 27 spreekt, vervuld is; naar de eed van de engel op onze plaats zal er echter geen tijd meer zijn, zal geen nieuwe fase van ontwikkeling in de geschiedenis van de Kerk meer komen, zodat weer een nieuwe volkenwereld tot drager van het rijk van God zou worden verkoren, maar met het einde van deze tijdkring zal de vervulling van de verborgenheid van God dadelijk beginnen en daartoe behoort dan volgens de zo-even aangehaalde plaats uit de brief aan de Romeinen als allereerste stuk de bekering van Israël tot Christus en zijn wederinenting in de Olijfboom. Deze daad van de Heere, die Hij als de sterke Engel van de hemel met een eed van Zijn rechterhand hier aankondigt, die wij dan ook in Hoofdstuk 11:11 v. volvoerd zien worden, terwijl die in Hoofdstuk 12:7, 12 mogelijk wordt gemaakt en van Hoofdstuk 12:13-22:5 in haar gevolgen zich ontwikkelt; is de weg, zoals de laatste van de bovengenoemde drie mogelijkheden zich aan een deel van de Christenen verwezenlijkt. Dan wordt namelijk Paulus' woord in Romeinen 11:13 vervuld: "Als hun verwerping is de verzoening van de wereld, wat zal de aanneming wezen anders dan het leven uit de doden" voor hen, die een prooi van de dood waren geworden? (vgl. Hoofdstuk 11:13). Er zijn oneindig veel verklaringen van ons profetisch boek en juist dat er zo vele en van zo velerlei aard zijn heeft het boek zelf in diskrediet gebracht en elke nieuwe verklaring vindt bij de lezers enkel degenen, die het recht tot twijfelen op de voorgrond plaatsen en een handtastelijk bewijs voor de juistheid eisen. Nu, lang zal het niet meer duren voordat dit bewijs gegeven wordt ten gunste van de door ons gegeven verklaring. Ten eerste moet echter het vertrouwen reeds worden gewekt daardoor, dat zo dit zo belangrijke hoofdstuk van de brief aan de Romeinen in zijn hele betekenis duidelijk wordt en wellicht dienen de volgende uiteenzettingen om het vertrouwen nog meer te bevestigen. Even nadrukkelijk als de engel verzekert, dat na de periode van de geschiedenis van de Kerk in Hoofdstuk 11 geen nieuwe meer ligt, maar de dagen van de zevende bazuin, die in Hoofdstuk 11:15 aanvangen, de voltooiing zullen aanbrengen, even nauwkeurig zijn nu ook meteen in het begin, nog voor de periode zelf de dagen geteld en tot bepaalde afmetingen van tijd teruggebracht, om alle vertraging van het begin aan af te snijden. De tijdsbepalingen, die wij in het volgende vinden, worden verdeeld in twee opgaven, waarvan elke zich weer in twee vormen splitst:
a) tweeënveertig maanden
1) Zal de heilige stad vertreden worden door de heidenen (Hoofdstuk 11:2).
2) Duurt het met het dier uit de zee (Hoofdstuk 13:5).
b) duizend tweehonderdzestig dagen
1) Voorspellen de twee getuigen (Hoofdstuk 11:3).
2) Wordt de vrouw in de woestijn gevoed (Hoofdstuk 12:6)
a) drie en een halve dag
Liggen de lijken van de twee getuigen op de straat van de grote stad (Hoofdstuk 11:9, 11).
b) een tijd en een halve tijd.
Wordt de vrouw voor het aangezicht van de slang gevoed (Hoofdstuk 12:14).
