Mattheus 24:32-51
Wij hebben hier de praktische toepassing van de voorgaande voorzegging: in het algemeen moeten wij de gebeurtenissen, die hier voorzegd zijn, verwachten en er ons op voorbereiden.
I. Wij moeten ze verwachten, Leert van den vijgenboom deze gelijkenis, vers 32, 33. Leert welk gebruik er gemaakt moet worden van de dingen, die gij gehoord hebt, merkt op en verstaat de tekenen der tijden, en vergelijkt ze met de voorzeggingen van het woord, om daaruit te voorzien wat te wachten is, opdat gij dienovereenkomstig uwe maatregelen kunt nemen. De gelijkenis van den vijgenboom is niets meer dan dit: dat het uitbotten van knoppen en bloesems een voorteken is van den zomer, want gelijk de ooievaar aan den hemel, zo weten ook de bomen des velds hun gezette tijden. Het begin der werking van de tweede oorzaken verzekert er ons den voortgang en de voleindiging van. Zo zal God, als Hij begint de profetieën te vervullen, ze ook voleindigen. Evenals in de werken der natuur, is er ook in de werken der voorzienigheid een zekere reeks of volgorde. De tekenen der tijden worden vergeleken bij de voortekenen in het aanschijn des hemels, Hoofdstuk 16:3, en zo hier met het gelaat der aarde, als dit vernieuwd wordt, dan voorzien wij dat de zomer komt, niet terstond, maar na enigen tijd. Wanneer zijn tak teder wordt, dan verwachten wij Maartse winden en Aprilregens eer de zomer komt, maar toch zijn wij er zeker van dat hij komt. Evenzo ook gij: als de Evangeliedag aanbreekt, rekent er op, dat door de verschillende gebeurtenissen, waarvan Ik u gesproken heb, de volmaakte dag komen zal. De dingen, die geopenbaard zijn, moeten haast geschieden, Openbaring 1:1. Zij moeten komen naar hun volgorde, die er voor bestemd is. Weet, dat het nabij is. Hij zegt hier niet wat nabij is, maar het is datgene, waarop het hart Zijner discipelen gezet is, dat zij begerig zijn te weten, waarnaar zij verlangen, het koninkrijk Gods is nabijgekomen, aldus wordt het uitgedrukt in de parallelplaats, Lukas 21:31. Als de bomen der gerechtigheid beginnen uit te botten en te bloeien, als Gods kinderen trouw beloven, dan is dit een gelukkig voorteken van goede tijden. In hen begint God Zijn werk, eerst bereidt Hij hun hart, en dan zal Hij er mede voortgaan. Gods werk is volmaakt, en Hij zal het in het leven behouden in het midden der jaren. Wat nu aangaat de gebeurtenissen, die hier voorzegd zijn, en die wij hebben te verwachten:
1. Christus verzekert ons hier van de zekerheid er van, vers 35. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, zij duren voorzeker nog wel heden, overeenkomstig Gods ordening, maar zij zullen niet eeuwig duren. Psalm 102:26, 27, 2 Petrus 4:10, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. Het woord van Christus is vaster en duurzamer dan hemel en aarde.
Heeft Hij gesproken? En zal Hij het niet doen? Wij kunnen met meer zekerheid bouwen op het woord van Christus dan op de pilaren des hemels, of op de sterke fondamenten der aarde, want als dezen zullen wankelen en verdwijnen, zal het woord van Christus blijven en in volle kracht zijn, 1 Petrus 1:24, 25. Het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan dan het woord van Christus, aldus is het uitgedrukt in Lukas 16:17, vergelijk Jesaja 54:10. De vervulling dezer profetieën kan vertraagd schijnen, en tussenkomende voorvallen kunnen in strijd er mede schijnen, maar denkt daarom niet, dat het woord van Christus ter aarde is gevallen, want dat zal nooit voorbijgaan, al wordt het niet vervuld in den tijd of op de wijze, die wij gedacht hebben, op Gods tijd, die de beste tijd is, zal het gewis vervuld worden. Elk woord van Christus is zeer rein, en daarom ook zeer vast. 2. Hier onderricht Hij ons omtrent den tijd er van, vers 34, 36. Wat dat betreft, de geleerde Hugo de Groot heeft terecht opgemerkt, dat er blijkbaar ene onderscheiding is gemaakt tussen de tauta, vers 34, en de ekeinê, vers 36, deze dingen, en die dag en ure, hetgeen zal helpen om deze profetie te verduidelijken.
a. Aangaande deze dingen, de oorlogen, verleidingen en vervolgingen, die hier voorzegd zijn, en inzonderheid het verderf van het Joodse volk. Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn, vers 34.
Er zijn thans levenden, die Jeruzalem verwoest zullen zien, en de Joodse kerk tot een einde gebracht. Omdat dit vreemd of ongelooflijk zou kunnen schijnen, ondersteunt Hij het met een plechtige verzekering: Voorwaar, Ik zeg u. Gij kunt er Mijn woord voor nemen, deze dingen zijn voor de deur. Christus spreekt dikwijls van het nabij zijn dezer verwoesting, ten einde op het hart des volks te werken en hen op te wekken om er zich voor te bereiden. Er kunnen grotere beproevingen en benauwdheden aanstaande zijn dan wij denken. Die oud zijn, weten niet met welke kinderen Enaks zij hun laatsten strijd zullen hebben te strijden
b. Maar wat betreft dien dag en ure, die een einde zal maken aan den tijd, van dien dag en ure weet niemand, vers 36. Wacht u dus van deze twee zaken met elkaar te verwarren, zoals zij gedaan hebben, die uit de woorden van Christus en de brieven der apostelen hebben afgeleid, dat de dag van Christus aanstaande is, 2 Thessalonicenzen 2:2. Neen, die dag was niet aanstaande, dit geslacht, en nog menig ander geslacht, zal voorbijgaan, eer die dag en ure komen. Er is een zekere dag bepaald en vastgesteld voor het toekomende oordeel, hij wordt genoemd de dag des Heeren, omdat hij zo onveranderlijk is vastgesteld. Geen van Gods oordelen zijn uitgesteld sine die -zonder de bepaling van een vastgestelden dag. Die dag en ure zijn een grote geheimenis. Niemand weet van dien dag en ure, niet de wijsten door hun schranderheid, niet de besten of vroomsten door enigerlei Goddelijke ontdekking. Allen weten wij, dat er zulk een dag zijn zal, maar niemand weet wanneer hij zijn zal, neen, niet de engelen, hoewel hun kennis en hun bevattingsvermogen groot zijn, en hun gelegenheid om te kunnen weten-immers wonen zij bij de Bron des lichts-en hoewel zij bij de plechtigheid van dien dag dienst zullen doen, toch wordt hun niet gezegd wanneer hij zijn zal, van dien dag en ure weet niemand dan Mijn Vader alleen. Dat is een van die verborgen dingen, die voor den Heere onzen God zijn. De onzekerheid van den tijd van Christus' komst is voor hen, die waken, een reuk des levens ten leven, en maakt hen nog meer waakzaam, maar voor de zorgelozen is zij een reuk des doods ten dode, en maakt hen nog zorgelozer.
