14. Het tweede wee van de drie, die in
Hoofdstuk 8:13 voor de vijfde, zesde en zevende bazuin werden aangekondigd, is weggegaan, nadat de geschiedenis van de zesde bazuin in
Hoofdstuk 9:13-
11:13 evenals die van de vijfde in
Hoofdstuk 9:1-
12 met een zich ontwikkelend antichristendom en daarom ook met een gericht van gedeeltelijke ondergang van de Christenen geëindigd is. Zie, het nog achter gebleven derde wee komt spoedig, beginnende met de aankondiging in
Hoofdstuk 12:12 en sluitend met de verwezenlijking in
Hoofdstuk 15-19.
Het plaatsen van het tweede wee, waardoor aan de ene zijde de gebeurtenis in Vers 13 als slot van de zesde bazuin, die in Hoofdstuk 9:13 begint, wordt voorgesteld, aan de andere zijde het binnen de zo afgebakende beide grenspunten voorspelde van de volgende afdeling uitdrukkelijk wordt afgezonderd, spreekt daarvoor, dat eensdeels het begin van de tijdsbepaling in Vers 2, 3 gegeven, in de gebeurtenis Hoofdstuk 9:13, en het slot in de gebeurtenis Vers 13 moet worden gezocht, en dat wij aan de andere zijde bij het dier in Vers 7, dat uit de afgrond opstijgt, nog niet aan de persoonlijke antichrist, zoals die in Hoofdstuk 13 openbaar wordt, moeten denken, maar slechts aan de anti-christelijke tijdgeest, de voorloper ervan (vgl. bij Hoofdstuk 16:21).
Hier ontmoeten wij dus de schildering van de beide getuigen gedurende de 1260 jaren, van de tijd van de Evangelieverkondiging onder de Angel-Saksers en Duitsers, door het hele tijdperk van de middeleeuwen tot op de hervorming, en voorts tot op het einde van onze eeuw. Alle uitnemende Godsmannen en Evangeliepredikers, van de Ierse en Angel-Saksische apostelen en Bonifacius behoren daartoe; voornamelijk hebben wij door hen de getuigen sinds de hervorming te verstaan, de krachtigste moeten nog optreden, evenals ook onder het Oude Verbond in de ergste tijden de meeste en machtigste profeten optraden. De Heere geeft ons geen schets van hun werkzaamheid bij de gemeente of bij de vrouw, die zij met het Woord van God geestelijk voeden (12:6); maar hun manmoedig optreden tegen hun vijanden. Met de uitdrukking: "Zij zullen 1260 dagen lang profeteren of leren in zakken gekleed", wordt hun werkzaamheid kort en veelbetekenend geschilderd. Met de volmacht, om vuur van de hemel te doen neerdalen, de hemel te sluiten, zodat het niet regent, zoals van Elia gezegd wordt en water in bloed te veranderen, of de aarde met plagen te slaan, zo vaak zij het voor hun eigen veiligheid, of tot bekrachtiging van hun woord nodig achten, zoals van Mozes wordt bericht, wordt op de macht van hun gebed gedurende de tijd van de 1260 jaren en na de afloop van de 1260 jaren ook op werkelijke wonderkracht, naar het voorbeeld van Mozes en Elia, heen gewezen. Voor de hervorming baden deze getuigen, die toch ook onder de weinige namen te Sardis, die hun kleren niet bevlekt hadden, begrepen zijn, dat toch de bisschop te Sardis, de paus te Rome, ontwaken en aan het Evangelie de plaats, die het toekwam, inruimen mocht. Huss, ook een getuige van de waarheid, werd verbrand; maar voorspelde hun, dat na hem een zwaan zou komen, die zij niet zouden kunnen verbranden, noch braden. Eindelijk stond deze zwaan op en bracht het Evangelie aan het licht en hanteerde dermate het zwaard van het woord tegenover het zevenhoofdige dier, dat het vijfde hoofd een dodelijke wond ontving, waaraan het, had de kerkvergadering te Trente geen genezing verschaft en was er geen nieuwe helper in het beest uit de aarde opgetreden, onfeilbaar