Wat nu de beide aanwijzingen onder No. 1 aangaat, ligt hier, evenals bij Mattheus 24:36 en 44 is uiteengezet, de profetische tijdrekening ten grondslag, volgens welke 42 maanden = 42x30 jaren en ook de 1260 dagen = 1260 jaren zijn. Vaak genoeg worden in de symboliek van de Heilige Schrift ook elders jaren voor dagen (Ezechiel 4:4 v. Lukas 18:32), of omgekeerd dagen voor jaren (Numeri 14:33 v.) voorgesteld, als voor dat geval, waarover hier sprake is, de overeenstemming van het getal met een ander overeenkomstig geval moet worden vastgehouden; maar de jaren of dagen, die in het laatste genoemd worden, voor het eerste een te lange of een te korte tijdruimte zouden zijn. Is nu in Hoofdstuk 11:2 van een vertreden worden van de heilige stad door de heidenen 42 maanden lang sprake, dan is dat duidelijk een weer opvatten van de voorspelling van Christus in Lukas 21:24 : "Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijd van de heidenen zal vervuld zijn" en wel een weder opvatten met het doel om beide uit het onbepaalde van de tijdruimte, waarin de voorspelling daar nog is gelaten, weg te nemen, en het volgens de eed van de engel, dat voortaan geen tijd meer zijn zal, maar alles tot bepaalde afmetingen zal worden teruggebracht, tijdelijk te begrenzen. Dan zal bijgevolg het voorzeggen van de twee getuigen in Hoofdstuk 11:3, als het op 1260 dagen berekend wordt, niets anders zijn dan een nadere bepaling van hetgeen de Heere onder de "tijden van de heidenen" heeft verstaan, namelijk de hun geschonken tijd van genade, gedurende welke het rijk van God, dat van de Joden is genomen, de heidenen is gegeven en inderdaad is met 1260 dagen nauwkeurig dezelfde tijdruimte genoemd, als met 42 maanden, de maand door elkaar op 30 gerekend. Het is gemakkelijk te begrijpen, waarom niet voor beide zaken, voor het vertreden worden van Jeruzalem, zowel als voor het voorspellen van de twee getuigen, hoewel die dezelfde tijdruimte innemen, ook dezelfde uitdrukking tot begrenzing ervan is gebruikt; want er bestaat ondanks de uitwendige gelijkheid van de lengte van de tijd toch inwendig een tweevoudig onderscheid in zoverre als het vertreden worden van Jeruzalem voor een tijd kan zijn afgebroken, en als een treurige zaak is, terwijl daarentegen het voorspellen van de twee getuigen zonder tussenpoos voortduurt en als iets goeds, iets heilrijks in aanmerking komt. Voor het laatste was slechts een opgaaf van tijd, in dagen uitgedrukt, gepast, voor het eerste een, die maanden noemt. Men heeft toch in het Hebreeuws de uitdrukking "dagelijks", om iets, dat onafgebroken voortgaat aan te duiden (Psalm 7:12; 25:5; 86:3, zoals wij zeggen "dag aan dag" en evenals de dagen door de zon worden bepaald, het beeld van genade en zegen; zo de maanden door de maan, het gesternte van de nacht en het symbool van veranderlijkheid en misleiding (Genesis 1:16 Maleachi 4:2 Jesaja 47:13). Nu wij het 9de Hoofdstuk achter ons hebben, hoeven wij ook niet meer te raden van welk tijdstip wij de 42 maanden en 1260 dagen, of de 1260 jaren in Hoofdstuk 14:2, 3 moeten rekenen. Daar troffen wij het eerste wee aan, de eerste vorm van het anti- christelijke in het optreden van het Mohammedanisme, dat niet maar een nieuwe, bij het Christendom achterstaande godsdienst is maar een verloochening van Christus en een verdringen daarvan uit het gebied, dat daaraan reeds toebehoort (Filippenzen 2:10 v. 1 Johannes 2:22 v., dus een aanmatigend zelf verheffen boven het Christendom. Met dit eerste bepaald geformuleerde en praktisch doorgezet antichristendom is ook voor hen, die zich door de duivel uit zijn bewind op aarde niet feitelijk kan laten verdringen, zonder vooraf de tijd te bepalen, voor hoelang aan de duisternis macht zal zijn gegeven, het tijdstip gekomen, dat hij de voorspelling, in Lukas 21:24 nog onbepaald gelaten, afbakenen moet wat de tijd aangaat, evenals reeds in de dagen van Zijn vlees, toen Hij van Zijn overlevering in de handen van de vijanden en van Zijn kruisdood sprak, Hij tevens bepaalde, wanneer Hij weer zou opstaan. Kan nu ook geschiedkundig worden aangewezen, dat in werkelijkheid een eigenlijk vertreden van Jeruzalem door de Heidenen eerst met de inname van de stad door de