II. Wij moeten deze gebeurtenissen verwachten, ten einde er op voorbereid te zijn, en hier hebben wij ene waarschuwing tegen valse gerustheid en zinnelijkheid, waardoor die dag inderdaad een sombere, treurige dag zou worden, vers 37-41. Er wordt ons in die verzen zulk een denkbeeld van den oordeelsdag gegeven, als wel instaat is om ons te verschrikken en te doen opwaken, opdat wij niet gelijk de anderen inslapen. Het zal een dag zijn van verrassing en van afscheiding.
1. Een dag van verrassing, zoals de zondvloed voor de oude wereld geweest is, vers 37-39. Wat Hij hier wil voorstellen of beschrijven, is de houding, de gesteldheid der wereld bij de komst van den Zoon des mensen, behalve Zijn eerste komst om te behouden, is er nog een andere komst, om te oordelen. Ik ben tot een oordeel gekomen, zei Hij, Johannes 9:39, en tot oordelen zal Hij komen, want Hem is alle oordeel overgegeven, zowel van het woord als van het zwaard. Nu is dit hier toepasselijk
a. Op tijdelijke oordelen, inzonderheid op dat, hetwelk nu weldra over het Joodse volk zou komen. Hoewel zij er behoorlijk voor gewaarschuwd werden, en er vele wondertekenen waren, die er de voortekenen van zijn geweest, vond het hen toch gans gerust, roepende: Vrede, en zonder gevaar, 1 Thessalonicenzen 5:3. Het beleg werd door Titus Vespasianus om Jeruzalem geslagen, toen zij in alle vrolijkheid ter viering van het Paasfeest bijeen waren gekomen. Evenals het volk te Laïs woonden zij in zekerheid, waren zij zorgeloos toen het verderf hen overviel, Richteren 18:7, 27. De verwoesting van Babylon, van het Oud Testamentische en van het Nieuw Testamentische, komt, als zij zegt: Ik zal koningin zijn in eeuwigheid, Jesaja 47:7-9, Openbaring 18:7. Daarom komen de plagen in een ogenblik, op een dag. Het ongeloof der mensen zal Gods bedreigingen niet tenietdoen.
b. Op het eeuwig oordeel, zo wordt het oordeel van den groten dag genoemd, Hebreeën 6:2. Hoewel er van Henoch af kennis van was gegeven, zal het toch, als het komt, voor de meeste mensen onverwacht zijn. Het laatste der dagen, dat het dichtst bij dien dag zal zijn, zal spotters voortbrengen, die zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? 2 Petrus 3:3, 4, Lukas 18:8. Zo zal het wezen als de wereld, die nu is, door vuur zal vergaan, want zo was het toen de oude wereld, van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is, 2 Petrus 3:6, 7. Nu toont Christus hier wat de gezindheid en gesteldheid der oude wereld was, toen de zondvloed kwam. Zij waren zinnelijk en wereldsgezind, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende. Er wordt niet gezegd: Zij waren moordende en stelende, ontucht bedrijvende en vloekende (dat waren inderdaad de ontzettende misdaden van sommigen van de ergsten onder hen: de aarde was vervuld met wrevel), maar allen, behalve Noach, waren door en door wereldsgezind, met hart en ziel in de wereld, zonder acht te slaan op het woord van God, en dit was hun verderf. Een algemene veronachtzaming van den Godsdienst is een gevaarlijker teken voor een volk dan bijzondere voorbeelden hier en daar van vermetele ongodsdienstigheid. Eten en drinken zijn noodzakelijk tot behoud van des mensen leven, trouwen en ten huwelijk uitgeven zijn noodzakelijk ter voortplanting van het menselijk geslacht, maar deze geoorloofde dingen voeren ons ten verderve, als zij op ongeoorloofde wijze gedaan worden. Ten eerste. Zij waren er onredelijk in, onmatig en gans en al overgegeven aan het najagen van zingenot en werelds gewin. Zij waren gans ingenomen door deze dingen, êsan troogontes, zij waren etende, zij waren er in, als in hun element, alsof zij voor niets anders het bestaan hadden ontvangen dan om te eten en te drinken, Jesaja 56:12.