gestorven zou zijn. Want het hele Zuidelijk-Europa stond op het punt om tot het zuivere Evangelie terug te keren en dan had het pausdom uitgediend. Bezat deze getuige (Luther) met zijn medegenoten en medegetuigen niet een buitengewone kracht en goddelijke volmacht, waartegen niemand zich verzetten kon? Het vuur van het Evangelie is nu eenmaal ontstoken en brandt, hoewel in Zuidelijk-Europa uitgeblust, in Middel- en Noord-Europa voort en straalt meer en meer temidden van de onwetendste heidenen en van degenen, die de einden van de aarde bewonen. Hoe vaak heeft God in het verleden de vijanden van het Evangelie uit de weg geruimd, wanneer de schaar van de getuigen in de gemeente Hem vurig smeekte, dat het licht toch niet uitgedoofd mocht worden. En wanneer heden enige macht op aarde de waarheid wilde onderdrukken, zou de Allerhoogste op het geloofsgebed Zich tegen haar stellen. Zolang het wereld-uurwerk nog niet op 1260 wijst, kan niemand de getuigen ongestraft beschadigen, niemand het Evangelie uit de weg ruimen. Hoezeer is het Zuidelijk Europa, bijvoorbeeld Spanje, sinds de tijd van de hervorming daarvoor getuchtigd, dat het de getuigen, die het Evangelie binnen zijn grenzen verkondigden, heeft uitgeroeid. Pas wanneer het goddelijk raadsbesluit dit toelaat, kunnen de getuigen aangerand en in de Christenheid gans en al uitgeroeid worden, opdat de duivel en de boze mensheid als zodanig voor de engelen en de gelovigen openbaar worden en de maat van hun zonden vol maken. Ten tijde van het beest uit de afgrond worden de getuigen, die dan hoofdzakelijk als profeten optreden, ook, zoals Mozes en Elia, met wonderkracht toegerust. Want de werkzaamheid van de beide getuigen in Vers 5, 6, heeft eigenlijk ten tijde van de volksheerschappij, na de afloop van de 1260 jaren plaats, omdat de tijd van hun profeteren zonder het doen van uitwendige wonderen, in de vroegere verzen wordt vermeld. Met de tijdsopgave (Vers 3) is de Heere tot het einde van het daar genoemde tijdperk gekomen. Zo is ook het beest uit de zee (13, 5) met de tijdsopgave tot het einde van de 1260 dagen genaderd; wat in 13:6-10 gezegd wordt, valt na de afloop van de 1260 jaren voor. Ook op de volgorde van de woorden kan in het heerlijke boek van de Openbaring iet nauwkeurig genoeg acht gegeven worden.
DE ZEVENDE BAZUIN. HET VIERDE GEZICHT VAN DE STRIJD VAN MICHAEL TEGEN de DRAAK
IV. Vers 15-19. Nu wordt de zevende bazuin gehoord; even als echter na de opening van het zevende zegel (Hoofdstuk 8:1) een stilte in de hemel ontstond van ongeveer een half uur, en gebeden werden uitgesproken, voordat het tot het blazen van de bazuin en daarmee tot verdere ontwikkeling kwam, zo volgt ook hier na het klinken van de laatste bazuin niet meteen de voltooiing van het geheim van God, die men nu zou kunnen verwachten (Hoofdstuk 10:7). Eerst wordt de voltooiing, alsof die reeds aanwezig was, door de engelen en uitverkoren in de hemel gevierd en God de Heere bevestigt wat hiermee als zeker en ontwijfelbaar wordt aangekondigd ook van Zijn zijde. Zo'n viering, die de toekomst voorafgaat, is echter juist hier op de juiste plaats, waar het voorafgaande gezicht (Vers 1-14) reeds diep in deze toekomt heeft ingegrepen en zo'n heerlijke overwinning van Christus over de geest van de anti-christ, en zo'n groot wonderwerk van Zijn alles vermogende genade heeft teweeg gebracht, dat de overwinning over de antichrist naderend is en de opening van het rijk van de heerlijkheid nog slechts een vraag van tijd kan zijn.