kalif Omar in het jaar 637 na Christus begonnen is, alsmede, dat omstreeks dezelfde tijd het eerste begin is gemaakt met de bekering van de Duitse landen tot het Christendom, dan moeten wij de tijdruimte van de 42 maanden of 1260 dagen zoeken in de jaren 637-1897. Zij, die zo'n uitkomst van het onderzoek van de Schrift niet kunnen verstaan, zijn daarentegen genoodzaakt uit de profetie in Hoofdstuk 11:2-3 een zin voort te brengen, die alle profetie van het Oude Testament geheel weerspreekt, alsof de kerkelijke antichrist met zijn legerschaar ook van de heilige stad Jeruzalem voor 42 maanden in de gewone zin of gedurende 3 jaar bezit zou nemen en daar de twee getuigen, die even zo lang profeteren, ten slotte doden. Zij moeten verder met de vroegere profetie van Christus in Lukas 21:24 zeer willekeurig omspringen, als zou daar niet worden gezegd, wat toch duidelijk daarmee gezegd wordt, dat Jeruzalem zo lang vertreden zal worden, als de tijden van de Heidenen duren. Eindelijk moeten zij de beide tijdsbepalingen onder I geheel gelijkstellen met de tweede onder II, zonder ook maar de minste grond te kunnen aangeven voor zo'n afwisseling in de uitdrukkingen, die er alleen toe kan dienen, om in verwarring te brengen, vooral als men het gezegde in Hoofdstuk 12:14 voor hetzelfde verklaart met hetgeen reeds in Hoofdstuk 12:6 is verkondigd en nu vervolgens een meer onbepaalde tijdsbepaling verkrijgt, waar van te voren reeds een, die zeer bepaald klonk, was gesteld. Nee, niet aan de 1260 dagen in Hoofdstuk 12:6 zijn de "een tijd en twee tijden en een halve tijd" gelijk; zij staan slechts in een zekere verwantschap met de "drie dagen en een halve" in Hoofdstuk 11:9, 11, zonder daarom ermee één te zijn. Beide bepalingen, zoals wij die onder II tegen over elkaar hebben geplaatst, hebben namelijk, zoals wij ons later zullen overtuigen (vgl. het opgemerkte bij Jeremia 30:17 en 31:37), op twee verschillende tijdruimten betrekking. Die 3 dagen of jaren karakteriseren de heerschappij van de anti-christelijke tijdgeest, die zeker iets verkeerds is, maar tegelijk iets, dan onafgebroken voortduurt (van maanden in profetische zin kon hier buitendien geen sprake zijn, omdat reeds een maand als 30 jaar is en er dus van een betrekkelijk klein gedeelte van het geheel sprake is; daarom moest de tijdsbepaling als die juist zou zijn, in dagen worden uitgedrukt). Deze 3 tijden of jaren daarentegen zien op de heerschappij van de persoonlijke antichrist en was daar de tijdsbepaling door Daniël 7:25 reeds op een wijze geformuleerd, die woordelijk moest blijven, om dadelijk als dezelfde, die reeds de profeet van het Oude Testament had gegeven, te worden erkend en de schijn te vermijden, alsof hier een nieuwe profetie werd gevonden. Wat de 42 maanden in Hoofdstuk 13:5 aangaat, verlopen deze noch met dezelfde tijdruimte in Hoofdstuk 11:2, noch met de 1260 dagen in Hoofdstuk 11:3 en 12:6 gelijktijdig, maar maken op zichzelf een bijzondere afdeling uit, die slechts gedeeltelijk binnen de andere ligt, daar die later begint en dienvolgens ook later ophoudt, zoals die dan ook daar wordt ingevoerd, waar het gezicht van de vrouw in Hoofdstuk 12 die andere tijdruimte reeds ten einde heeft gebracht en met de uitdrukking (12:17): "en de draak vergrimde op de vrouw en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad" iets later heeft voorbereid. Wij zullen over deze 42 maanden ter plaatse zelf handelen, hier nog alleen ten opzichte van de andere in Hoofdstuk 11:2, om een bedenking uit de weg te ruimen, die er tegenover de bovenstaande berekening van de 1260 jaren voor de tijd van 637 1897 na Christus zou kunnen gemaakt worden een korte opmerking! Hoe, zo zou men kunnen vragen, moet dan voor de tijd van Israël's straf, de tijd van meer dan 5 ½ eeuw, die voor de verovering van Jeruzalem door de Mohammedanen ligt, als niets worden gerekend, terwijl die toch meer dan achtmaal zo lang is als die van de Babylonische ballingschap en die tijd, die na die verovering komt, moest worden afgemeten? Wij moeten daarop antwoorden, juist dat verzekert de engel met zijn eed: tot hiertoe is het een onbepaalde tijd geweest, die niet verder in berekening kwam, welks einde niemand kon berekenen; maar