5. En aan het dier, toen het in zijn ontwikkeling tot dat punt was gekomen, werd een mond gegeven, om grote dingen en gods-lasteringen te spreken (
Daniël 7:25;
11:36.
2 Thessalonicenzen 2:4 2Th) en het werd macht gegeven, om, voordat nog deze ontwikkeling van zijn hoogste toppunt in de antichrist was bereikt, zulks te doen tweeënveertig maanden. Voor de duur van het toppunt zelf was daarentegen een andere, slechts zeer korte tijd reeds sinds lang afgemeten (
Hoofdstuk 12:14), die, het tegendeel is van het "levend in alle eeuwigheid" van de ware Christus (
Hoofdstuk 1:18).
Er kan geen twijfel aan zijn, of de 42 maanden moeten eveneens in profetischen zin worden opgevat als in Hoofdstuk 11:2; er moet dus een tijdruimte van 1260 jaren mee bedoeld zijn. Nu kan nooit een enkel persoonlijk heerser zo lang blijven; wij moeten dus verder erkennen, dat, terwijl in de eerste helft van het vijfde vers van de antichrist wordt gesproken als het dier, dat tot zijn volle ontwikkeling is gekomen, de tweede helft wil aangeven, hoeveel tijd zal verlopen van het eerste aanzijn van het dier tot aan deze volledige ontwikkeling. Zo hangt er alles van af, dat de tijd voor de eerste aanvang van het dier wordt bepaald, om vervolgens ook de tijd van het verschijnen van de antichrist te kunnen berekenen; want dat deze tijd een onnavorsbaar, ondoordringbaar geheim zou blijven, is een volstrekt verkeerde veronderstelling; integendeel wordt het ons hier nadrukkelijk voorgehouden, onze kracht te besteden aan het onderzoek daarvan. Deuteronomium 70 jaren in Jeremia 25:11, moesten ook niet om niet in de Bijbel staan; wij zien Daniël in Hoofdstuk 9 van zijn profetisch boek zich daarmee bezig houden. En weer de, 70 jaarweken in Daniël 9:24, stonden daar evenmin tevergeefs; de mannen van God hebben nagespeurd, waarop en op welke tijd de Geest van Christus, die in hen was, beduidde (1 Petrus 1:11) en de grijze Simeon is zeker zo'n onderzoeker geweest en heeft op zijn vragen een antwoord van de Heilige Geest ontvangen (Lukas 2:25 v.). Omdat wij nu het rijk of land reeds kennen, waaraan wij bij het dier met de zeven hoofden te denken hebben, zullen wij slechts op het meest beslissende, en voor het rijk van God belangrijke jaar in de eerste geschiedenis van Frankrijk moeten peinzen, om voor onze berekening een zekere vastheid te verkrijgen. En dan komt ons het jaar 732 na Christus, waarin Karel Martel tussen Tours en Poitiers zijn overwinning op de Saracenen behaalde en waardoor hij de steeds verder voortdringenden Islam in zijn vreselijke macht knakte, als zo een voor. Hiermee waren niet alleen volgens de voorspelling in Hoofdstuk 9:14 de Germaanse volken en de Christelijke kerk van het Westen tegen het gevaar van een overstroming door de Saracenen en de vernietiging door de Islam, zoals die het Oosten had getroffen, gered, maar ook de grond gelegd tot de opkomst van de naar Karel genoemde dynastie van de Karolingers, die wij boven als de eerste onder de 7 hoofden van het dier hebben gerekend. Dat is ook de aanvang voor die eigenaardige betrekking van sympathie voor elkaar, die door alle tijden tussen de Roomse stoel en de Franse wereldmacht heengaat, tot het eindelijk direct tot een huwelijk, of tot een bepaald zitten van de vrouw op het dier komt Re 16:19; want de pauselijke opwekking tot het roven van de Frankisch koningskroon valt in het jaar 752 en de schenking van Pepijn aan "de heilige Petrus", zoals men zegt in het jaar 756 na Christus. Berekenen wij nu de 42 maanden van dat jaar 732 af, dan verkrijgen wij een tweede