Ten tweede. Zij waren er ontijdig in, zij waren een en al voor de wereld en het vlees, toen het verderf voor de deur was, waarvoor zij zozeer gewaarschuwd waren. Zij waren etende en drinkende, toen zij zich aan berouw en bekering hadden behoren te wijden, toen zij biddende hadden moeten zijn, toen God door den dienst van Noach tot wenen en rouwbedrijven riep, en daarna tot blijdschap en verheuging. Dit was voor hen, gelijk daarna voor Israël, de onvergeeflijke zonde, Jesaja 22:12, 14, inzonderheid wijl het was in trotsering van de waarschuwingen, waardoor zij wakker geschud hadden moeten worden. Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. Is ons leven slechts kort, zo laat het tenminste een vrolijk leven zijn. De apostel Jakobus spreekt hiervan als van de algemene manier van leven der rijke Joden voor de verwoesting van Jeruzalem, toen zij hadden moeten wenen over de ellendigheden, die over hen zouden komen, hebben zij lekkerlijk geleefd en hun harten gevoed als in een dag der slachting, Jakobus 5:1, 5. Zij waren gerust en zonder zorg, Zij bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, vers 39. Zij bekenden het niet, d.i. zij wisten het niet! Maar voorzeker, zij konden niet anders dan het weten. Heeft God hen door Noach niet laten waarschuwen? Heeft Hij hen niet geroepen tot bekering zolang de lankmoedigheid Gods verwachtte? 1 Petrus 3:19, 20. Maar zij bekenden niet, dat is, zij geloofden niet. Zij zouden hebben kunnen weten, maar zij wilden niet weten. Als wij weten de dingen, die tot onzen eeuwigen vrede dienen, en wij voegen daar geen geloof aan toe, en laten dat weten ongebruikt, dan is dit hetzelfde, alsof wij ze niet wisten. Hun niet weten wordt saamgevoegd met hun eten en drinken en trouwen, want, ten eerste, zij zijn zo zinnelijk geweest, omdat zij zo gerust waren. De reden, waarom de mensen zo ijverig zijn in het najagen van, en zo verstrikt zijn in, de genoegens dezer wereld, is: dat zij niet weten, niet geloven, niet denken aan de eeuwigheid, aan welker ingang zij staan. Indien wij goed, en op de rechte wijze, wisten, dat deze dingen weldra teniet zullen gaan, en wij ze gewis zullen overleven, dan zouden wij er ons hart niet zo op stellen. Ten tweede. Zij waren gerust, omdat zij zinnelijk waren, daarom wisten zij niet, dat de zondvloed kwam, wijl zij zich zo bezighielden met eten en drinken, zo geheel vervuld waren van de tegenwoordige en zienlijke dingen, dat zij tijd noch hart hadden om zich bezig te houden met de dingen, die nog niet gezien werden, maar hun waren aangekondigd. Gelijk gerustheid de mensen stijft in hun dierlijke zinnelijkheid, zo wiegt de zinnelijkheid hen in slaap in hun vleselijke gerustheid. Zij bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam.
1. De zondvloed kwam, al wilden zij hem niet voorzien. Zij, die niet willen weten door geloof, zullen er toe gebracht worden om door voelen te weten, of te kennen den toorn Gods, die geopenbaard is van den hemel over hun goddeloosheid en ongerechtigheid. De boze dag is er nooit verder om af, dat de mensen hem zo ver van zich af schuiven.
2. Zij wisten het niet voor het te laat was om het te voorkomen, zoals zij hadden kunnen doen, indien zij het intijds geweten hadden, en waardoor het zo veel te smartelijker werd. Oordelen zijn ontzettend en verbijsterend voor de gerusten en voor hen, die er mede gespot hebben. Betreffende de oude wereld hebben wij de toepassing hiervan in de woorden: Alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen, dat is
a. In zulk ene houding, zulk een toestand, zal Hij de mensen vinden, etende en drinkende, en Hem niet verwachtende. Gerustheid en zinnelijkheid zullen waarschijnlijk de epidemische ziekten zijn van de laatste dagen. Allen zijn sluimerig en slapen, en ter middernacht komt de bruidegom. Niemand waakte, allen bevonden zij zich behaaglijk en op hun gemak.
b. Met zulk ene macht en zulk een doel zal Hij tot hen komen. Gelijk de vloed de zondaars der oude wereld wegnam, onweerstaanbaar en onherstelbaar, zo zullen de geruste zondaars, die spotten met Christus en Zijne toekomst, weggenomen worden door den toorn des Lams, als de grote dag Zijns toorns komt, die zal zijn als het komen van den zondvloed, ene verwoesting, waaraan geen ontkomen is.
2. Het zal een dag der afscheiding wezen, vers 40, 41. Er zullen twee op den akker zijn. Dit kan op tweeërlei wijze worden toegepast.
a. Wij kunnen het toepassen op den voorspoed van het Evangelie, inzonderheid bij de eerste prediking er van. De wereld werd er door verdeeld. Sommigen geloofden wel hetgeen gezegd werd, en werden tot Christus gebracht, maar sommigen geloofden niet, en werden overgelaten om in hun ongeloof om te komen. Zij, die van dezelfden leeftijd zijn, van dezelfde plaats, van dezelfde bekwaamheid, hetzelfde beroep en dezelfden staat in de wereld, malende in dezelfden molen, zij, die van eenzelfde gezin zijn, ja, die samen door den huwelijksband werden verenigd, van hen werd de een krachtdadig geroepen, de ander voorbijgegaan en in de gal der bitterheid gelaten. Dat is die verdeeldheid, dat scheidende vuur, waartoe Christus gekomen is om het op de aarde te werpen, Lukas 12:49, 51. Dit maakt, dat de vrije genade des te meer verplichting oplegt, daar zij onderscheidend is, aan ons, niet aan de wereld, Johannes 14:22, ja zelfs aan ons, en niet aan die van dezelfden akker, dezelfden molen, hetzelfde huis. Toen het verderf over Jeruzalem kwam is er door de Goddelijke voorzienigheid ene onderscheiding gemaakt overeenkomstig die, welke tevoren gemaakt was door de Goddelijke genade, want al de Christenen onder hen werden door de bijzondere zorg des hemels er voor bewaard, om in die ramp om te komen. Als twee tezamen aan het werk waren op den akker, en een was een Christen, dan werd hij naar ene schuilplaats heengevoerd, en werd hem het leven gegeven tot een buit, terwijl de ander aan het zwaard des vijands werd overgelaten. Ja, als twee vrouwen maalden in den molen, en een van haar Christus toebehoorde, al was zij slechts ene vrouw, een arme vrouw, ene dienstmaagd, dan werd zij in veiligheid gebracht, en de andere werd verlaten. Aldus zullen de zachtmoedigen des lands verborgen worden in den dag des toorns des Heeren, Habakuk 2:3, hetzij in den hemel, of onder den hemel. Onderscheidende bewaring in tijden van algemene verwoesting is een bijzonder teken van Gods gunst, en behoort dankbaar erkend te worden. Als wij veilig zijn, terwijl er duizenden vallen aan onze rechterzijde en onze linkerzijde, als wij niet verteerd worden, terwijl rondom ons anderen verteerd worden, zodat wij zijn als brandhouten uit het vuur gerukt, dan is er voor ons reden om te zeggen: Het is de goedertierenheid des Heeren, en het is een grote goedertierenheid.