nu, nadat het eerste van de drie in Hoofdstuk 8:13 aangekondigde weeën begonnen is en een anti-christelijke macht zich van de heilige stad heeft meester gemaakt, is de tijd afgemeten, een einde gesteld, dat wat de maat aangaat niet verder gaat dan de naam, reeds door de profeet Daniël meegedeeld is (Hoofdstuk 7:25; 12:7) "een tijd en twee tijden en een halve tijd" alhoewel hier het profetische begrip van "tijd" (zoveel als jaar) daardoor een aanmerkelijke versterking moet krijgen, dat die met het getal van de dagen (in ronde som: 360) vermenigvuldigd wordt (360 g 3 = 1260 dagen d. i. jaren) en die norma dus, in bepaalde getallen opgelost nu deze betekenis krijgt 360 + (2x360) + (360:2) jaren. Van andere zijde is bij de nu nauwkeurig afgemeten ballingschap van Israël ook de maat voor de vroegere Babylonische ballingschap (Daniël 12:11) in zoverre behouden, als 1260 jaren een achttienvoudige vermeerdering van de 70 jaren zijn ("Jer 29:14. Zo volgt de profetie van het begin tot het einde bij al haar tijdopgaven streng de wet, die zij zelf eenmaal heeft gegeven en houdt daarbij de heilige symboliek van de getallen in het oog. Een dergelijk onberekend laten, zoals hier over de tijdruimte van het jaar 70 637 na Christus, vinden wij ook in Daniël 9:24, over de tijd van 556-457 voor Christus. Evenals het daar onnodig was, dat de Heere de profeet eerst nog de verlossing uit de Babylonische ballingschap aankondigde, omdat toch reeds Jesaja, Jeremia en Micha daarvan hadden voorspeld, zodat het begin ervan vanzelf moest vaststaan en wel te meer, omdat het een gedeelte van de godsspraak bij Jeremia, die van de val van de Chaldeeuwse heerschappij, reeds vervuld was, was het ook niet nodig dat de ziener van de Openbaring ver die tijdruimte mededelingen werden gegeven, omdat toch slechts eerst in het algemeen de toorn van God over het Israël, dat aan het gericht was overgegeven, zich in allerlei ellende zou uitstorten, want voor deze tijdruimte waren de reeds aanwezige profetieën volkomen voldoende. Het was echter uitsluitend te doen om een openbaring ten opzichte van de tijd, die bepaald afgebakend of begrensd was en die men meteen kent, als men zijn omvang (42 maanden) en karakter (vertreding van Jeruzalem) weet. Over de betekenis van het begrip van "vertreding", waartoe Jeruzalem weer tot een Jebus wordt, vergelijkt men het gezegde bij Lukas 21:24 De zaak, die bevestigd wordt, wordt voorgesteld eerst ontkennend en daarna stellender wijze. Ontkennender wijze: dat daar geen tijd meer zal zijn; niet volstrekt, alsof op het blazen van de zevende bazuin meteen het algemene oordeel zou volgen, want dat komt met het volgende van de Openbaring iet overeen, maar het is in sommige opzichten te verstaan: daar zou na het blazen van de zevende bazuin zo'n tijd niet meer zijn als van te voren. De antichrist zou de Kerk niet meer onder zich houden in zulke duisternis; hij zou de waarheid en de belijders van de waarheid niet meer zo onderdrukken en overheersen, dat zou ophouden; de Kerk zou uit Babel gaan en zich tegen hem zetten; hij moge de Kerk krijg aandoen, zoals Farao het uit Egypte gaande Israël vervolgde; maar hij zal ze niet meer onder zijn geweld krijgen, daar zal altijd een staande partij tegen hem zijn. Stellender wijze (Vers 7). Maar in de dagen van de stem van de zevende engels, wanneer Hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid van God vervuld worden, zoals Hij Zijn dienstknechten de profeten verkondigd heeft. Wat die verborgenheid is, zal bekend worden uit hetgeen van de zevende bazuin gezegd wordt, namelijk het herstel van de Kerk in een uitgebreide en heerlijke staat op aarde, eerst wel strijdend tegen de anti-christ, in welke strijd vele martelaren de waarheid met hun bloed zullen verzegelen, maar daarna zegevierende de duizend jaren, waartoe ook de algemene bekering van de Joden behoort, waarvan wij boven in het brede hebben gesproken en aan de andere kant de verbreking van de vijanden van de Kerk, de anti-christ en de Turk voor de schalen, die over hen zullen worden uitgegoten, van welke zaken de profeten, zoals van het Oude Testament Jesaja, Ezechiël, Daniël, Zacharia, als van het Nieuwe Testament gesproken hebben.