rij naast de eerste, die wij bij Hoofdstuk 11:2, 3 verkregen, bijna een eeuw later begint en even zoveel later ten einde loopt, door 11 eeuwen heen daarentegen parallel naast die gaat; a. 637 + 1260 = 1897 de eerste noemen wij de periode van de ontwikkeling van de antichristelijke tijdgeest, b. 732 + 1260 = 1992 de tweede de ontwikkeling van de persoonlijke antichrist. De ene brengt het gevaar teweeg dat in het protestantse principe van vrijheid voor de nog strijdende Kerk ligt, omdat deze vrijheid toch ook aan groot misbruik is blootgesteld en tot libertinisme en teugelloosheid worden kan, zelfs tot het ontstaan van de toestanden, beschreven in Hoofdstuk 11:7-10 en de ongehoorzaamheid en opstand tegen de Heere voor de mensen mogelijk verhoogt tot de mate in Psalm 2:2 v. voorgesteld. Maar tegenover menselijke zonde, als die niet tot het ergste komt, blijft Gods genade en de zaligheid in Christus toch altijd nog machtiger en de 3 1/2 jaar van de heerschappij van de anti-Christelijke tijdgeest hebben de reactie, in Hoofdstuk 13:11-13 aangeduid, ten gevolge, die de Evangelische kerk tot haar hoogste bloei brengt en tot die plaats tegenover de andere Kerk, die haar van rechtswege toekomt, maar door haar zolang moet worden gemist, tot het gevaar, dat in haar principe voor de ziel ligt, overwonnen is en de weg tot juist gebruik van de vrijheid was bereid. De tweede ontwikkeling daarentegen brengt het veel vreselijker en ontzettender gevaar teweeg, dat in het principe van het Roomse pausdom ligt. Met behulp van de leerstelling van een plaatsbekleding van God en van Christus door een mensenkind, van de onfeilbaarheid van deze plaatsbekleder en van zijn onbeperkte heerschappij over het geweten, en door de wederkerige verbintenis van de wereldlijke macht met de geestelijke en van de geestelijke met de wereldlijke, zal het de moordenaar vanaf het begin en de vader van de leugen eens mogelijk worden, in plaats van de Christus van God een anti-Christus onder te schuiven, aan die zijn kracht en zijn troon en grote macht te geven, en de tijd van zo'n dwaling teweeg te brengen, waarin hij, als het mogelijk was, ook de uitverkorenen zou verleiden. Daarmee zal het geheim van de boosheid worden vervuld; omdat het nu toch niet meer menselijke boosheid is, die zich daar ontwikkelt, maar de boosheid van de duivel zelf, die aan de mens werkt, kan er ook geen hulp en redding tot herstel meer zijn, maar het gevolg zal een oordeel zijn, dat ten eerste de grote hoer doet vallen (Hoofdstuk 18) en vervolgens het dier en de valse profeet in de poel van het vuur werpt, waarheen later de duivel met de dood en de hel volgt (Hoofdstuk 19:20; 20:14). Rekenen wij bij het jaartal 1992 na Christus, dat wij voor het verschijnen van de anti-christ hebben gevonden, de 3 1/2 jaren van zijn heerschappij (Daniël 7:25; 12:7), dan komen wij tot 1995 1/2. Nu is volgens juiste berekening de wereld in de herfst van het jaar 4005 voor Christus, dus 4004 1/2 geschapen, dan zou de duur van de hele strijd van de wereld tot aan de val van de anti-Christ juist 6000 jaren bedragen. Het is dan ook reeds de mening van de oudste kerkleraars geweest, die deze 6 duizendtallen van jaren met de 6 werkdagen van een week parallel stelden (2 Petrus 3:8), die de wereldweek noemden en de oprichting van het duizendjarig rijk, die nu volgde (Hoofdstuk 20:1) als de wereldsabbath, als de zevende dag van de wereldgeschiedenis beschouwden, die vervolgens door de eeuwigheid (Hoofdstuk 20:7-22:5) wordt afgelost en dus in een nooit eindigende Zondag overgaat.