b. Wij kunnen het toepassen op de wederkomst van Jezus Christus, en de scheiding, welke op dien dag gemaakt zal worden. Tevoren, vers 31, had Hij gezegd, dat de uitverkorenen bijeen vergaderd zullen worden. Hier zegt Hij ons, dat zij te dien einde onderscheiden zullen worden van hen, die hun het naast waren in de wereld, de uitverkorenen opgenomen in de heerlijkheid, de anderen overgelaten om voor eeuwig om te komen. Zij, die slapen in het stof der aarde, twee in hetzelfde graf, terwijl hun as dooreen gemengd is, zullen toch opstaan, de een ten eeuwigen leven, de ander tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing, Daniël 12:2. Hier wordt het toegepast op hen, die nog in leven zijn. Christus zal onverwacht komen, zal de mensen bezig vinden aan hun gewonen arbeid, op den akker, in den molen, en dan zal het met hen zijn al naar zij vaten der barmhartigheid waren, bereid voor de heerlijkheid, of vaten des toorns, bereid voor het verderf, de een, opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet, om altijd met den Heere te wezen, de ander overgelaten aan den duivel en zijne engelen, die, als Christus de Zijnen uitgelezen zal hebben van onder hen, de overigen weg zal vagen. Het zal de verdoemenis van zondaren verzwaren, dat anderen van uit hun midden weggevoerd zullen worden naar de heerlijkheid, terwijl zij achtergelaten worden. En het spreekt van grote, overvloedige vertroosting voor het volk des Heeren. Zijn zij gering en veracht in de wereld, zoals de knecht op den akker, of de dienstmaagd achter den molen, Exodus 11:5? Toch zullen zij op dien dag niet vergeten of voorbijgezien worden. De armen in de wereld, zo zij rijk zijn in geloof, zijn erfgenamen des koninkrijks. Zijn zij verstrooid op afgelegen plaatsen, of daar waar men niet zou verwachten de erfgenamen der heerlijkheid te zullen vinden, op den akker, in den molen? Toch zullen de engelen er hen vinden (verborgen, gelijk Saul tussen de vaten, als zij ten troon verheven gaan worden), en er hen vandaan halen, en wèl kan er van gezegd worden, dat zij veranderd zijn, want het zal een zeer grote verandering zijn om van het ploegen op den akker of het malen in den molen naar den hemel te gaan. Zijn zij zwak en uit zich zelven onbekwaam, onmachtig om zich hemelwaarts te bewegen? Zij zullen opgenomen worden, of aangegrepen, zoals Lot uit Sodom gevoerd werd, door genaderijk geweld, Genesis 19:16. Zij, die eens door Christus aangegrepen werden, blijven in Zijne hand, Hij zal hen nooit loslaten. Zijn zij vermengd met anderen, saamverbonden met hen in dezelfde woning, hetzelfde gezelschap, hetzelfde werk? Laat geen waar Christen hierdoor ontmoedigd worden, God weet het kostbare van het snode te onderscheiden en te scheiden, het goud van het schuim in dezelfde klomp, de tarwe van het kaf op dezelfden dorsvloer.
III. Hier is een algemene vermaning, gericht tot ons om te waken, en bereid te zijn tegen dat die dag komt, aangedrongen en bekrachtigd door verschillende gewichtige overwegingen, vers 42 en verder. Merk op:
1. Den plicht, die geëist wordt: Waakt, en weest bereid, vers 42, 44.
a. Waakt dan, vers 42. Het is de grote plicht en het belang van al de discipelen van Christus om te waken, wakker te zijn, en wakker te blijven, opdat zij op hun zaken letten. Gelijk een zondige toestand of weg vergeleken wordt bij slaap, bewusteloos en werkeloos, 1 Thessalonicenzen 5:6, zo wordt een Godvruchtige toestand of weg vergeleken bij waken en nuchteren zijn. Wij moeten uitzien naar de komst onzes Heeren tot ons in het bijzonder bij onzen dood, waarna het oordeel is, dat is voor ons de grote dag, het einde van onzen tijd, en Zijne komst aan het einde van allen tijd, om de wereld te oordelen, de grote dag voor geheel de mensheid. Het waken, het uitzien, duidt niet slechts het geloven aan, dat onze Heere komen zal, maar ook het verlangen naar Zijne komst, en het veelvuldig denken aan Zijne komst, een gedurig uitzien er naar als zeker en nabij, en dat het tijdstip er van onzeker is. Uit te zien naar de komst van Christus is in de Godvruchtige gemoedsstemming te blijven, waarin wij wensen, dat de Heere ons bij Zijne komst zal vinden. Te waken, uit te zien, is zich bewust te zijn van de eerste tekenen Zijner nadering, opdat wij onmiddellijk acht geven op Zijne bewegingen, en ons begeven tot den plicht van Hem te ontmoeten. Waken wordt verondersteld in den nacht plaats te hebben, die de tijd is van slapen, terwijl wij in deze wereld zijn, is het nacht voor ons, en moeten wij moeite doen om wakker te blijven.
b. Zijt ook gij bereid. Wij waken tevergeefs, indien wij niet bereid, niet gereed, worden. Het is niet genoeg naar zulke dingen uit te zien, wij moeten ons ook benaarstigen, 2 Petrus 3:11, 14. Wij hebben dan dienst bij den Heere, en wij moeten onze lampen brandende hebben. Wij hebben ene zaak, die onderzocht moet worden, en onze pleitrede moet gereed zijn, opgemaakt en getekend door onzen Voorspraak. Wij hebben ene rekening, die opgemaakt moet worden, en onze verschillende posten of opgaven voor die rekening moeten in goede orde zijn, er is een erfdeel, waarvan wij dan hopen bezit te nemen, en wij moeten er voor bereid zijn, bekwaam gemaakt om er deel in te hebben, Colossenzen 1:12.