Uit Berlijn werd ons het onderstaande gemeld. We achtten het te opmerkelijk om het geen plaats te gunnen.
"De verenigingen tot kolonisatie van Palestina, die in vele grote steden opgericht worden, bedoelen verwerving van land in Palestina en bewerking ervan door de Joden. De kolonisten zullen in de eerste jaren, terwijl zij proeven met de landbouw nemen, rijkelijk ondersteund worden. Bijzondere comités zien toe wie opgenomen en naar Palestina geholpen worden. Elke Jood heeft recht op wat zijn land opbrengt en moet de verplichtingen van de Joodse wet vervullen. Onder orthodoxe Joden vindt het plan tegenstand. Men beweert, dat de komst van de Messias dient afgewacht, eer het Heilige Land weer voor de Joden wordt. Voorts ducht men bekeringspogingen van Christelijke zijde. In elk geval is de beweging nu zeer levendig. Te München in Beieren is reeds de eerste vereniging voor Joodse kolonisatie van Palestina gevormd. Niet slechts uit Rusland en Polen, maar ook uit alle grote steden van Roemenië, melden zich Israëlieten aan, om te trekken naar Jeruzalem. Rijke Joden geven er geld voor. Bij de Turksen gezant te Boekarest, de hoofdstad, worden pogingen gedaan om land in Palestina voor de verhuizers te verkrijgen. Vele Joodse huisgezinnen in Duitsland, ook geleerde Joden, hebben zich bereid verklaard, naar Kanaän te gaan en de nederzettingen en te vormen gemeenten te leiden en te regelen. Te Berlijn is op het ogenblik een vereniging tot kolonisatie van Palestina door Joden in wording. We hebben steeds om meer dan een reden met voorzichtigheid aanvaard wat op Israël's terugkeer naar het land van de vaderen scheen te wijzen. Immers, we gedachten van de vele teleurstellingen van hen, wier verwachtingen hierover reeds vaak in rook opgingen, maar een verschijnsel als het vermelde, in verband met de Joden-kwestie, die nu heel midden- en oost-Europa beroert, stemt tot nadenken. Overal wil men de Jood uitwerpen; dat is we vragen nu niet om welke redenen, het pogen. Zou het zoveel beweging wekkend vraagstuk door de Joden zelf, in zo praktische zin als uit het kolonisatieplan blijkt, opgelost worden? (Standaard 27 Oktober 1881).
II. Vers 8-11. Nadat door de verschijning en het werk van de engel in de vorige afdeling de betekenis en het doel van de periode, die in het tweede deel van de Openbaring ich ontwikkelde en gekarakteriseerd is, wordt Johannes tot profeet ook voor deze periode geroepen. Met Zijn eigen persoonlijk leven hangt hij in niets samen met de wereld van de volken, die op de voorgrond van het rijk van God treedt; hij staat eigenlijk geheel buiten haar; zij is voor hem een geheel onbekende grootheid. Maar juist daarom wordt zij, voordat hij de openbaring, voor haar bestemd, ontvangt, hem als het ware ingelijfd doordat hij het boekje, dat de openbaring in zich bevat, moet verslinden.