Nadat wij bij Vers 2 van de dynastieën van Frankrijk reeds datgene hebben gevonden, dat de anti-Christ eens zal voortbrengen, zal het niet moeilijk meer zijn, ook de dodelijke wond van dit hoofd, die echter weer werd genezen (voor de blik van Johannes stelde zich de zaak zeker zo voor, dat het hoofd voorkwam, als door een slag met het zwaard van de romp gescheiden, want het was heden de 19de Oktober (Hoofdstuk 1:10), het wedergenezen worden daarentegen is profetisch), zodat zich de hele wereld achter het dier verwonderde, in haar voorspel uit Frankrijks geschiedenis aan te wijzen; want Gods voorspelling is niet een pand, dat ledig voor een onbepaald en tijd in de aarde is begraven, maar het is op woeker gesteld. Zij beheerst de wereldgeschiedenis en toont haar werkzame kracht reeds in voorafgaande gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis, die het toekomende afschaduwen, op dat men op haar eigenlijke mening opmerkzaam wordt en bij haar verklaring niet heen en weer geslingerd wordt. Als tot de dood gewond of geslacht, openbaart zich het zesde hoofd aan het lichaam van Frankrijk, dat de dynastie van Buonaparte vertegenwoordigt en Napoleon I, wiens lot het is geweest, dat hij aan zijn afstand van de troon in het jaar 1814, die hem nog de titel in luister van het keizerrijk met een klein souverein eigendom redde, niet trouw bleef, maar een laatste wanhopige poging tot herkrijging van de vorige heerlijkheid waagde. Het moest toch bij die val niet blijven, omdat het geen dodelijke wond geweest was, maar tot zo een zou komen, waarin het huis Buonaparte op doodstraf uit Frankrijk verbannen zou zijn en de drager van zijn naam nog in zijn leven voor de wereldgeschiedenis werd begraven. Van het dier, dat zich omstreeks 18 jaren lang geheel en al met Napoleon had vereenzelvigd, wordt nu gezegd (Hoofdstuk 17:8, 11): "het was en is niet"; maar is ook na een dubbel zo lange tijd niet het woord vervuld: "het zal terugkomen uit de afgrond" (de revolutie)? Wij hebben een tweede Frans keizerrijk onder Napoleon III zien opstaan en inderdaad heeft zich bij dit genezen worden van de dodelijke wond de hele aardbodem achter het dier verwonderd. De grootmachten van Europa hebben zich ootmoedig en gewillig onder het gezag van de avontuurlijke koning gebogen, alsof achter hem een bijzondere majesteit verborgen zou zijn en de volken hebben nu weer een bijna onverklaarbare sympathie met Frankrijk getoond, hoewel toch anders een grote mond niet veel aantrekkelijks heeft en de treden van berenvoeten niet gemakkelijk worden vergeten. Men bemerkt de toverachtige macht, die achter het dier staat en die het zo ver wil brengen, dat ten slotte nog eens wordt gezegd: "wie is aan het dier gelijk? en wie kan er tegen strijd voeren? " Intussen heeft de beschikking van God ook over Napoleon geregeerd. Het zou toch zo makkelijk hebben kunnen geschieden, dat zijn lichamelijk lijden reeds vroeger een dodelijk einde zou hebben gehad, of dat het krijgsfanatisme in het jaar 1870 nog eens voor een verstandig overleg zou zijn geweken en de weinige jaren van de nog achterstallige leeftijd van deze keizer in dezelfde baan als de vroegere zouden zijn verlopen. Maar nee, het gezicht van de dodelijke verwonding van het hoofd moest ook aan hem worden vervuld; het moest een wond van een zwaard zijn, die ook voor de tweede keizer op de Fransen troon in de geschiedboeken zou worden opgetekend. Nu is het