2. De redenen om ons te brengen tot die waakzaamheid en naarstige toebereiding voor dien dag. Zij zijn twee in getal.
a. Omdat de tijd van onzes Heeren komst zeer onzeker is. Dit is de reden, die onmiddellijk toegevoegd wordt aan de dubbele vermaning, vers 42, 44, en zij wordt opgehelderd door ene vergelijking, vers 43. Laat ons dan bedenken a. Dat wij niet weten in welke ure Hij komen zal, vers 42. Wij weten den dag onzes doods niet, Genesis 27:2. Wij kunnen weten, dat wij nog slechts weinig tijd hebben om te leven (de tijd mijner ontbinding is aanstaande, 2 Timotheus 4:6), maar wij kunnen niet weten, dat wij nog lang leven zullen, want onze ziel is geduriglijk in onze hand, en evenmin kunnen wij weten hoe weinig tijds ons nog te leven overig blijft, want die tijd kan nog korter zijn dan wij denken, en nog veel minder weten wij den tijd, die bepaald is voor het algemene oordeel. Betreffende die beide zaken worden wij in onzekerheid gehouden, opdat wij iedere dag verwachten wat op iedere dag komen kan, en nooit op den duur van een jaar zullen roemen, Jakobus 4:13, ja zelfs niet op een terugkeren van morgen, alsof dit onzer ware, Prediker 27:1, Lukas 12:20.
b. Dat Hij komen kan in de ure, welke wij niet menen vers 44. Hoewel er zoveel onzekerheid is omtrent den tijd, is er volstrekt gene onzekerheid ten opzichte van de zaak zelf, ofschoon wij niet weten wanneer Hij zal komen, zijn wij er toch zeker van, dat Hij zal komen. Zijn scheidend woord was: Ja, Ik kom haastelijk, en dit stelt het ons ten plicht om Hem steeds te verwachten, want het houdt ons in een toestand van wachten. In welke ure gij het niet meent, dat is: in zulk ene ure als zij, die niet waken en niet bereid zijn, niet menen. vers 50, ja, in zulk ene ure als de meest waakzame wellicht het onwaarschijnlijkst dacht. De bruidegom kwam toen de wijze maagden sluimerig waren. Het is in overeenstemming met onzen tegenwoordigen toestand, om onder den invloed te zijn van een voortdurende en algemene verwachting, en dit is beter dan om naar bijzondere voortekenen uit te zien, waartoe wij ons allicht laten verleiden. Dat de kinderen dezer wereld zo voorzichtig zijn in hun geslacht, dat zij, als zij weten dat gevaar dreigt, wakker blijven, ten einde op hun hoede er tegen te zijn. Dit toont Hij in een bijzonder geval, vers 43. Indien de heer des huizes er kennis van had, dat in zulk een nacht een dief zou komen, en in zulk een nachtwake, (want zij verdeelden den nacht in vier nachtwaken, elk van drie uren) en een aanslag op zijn huis zou beproeven, al was dit dan ook te middernacht, wanneer hij het slaperigst zou zijn, zou hij toch op wezen, en luisteren naar ieder geluid in een hoek, en gereed zijn om den dief te weren. Daar wij nu niet precies weten wanneer onze Heere komt, maar wèl weten, dat Hij zal komen, en haastelijk zal komen, zonder andere waarschuwing dan Hij ons in Zijn woord heeft gegeven, is het voor ons van het grootste belang om altijd wakende te zijn. Een iegelijk onzer heeft een huis om te bewaren, een huis, dat bloot ligt, en waarin zich alles bevindt wat wij bezitten. Dat huis is onze ziel, dat wij naarstiglijk moeten bewaren. De dag des Heeren komt bij verrassing, als een dief in den nacht. Christus verkiest te komen, als Hij het minst verwacht wordt, opdat de triomf Zijner vijanden in des te groter schande verkeerd zal worden, en de vrees Zijner vrienden in des te groter blijdschap. Indien Christus ons, als Hij komt, slapende vindt en onvoorbereid, dan zal ons huis doorgraven worden, en wij zullen alles wat wij hebben verliezen, niet onrechtmatig, als door een dief, maar als door een wettige en rechtvaardige handeling. De dood en het oordeel zullen beslag leggen op alles wat wij hebben, en dat wel tot onze onherstelbare schade en eeuwig ongeluk. Daarom weest bereid, ten allen tijde even bereid als de heer des huizes zijn zou in de ure wanneer hij den dief verwacht. Wij moeten de wapenrusting Gods aandoen, opdat wij niet alleen mogen weerstaan in den bozen dag, maar, als meer dan overwinnaars zijnde, den roof mogen delen.
b. Omdat het gevolg van des Heeren komst zeer gelukkig en troostrijk zal zijn voor hen, die bereid worden bevonden, maar zeer treurig en ontzettend voor hen, die het niet zijn, vers 45, enz. Dit wordt voorgesteld door den verschillenden staat of toestand van de goede en de boze dienstknechten, als hun heer komt om met hen te rekenen. Waarschijnlijk zal het met ons goed of kwalijk gesteld zijn voor de eeuwigheid, al naarmate wij op dien dag bereid of niet bereid bevonden worden, want Christus komt om een iegelijk te vergelden naar zijn doen. De gelijkenis, waarmee het hoofdstuk besluit, is toepasselijk op alle Christenen, die naar hun belijdenis en hun verplichting Gods dienstknechten zijn, maar zij schijnt inzonderheid bedoeld als ene waarschuwing aan leraars, want de dienstknecht, van wie hier gesproken wordt, is een rentmeester. Let nu op hetgeen door Christus hier gezegd wordt. Betreffende den goeden dienstknecht, Hij toont wat hij is: -een beheerder van het huisgezin, en als zodanig is hij wat hij wezen moet: getrouw en voorzichtig, en wat hij, zo hij dit is, eeuwiglijk zijn zal, namelijk zalig. Hier zijn goede instructies en bemoedigingen voor de dienstknechten van Christus.
Ten eerste. Wij hebben hier zijne plaats en ambt. Hij is iemand, dien zijn Heere over Zijne dienstboden-Zijn huis-gesteld heeft, om hun lieden hun voedsel te geven ter rechter tijd. De kerk van Christus is Zijn huis, Zijn gezin, in betrekking staande tot Hem als den Vader en Heere er van. Het is het huisgezin Gods, uit Christus genoemd, Efeze 3:15. Evangeliedienaren zijn de aangestelde opzieners of verzorgers van dit gezin, niet als vorsten (daartegen heeft Christus een wacht u uitgesproken) maar als rentmeesters, of andere ondergeschikte beambten, niet als heren, maar als gidsen, niet om nieuwe wegen voor te schrijven, maar om de wegen van Christus aan te wijzen en er de mensen op te leiden. Dat is de betekenis van het hêgoumenoi, dat wij vertalen door uwe voorgangers, Hebreeën 13:17, als opzieners niet om nieuw werk te verzinnen, maar om in het werk, dat Christus verordineerd heeft te leiden, er toe aan te sporen, dat is de betekenis van episkopoi- bisschoppen. Zij zijn bestuurders door Christus, alle macht, die zij bezitten, is ontleend aan Hem, en niemand kan hun die macht ontnemen, of er hen in verkorten. Hij is iemand, dien de Heere over Zijne dienstboden gesteld heeft, om hen te verzorgen. Christus is het, die de Evangeliedienaren maakt. Zij zijn opzieners onder Christus, en handelen in ondergeschiktheid aan Hem, en zij zijn opzieners voor Christus, ter bevordering van Zijn koninkrijk.
3. Het werk der Evangeliedienaren is om aan het huisgezin van Christus hun voedsel te geven ter rechter tijd, als rentmeesters, en daarom zijn hun de sleutelen gegeven. Hun werk is geven, niet voor zich nemen, Ezechiël 34:8, maar aan het gezin te geven wat de Meester gekocht heeft. En aan de leraren wordt gezegd: Het is zaliger te geven dan te ontvangen, Handelingen 20:35. Het is om voedsel te geven, niet om wetten te geven, (dat is Christus' werk), maar om aan de kerk die leerstellingen over te leveren, die, zo zij behoorlijk geordend zijn het voedsel zullen wezen der ziel. Zij moeten geven, niet het vergift van valse leerstellingen, niet de stenen van harde en onnutte leerstellingen, maar de spijze, die goed en gezond is. Het moet gegeven worden ter rechter tijd, en kairooi terwijl er tijd voor is. Als de eeuwigheid komt, zal het te laat zijn, wij moeten werken zolang het dag is, of intijds, dat is: telkenmale dat er zich de gelegenheid toe aanbiedt, of op den gezetten tijd, naar de plicht van iedere dag het eist.
Ten tweede. De rechte uitoefening van zijn ambt. De goede dienstknecht, aldus bevorderd zijnde, zal een goede rentmeester wezen, want
1. Hij is getrouw, rentmeesters moeten dit zijn, 1 Corinthiërs 4:2. Die vertrouwd wordt, moet betrouwbaar zijn, en hoe groter het vertrouwen en het aan vertrouwde is, hoe meer er van hem verwacht wordt. Het is een groot en goed pand, dat aan de Evangeliedienaren is toevertrouwd, 2 Timotheus 1:14, en zij moeten getrouw zijn, gelijk Mozes geweest is, Hebreeën 3:2. Christus acht die leraren, en die alleen, die getrouw zijn, 1 Timotheus 1:12. Een getrouw dienstknecht van Jezus Christus is iemand, die oprechtelijk zijns Meesters eer bedoelt, niet zijn eigen eer, den gehelen raad Gods verkondigt, niet zijn eigen bedenksels, Christus' inzettingen volgt en er bij blijft, den geringste acht, den aanzienlijkste bestraft, en den persoon niet aanziet.
2. Hij is voorzichtig, of wijs, in het begrijpen van zijn plicht, en den rechten tijd er voor, en in het leiden en weiden der kudde is niet alleen oprechtheid en goede bedoeling des harten nodig, maar ook geschiktheid, bekwaamheid der handen. Eerlijkheid kan volstaan voor een goed dienstknecht, maar wijsheid is nodig voor een goed opziener, want zij is nuttig om te leiden en te besturen.
3. Hij is doende, alzo doende als door zijn ambt wordt vereist. Het leraarschap, de Evangeliebediening, is een goed werk, en zij, wier ambt het is, hebben altijd iets te doen. Zij moeten zich niet toegeven in gemakzucht, het werk niet ongedaan laten, noch het onverschillig en zorgeloos aan anderen overlaten, maar doende zijn, en ter zake doende zijn-alzo doende, voedsel gevende aan het gezin, lettende op hun eigen zaken, en zich niet bemoeiende met hetgeen daarbij niet te pas komt, alzo doende als de Meester het bedoeld heeft, het ambt het meebrengt, en als door den toestand van het gezin vereist wordt, niet pratende, maar doende. Het was het motto van een bekend predikant: Minister verbi es -Gij zijt een bedienaar des woords. Wees niet slechts doende - age -maar, hoc age, alzo doende.
4. Hij wordt als zijn Meester komt, doende gevonden, hetgeen aanduidt
a. Standvastigheid in zijn werk. In welke ure zijn Meester ook komt, hij wordt bezig gevonden met het werk van den dag. Evangeliedienaars moeten geen ledige ruimte laten in hun tijd, opdat hun Heere niet juist in dien ledigen tijd komt. Gelijk bij den goeden God het einde ener goedertierenheid het begin is van een andere, zo is voor een goed man, een goed Evangeliedienaar, het einde van den enen plicht het begin van een anderen. Toen men Calvijn trachtte te bewegen om zijn arbeid in het Evangelie iets te verminderen, antwoordde hij met enige gevoeligheid: Hoe! wilt gij, dat mijn Meester mij ledig, niets doende, zal vinden?
b. Volharding in zijn werk, totdat zijn Heere komt. Houdt dat, totdat Ik zal komen. Openbaring 2:25. Volhardt daarin, 1 Timotheus 4:16, 6:14. Volhardt tot den einde.
Ten derde, De vergelding, of het loon, hem hiervoor toegedacht, in drie dingen.