bezwaarlijk een waarzeggen, maar alleen een volgen van de sporen, die Gods voet zelf op de aardbodem heeft ingedrukt, als wij bij onze uitlegging op de voorgrond stellen, dat ook het gezicht van het weer genezen worden van de dodelijke wond voor de tweede maal waar zal worden niet zo snel, maar pas na zoveel generaties, dat hij in wie dat plaats heeft, als een achtste optreedt, maar daartussen, evenals tussen Napoleon I en III een tweede ontbreekt, zo ook een vierde tot aan de zevende tot de vergetelheid behoort en nu ten opzichte van de regenten van dit huis eveneens gezegd kan worden, als ten opzichte van de dynastieën in het algemeen: "vijf zijn gevallen" (Hoofdstuk 17:10, 11) I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII. Maar hoe een achtste en toch van de zeven? Hij is dat zeker, in zo verre hij tot dezelfde dynastie met hen behoort. Moest het er echter niet bij blijven, dat er slechts zeven hoofden zijn ook ten opzichte van de Napoleons? En als dat zo was, zou dan niet iets monsterachtigs, iets bovenmenselijks, dat boven alle begrip verheven is, voortkomen? Wij behoeven voor deze consequentie van gedachten, die tot Napoleon I en Napoleon VIII als tot een en dezelfde persoon leidt, niet zonder meer terugschrikken; er zal ons bij deze dingen ook nog veel meer tegenkomen, dat een gewoon mens met zijn gewoon denken en ervaren niet kan rijmen. Maar daarop wordt juist voor de tijd van de laatste, grote droefenis gedoeld, op een verwondering van de aardbodem, die iets geestachtigs, bovenwereldlijks, god gelijkends in het dier opmerkt, al weet men ook niet, wat het eigenlijk is of van waar het komt, opdat aan de oprichting van het anti-Christische rijk een ontvankelijke bodem in de harten van de volken bereid wordt. Daarover zal bij Hoofdstuk 17:8-11 nader worden gesproken. Intussen zullen de volgende opmerkingen van twee nauwkeurige en verstandige uitleggers voldoende zijn. De een die schrijft: "wij hebben hier te doen met een kunststuk van satan, waarmee hij God zelf nabootst; evenals Deze Ene tot Heer geeft, Die uit de dood is opgestaan, zo ook hij. Het is nu ook duidelijk, waarom de wereld bij zijn openbaar worden of weer aanwezig zijn, geheel wordt meegesleept en de draak aanbidt, die aan het dier de macht heeft gegeven. Hij is toch een heerser naar hun hart, omdat hij de dood, deze vijand van de mensen, aan wiens banden zij zich tot hiertoe niet hebben kunnen ontworstelen, overwonnen heeft en zo ook aan zijn aanhangers eeuwig leven, maar wel verstaan! eeuwig leven aan deze zijde van het graf belooft. " Bij een ander wordt gezegd: "De apostel Paulus stelt in 2 Thessalonicenzen 2 het verschijnen van de mens van de toekomst met dezelfde woorden voor, die hij en de Schrift in het algemeen van de terugkomst van Christus bezigt. Een openbaring of onthulling, die nu nog slechts door een terughoudende macht wordt vertraagd een toekomst ofparousia, zoals Christus' terugkomst een paroesie is, noemt hij zijn optreden. Dat heeft geheel het uitwendige, alsof deze vijand van Christus reeds aanwezig was, maar niet op aarde, maar in de diepte, evenals Christus in de hemel is en slechts zou moeten verschijnen. Zo heeft men dan in de oude Kerk hier en daar de mening aangekleefd, als of die beruchte moordenaar van de Romeinse Christenen, de keizer Nero van de dood zou moeten terugkeren als de laatste vijand van Christus. Overeenkomstig zo'n feit luiden de woorden.