1. Hij zal opgemerkt worden. Dit wordt aangeduid door deze woorden: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht? Hetgeen veronderstelt, dat er slechts weinigen zijn, die aan die hoedanigheden beantwoorden, het is er een uit duizend, die zulk een getrouw en voorzichtig huisbezorger is. Zij, die zich thans aldus onderscheiden door ootmoed, naarstigheid en ijver in het werk, zullen door Christus in den groten dag onderscheiden worden door de heerlijkheid, die hun deel zal zijn.
2. Hij zal zalig zijn. Zalig is de dienstknecht, Christus hem zalig noemende, maakt hem zalig. Al de doden zijn zalig, die in den Heere sterven. Openbaring 14:13. Maar er is een bijzondere zaligheid, weggelegd voor hen, die zich getrouwe rentmeesters en opzieners betonen, en gevonden worden alzo doende. Na de eer van hen, die op het slagveld sterven, lijdende voor Christus als martelaars, komt de eer van hen, die op het veld des dienaars sterven, ploegende en zaaiende en oogstende voor Christus. 3. Hij zal bevorderd, verhoogd worden, vers 47. Hij zal hem zetten over al zijne goederen. De toespeling is op de wijze van doen van aanzienlijke personen, die, zo de rentmeesters of opzieners van hun huis zich in die hoedanigheid goed gedragen, hen gewoonlijk bevorderen, door hen over al hun goederen aan te stellen. Aldus werd Jozef bevorderd in het huis van Potifar, Genesis 39:4, 6. Maar de grootste eer, die de beste en vriendelijkste meester zijn beproefdste dienaren in deze wereld aandeed, is als niets, vergeleken bij het gewicht der heerlijkheid, die de getrouwe en waakzame dienstknechten van den Heere Jezus in de toekomende wereld van Hem zullen ontvangen. Wat hier gezegd wordt door ene gelijkenis, is hetzelfde als wat eenvoudiger, of duidelijker, gezegd is in Johannes 12:26 :de Vader zal hem eren. En Gods dienstknechten, aldus bevorderd zijnde, zullen volmaakt zijn in wijsheid en heiligheid, om dat gewicht der heerlijkheid te dragen, zodat er van deze dienstknechten geen gevaar dreigt als zij zullen heersen. Betreffende den bozen dienstknecht. Hier hebben wij: Ten eerste. De beschrijving, die er van hem gegeven wordt, vers 48, 49, waar wij den ongelukkige geschilderd zien in zijn eigen kleuren. Het snoodste van alle schepselen is een boos man, de snoodste der mensen is een boos, een slecht Christen, en de snoodsten van dezen een boos, een slecht Evangeliedienaar.
Corruptio optimi est pessima -Het beste wordt, als het verdorven is, het slechtste. Slechtheid in de profeten van Jeruzalem is inderdaad afschuwelijkheid, Jeremia 23:14. Hier is:
1. De oorzaak zijner slechtheid, namelijk in de praktijk ongeloof in Christus' wederkomst. Hij zei in zijn hart: Mijn Heere vertoeft te komen, en daarom begint hij te denken, dat Hij in het geheel niet zal komen, maar dat Hij Zijne kerk gans en al heeft verlaten. Christus weet wat zij zeggen in hun hart, die met hun lippen: Heere, Heere! roepen, zoals deze dienstknecht hier. Het uitstel van Christus' komst, dat een genaderijk voorbeeld is van Zijne lankmoedigheid, wordt grovelijk misbruikt door slechte mensen, wier hart er door verhard wordt in hun goddeloosheid. Als Christus' komst als een twijfelachtige zaak wordt beschouwd, of als iets dat nog in de zeer verre toekomst ligt, dan wordt het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen, Prediker 8:17, Ezechiël 12:27. Zij, die wandelen door aanschouwen, zijn bereid om van den ongezienen Jezus te zeggen, wat het volk zei van Mozes, toen hij op den berg vertoefde: Wij weten niet wat hem geschied zij, en daarom: Sta op, maak ons goden, de wereld een god, de buik een god, alles, behalve Hij, een god.
2. De bijzonderheden van zijne slechtheid, het zijn zonden van de eerste grootte, hij is een slaaf van zijne hartstochten en lusten.
a. Vervolging wordt hem ten laste gelegd. Hij begint zijn mededienstknechten te slaan. Zelfs de rentmeesters, of opzieners van het huis, moeten al de dienstknechten van het huis als hun mededienstknechten beschouwen, en daarom is het hun verboden den meester over hen te spelen. Indien de engel zich aan Johannes zijn mededienstknecht noemt, Openbaring 19:10, dan is het niet te verwonderen, dat Johannes geleerd heeft zich broeder te noemen van de Christenen der Aziatische gemeenten, Openbaring 1:9. Het is niets nieuws boze dienstknechten hun mededienstknechten te zien slaan, zowel gewone, eenvoudige Christenen, als getrouwe leraren. Hij slaat hen, hetzij omdat zij hem bestraffen, of omdat zij zich niet voor hem willen buigen, niet willen spreken zoals hij spreekt, en doen zoals hij doet, tegen hun eigen geweten in. Hij slaat hen met de tong, zoals zij den profeet Jeremia geslagen hebben, Jeremia 18:18. En zo hij de macht in handen krijgt, of diegenen tot zijn dienst kan overhalen, die haar hebben, zoals de tien hoornen op het hoofd van het beest, dan gaat dit nog verder. Pashur, de priester, sloeg Jeremia, en stelde hem in de gevangenis, Jeremia 20:2. Als de rentmeester, of opziener, zijne mededienstknechten slaat, doet hij het onder schijn van het gezag zijns Meesters, en in Zijn naam. Dat de Heere heerlijk worde, zegt hij, Jesaja 66:5, maar hij zal weten, dat hij zijn Meester geen groter smaad of belediging kon aandoen.