Als krijgvoerder tegen dit hoofd trad een Duitser op, eens bergwerkers zoon, Maarten Luther en sloeg hem door de Hervorming deze wond; de bisschop van Filadelfia, de eerste van de twee getuigen, die als mannen van ijzer en staal, met de kracht van een Elias en een Mozes gewapend, in deze wereld zich van hun taak kwijten. Er is geen twijfel aan, of de Reformatie bedreigde het Pausdom met de ondergang, omdat er ook in Spanje, Frankrijk en Italië lieden genoeg waren, die tot het zuivere Evangelie, door Luther en de andere Hervormers opnieuw aan het licht gebracht, weer terugkeren wilden, wanneer zij daarin niet door de Jezuïten verhinderd waren. Had de hervormingsbeweging van die zijde geen tegenwerking ondervonden, dan was het met het pausdom gedaan geweest en de dodelijke wond, door de Hervorming toegebracht, had het ook de dood veroorzaakt. Maar het moest nog eenmaal weer herleven, en het aangevangen werk van heerszucht, huichelarij en boosheid voleindigen. De dodelijke wond werd door de kerkvergadering te Trente geheeld, dat is door de Jezuïten. Over deze merkwaardige en onverwachte genezing, over de plotselinge herstelling van het aanzien van de pausen, verwonderde zich de hele katholieke wereld. Nu schatte men het pausdom veel hoger dan voorheen, omdat de Hervorming het zelfs niet schaden kon. Nu schaarden zich de katholieke volken vol verwondering en aanbidding achter de herder van hun zielen (Vers 4) en aanbaden de draak, die het beest de macht gaf en aanbaden het beest. Merkwaardig en ontzettend! Zij aanbaden de draak! De draak had het beest reeds vele eeuwen van te voren de macht gegeven, maar in dit dreigende gevaar, waarin de hervormingstijd het beest wikkelde, gaf de draak aan het beest de macht om zich te redden; en daarover verbaasden zich de aardbewoners; deze redding deed de draak hun namelijk als een redding van Godswege en door de macht van de waarheid voorkomen. De lasterwoorden en grote dingen, die het na de Hervorming uitgesproken heeft, zijn vooral de stellingen van de Trentse kerkvergadering, waardoor alle dwalingen van het pausdom plechtig als goddelijke waarheden vastgesteld en voor alle toekomende tijden onherroepelijk bevestigd zijn en de uit Gods woord geputte leer van het Protestantisme 431 maal (aan het einde van ieder besluit) is vervloekt. Deuteronomium 42 maanden bepalen de duur van het pausdom op 1260 jaren, namelijk de 1260 dagen, gedurende welke de vrouw voor de draak in de woestijn vlucht. Wanneer ook het pausdom als wereldmacht geen volle 1260 jaren duurt, het bestaat toch zo lang als valse godsdienst, door Rome's bisschoppen reeds voor het begin van hun wereldlijke macht sinds de zevende eeuw aangekleefd en voorgestaan.
Johannes ziet het hoofd, zoals het reeds weer hersteld was, hij ziet het met het litteken van een dodelijke wond; men kon het dit hoofd aanzien, dat het eenmaal als van het lichaam gescheiden geweest was. En welk van de hoofden van het beest was het, dat gedood en weer genezen was? Geen ander dan het zesde, het hoofd door het beest gedragen ten tijde van de Heere Jezus en van Johannes; met andere woorden: het Romeinse rijk. En waardoor had het die dodelijke wond ontvangen? Door het verzoeningswerk van Jezus Christus. Van de draak heeft het beest kracht en troon en macht; dat beest is als een plaatsvervanger van de anderen, de stedehouders van de overste van deze wereld. Hetgeen de satan ten verderve deed gaan en zijn heerschappij op aarde verstoorde, dat moest ook een dodelijke wond toebrengen aan het beest en aan dat van zijn hoofden, dat zich toenmaals verhief. De volken van de wereld, die bij de verkondiging van het Evangelie van Christus Jezus, de Zoon van de levende God, vervuld waren geworden met schrik en beving vanwege de ondergang van de heidense wereld en de heerschappij van de zonde en de duisternis op aarde, zie, zij zijn plotseling verwonderd, dat al die vrees ijdel bevonden schijnt te zullen worden. "Alles blijft, zoals het van de aanvang van de schepping af geweest is! " zo roepen zij met zegepalende spot. En zoals niets in de Heere Jezus meer verbazing had gewekt dan Zijn opstanding uit de dood, zo stond het beest verstomd over de herleving van het heidendom, na het teweeg brengen van de verlossing door het bloed van het kruis. Dat heidendom scheen vaster gegrondvest dan ooit van te voren en de kleine menigte van aanhangers van de Nazarener scheen in korte tijd van de aardbodem verdelgd te zullen zijn. Toen de Vader Zijn Kind Jezus van de dood opgewekt en daardoor de hoop van de verslagen Kerk op verlossing levendig gemaakt en haar de voorsmaak van een luisterrijke zegepraal gegeven had, toen scheen de overste van deze wereld een gelijk wonder te hebben verricht tot verheerlijking van het Beest; want ook dat vierde zijn opstandingsfeest en daarom klonk de honende jubelzang van de heidenen, in felle haat tegen Jezus ontstoken: "Wie is dit beest gelijk? En wie kan strijd voeren tegen dit? Vertroostend is hetgeen wij lezen: "aan dit werd gegeven", want zo geldt ook van de overste van deze wereld dat woord: "Wat heeft u, dat u niet ontvangen heeft? " Is het de waarachtige God, die de tong van de vijanden bestuurt, hun hart regeert, en hun handen in Zijn macht heeft, dan kan alle verdrukking, die de Kerk van het beest te lijden heeft, geen wezenlijke ramp zijn, maar is genade; maar dan zal ook de Heere, die macht aan het beest gegeven heeft, haar ook daaraan weer ontnemen en kan ten slotte de triomfkreet van de godslastering: "Wie is dit beest gelijk? " de gelovigen nooit tranen van vrees uit de ogen persen, maar moet slechts dan medelijdende glimlach over zulke machteloze zelfverheffing tekenen op hun gelaat. Niet tevergeefs herhaalt dit Hoofdstuk zo vaak dat woord: "hieraan werd gegeven". Immers drie maal komt het bij paren voor: twee maal bij het eerste beest en eenmaal bij het tweede. De Heere kon het beest wel met een slag ter aarde werpen; maar dit doet Hij niet; Hij laat het integendeel over aan zijn vervolgingswoede gedurende tweeënveertig maanden. Deze tijdsbepaling komt reeds vroeger voor als maat van de heerschappij van de wereld over de Kerk, als een dieken voor de toenmalige tijd, waarin Gods volk wel vernederd werd, maar om eindelijk volkomen te zegepralen.
Dit van de dood toe gewonde hoofd betekent de Christelijke staat met zijn natuurlijke beschaving en veredeling. Deze trek duidt het grondkarakter van de wereldontwikkeling in deze Christelijke tijd naar zijn inwendig wezen aan, zoals ons vroeger de kerkelijke ontwikkeling beschreven werd, als de vrouw, die tot hoer werd. Beide deze ontwikkelingen stemmen met elkaar overeen: de wereldlijke macht verbergt haar vijandschap en haar ongeloof en neemt zelfs uitwendig het Christendom aan, maar zoals het beest zijn God-vijandige gezindheid bedekt, zo omgekeerd verloochent de vrouw haar vreez voor God en haar geloof, omdat zij naar de wereld en het aards genot haakt. Van beide zijden worden de uitersten vermeden; wereld en kerk betonen elkaar wederkerig inschikkelijkheden en geven elkaar in schijnbare verdraagzaamheid toe. Het beest draagt de hoer (17:3-7). Wereldgelijkvormig Christendom aan de ene zijde en verchristelijkte wereldgezindheid aan de andere zijde, ziedaar de grondtype van de Christelijke eeuwen, die volgen. En wie wint daarbij? Aanvankelijk zeker alleen de wereld. Want de Kerk die haar leven uit God en Christus heeft, kan slechts verliezen wanneer zij zich met de wereld en het wereldse vermengt. Zo verblijdend dan ook de Christelijke toestand van de wereld aan menselijke ogen moge toeschijnen, dit wereldgelijkvormig Christendom is in Gods ogen het ware niet. Wanneer eenmaal de koninkrijken van de Aarde van de Heere en van Zijn Christi zullen zijn, dan zal de Heere vooraf iets geheel nieuws scheppen.
Wreed, loos en vervaarlijk in het aanzien en afschuwelijk wegens zijn vlekken. Dit monster had lompe, maar sterke en verscheurende beervoeten en een lelijke gang; het had een leeuwenmond, verschrikkelijk wreed en verslindend. Zo is de antichrist in al zijn handelingen; al wat hij doet is duivelswerk, hij werkt alles door de duivel, die bezit hem, die bestuurt hem, die geeft hem kracht, troon en macht, daarom volbrengt hij ook in alles van de duivelen wil. De genezing van de dodelijke wond van het godslasterlijk hoofd is geschied door de paus, die niet alleen het gebied over Rome en het Romeinse rijk heeft en uitgebreid heeft en zo het zevende hoofd van het beest is, maar die heeft de godslasterlijke regering hersteld, hoewel onder een andere naam; toen ze gewond werd, was ze heidens godslasterlijk, nu is ze Christens godslasterlijk. De godslastering is in beiden gelijk en hoe zij overeenkomen, zal in Vers 14, 15 getoond worden, als wij zien zullen hoe een beeld van het beest gemaakt is. De hele Christenwereld, alleen de 144. 000 verzegelden uitgenomen, verwondert zich over de grootheid, heerlijkheid en macht van de paus van Rome, de antichrist, het beest. Zij aan baden de draak, de duivel; niet onder die bevatting, maar afgodendienst is duivelsdienst. Zij aanbaden ook het beest en gaven het meer dan menselijke eer en onderwierpen zich onder de paus als onder God, omdat zij geloofden dat hij zaligheid en verdoemenis in zijn hand heeft. Zij achtten zijn macht zo groot, dat niemand zich tegen hem kon zetten, omdat hij alles, zelfs het geweten van de mensen, onder zich had. God laat de duivel en zijn werktuigen soms los, maar houdt hen als boze honden aan een keten, zodat zij niet kunnen doen, wat zij wel zouden willen en niet langer dan de Heere hun perk stelt. De duivel, losgelaten, spoort het beest aan en geeft het bekwaamheid en stoutheid om grote dingen te spreken, om zich uit te geven voor de stadhouder van Christus en gebieder op de aarde, om zonden te vergeven en te houden, om ten hemel te brengen en ter hel neer te stoten, om zulke godsdiensten in te stellen, die recht tegen Gods instellingen zijn, die God oneer aandoen, het schepsel eren boven de Schepper en de waarheid en zaak van God lasteren. Maar God had Zijn tijd om dat te doen bepaald tot tweeënveertig maanden, dat is een tijd, tijden en een halve tijd, dat is 1260 dagen. Die verschillende uitdrukkingen betekenen een en dezelfde tijd, die begonnen is over de dodelijke wond van het beest en eindigde over de tijd van de hervorming. Niet dat het beest teniet gedaan zou zijn, maar dat hij het niet langer zou doen als zittende in de Kerk, als de Kerk overheersende, als de onderwerping van allen hebbend. De duivel en het beest zullen niet ophouden van boosheid, zolang zij zijn.