b. Onheiligheid en onzedelijkheid,
hij begint te eten en te drinken met de dronkaards. Hij vergezelt zich met de ergste zondaars, heeft gemeenschap met hen, is gemeenzaam vertrouwd met hen, hij wandelt in hun raad, staat op hun weg, zit in hun gestoelte, en zingt hun lied. De dronkaards zijn de vrolijke, lustige gezellen, en die bemint hij, en verhardt hen aldus in hun goddeloosheid. Hij doet, zoals zij doen, eet en drinkt, en is dronken, zo heet het bij Lukas. Dit zet de deuren open voor allerlei zonden. Dronkenschap is een zonde, die tot andere zonde voert, die daar de slaven van zijn, zijn ook nergens anders hun eigen meester in. De vervolgers van Gods volk zijn gewoonlijk de slechtste en onzedelijkste mensen geweest. Vervolgende gewetens, onder welk voorwendsels zij dit ook waren, zijn ook gewoonlijk de ongebondenste en ontuchtigste gewetens. Waar zullen zij niet dronken van zijn, die dronken zijn van het bloed der heiligen? Dit nu is de schets van een slecht leraar, of Evangeliedienaar, die toch nog de gewone gaven van geleerdheid en welsprekendheid in hogere mate kan hebben dan anderen, en, gelijk van sommigen gezegd werd, zo goed kunnen prediken, als zij op den kansel zijn, dat het jammer is, dat zij er ooit afkomen, maar van den kansel afgekomen zijnde, zo slecht leven, dat het zeer te betreuren is, dat zij er ooit op komen.
Ten tweede. Zijn vonnis uitgesproken, vers 50, 51. Het kleed en de ambtelijke waardigheid van slechte Evangeliedienaren zullen niet slechts hen niet beveiligen tegen veroordeling, maar de veroordeling nog grotelijks verzwaren. Zij kunnen niet pleiten om van Christus' rechtspraak vrijgesteld te worden, al is het ook dat zij, die tot de kerk van Rome behoren, er aanspraak op maken om aan geen burgerlijke rechtspraak onderworpen te worden. Voor Christus' rechterstoel geldt geen voorrecht van geestelijken. Merk op:
1. De verrassing, die met dat oordeel gepaard gaat, vers 50, de heer van dezen dienstknecht zal komen. Als wij de gedachten aan Christus' komst van ons afzetten, dan zal dit toch Zijne komst niet beletten. Wat ook het denkbeeld zij, waarmee hij zich vleit, zijn Heere zal komen. Het ongeloof van den mens zal die grote belofte, of bedreiging (noem het zoals gij wilt) niet tenietdoen. De komst van Christus zal een zeer schrikkelijke verrassing zijn voor de geruste en zorgeloze zondaars, inzonderheid voor goddeloze leraren.
"Hij zal komen ten dage, in welken hij Hem niet verwacht. Zij, die geen acht sloegen op de waarschuwingen van het woord, en die van hun eigen geweten tot zwijgen brachten, betreffende het toekomende oordeel, kunnen niet verwachten nog andere waarschuwingen te zullen ontvangen. Er zal beslist worden voor het gerecht, dat hun genoegzaam wettelijk kennis is gegeven, of zij daar nu al of niet acht op sloegen, zodat aan Christus gene onbillijkheid ten laste gelegd kan worden, als Hij plotseling en zonder verdere waarschuwing, komt. Ziet, Hij heeft het ons tevoren gezegd.
2. De strengheid van zijn vonnis, vers 51. Het is niet strenger dan het rechtvaardig is, maar het is een vonnis, dat een algeheel ver- derf in zich sluit, en wel in deze twee woorden, dood en verdoemenis. a. Dood, Zijn Heere zal hem afsnijden, dihotomesei auton, Hij zal hem afsnijden van het land der levenden, van de vergadering der rechtvaardigen, hem afscheiden ten kwade, hetgeen de bepaling of omschrijving is van een vloek, Deuteronomium 29:21, hem afhouwen, als een boom, die onnut den grond beslaat. Het is wellicht ene toespeling op de woorden, die zo dikwijls voorkomen in de wet, die ziel zal uit het midden van haar volk uitgeroeid -of afgesneden -worden, waarmee een volstrekte en algehele vernietiging wordt aangeduid. De dood snijdt een goed man af, zoals een keurent wordt afgesneden om in een beteren stam te worden geënt, maar een goddeloos man snijdt hij af, zoals een verdorde tak wordt afgesneden-voor het vuur-, snijdt hem af van deze wereld, waar hij zijn hart zo op had gezet, en waarmee hij als het ware een was. Of gelijk wij lezen: snijdt hem vaneen, dat is: scheidt ziel en lichaam, zendt het lichaam naar het graf om ene prooi te zijn der wormen, en de ziel naar de hel om ene prooi te zijn der duivelen, en zo is dan de zondaar in tweeën gesneden. Bij den dood van een Godvruchtige worden ziel en lichaam zacht van elkaar gescheiden, de ene blijmoedig opgeheven tot God, het andere overgelaten aan het stof, maar van een goddeloze worden bij zijn dood ziel en lichaam van elkaar gescheurd, want voor hem is de dood de koning der verschrikkingen, Job 18:14. De boze dienstknecht verdeelde zich tussen God en de wereld, Christus en Belial, zijne belijdenis en zijne lusten, daarom zal hij rechtvaardiglijk aldus verdeeld, of van elkaar gesneden worden.
b. Verdoemenis. Hij zal zijn deel zetten met de geveinsden, en een treurig deel zal dit wezen. Er is een plaats en toestand van rampzaligheid in de andere wereld, waar niets anders is dan wening en knersing der tanden, hetgeen het verdriet en de benauwdheid aanduidt der ziel onder den toorn Gods. Het vonnis, door God uitgesproken, zal die plaats en dien toestand aanwijzen als het deel van hen, die er door hun eigen zonde geschikt voor zijn gemaakt. Hij, van wie Hij zei, dat Hij zijn Heer was, zal hem aldus zijn deel toewijzen. Hij, die thans de Zaligmaker, is, zal dan de Rechter zijn, en de eeuwige staat van de kinderen der mensen zal wezen zoals Hij dien bepaalt. Zij, die de wereld tot hun deel kiezen in dit leven, zullen de hel tot hun deel hebben in het toekomende leven. Dit is het deel des goddelozen mensen van God, Job 20:29. De hel is de geschiktste plaats voor de geveinsden. Deze boze dienstknecht heeft zijn deel met de geveinsden. Dezen zijn, als het ware, de bezitters van dit huis, andere zondaren wonen slechts bij hen in en hebben slechts een deel van hun rampzaligheid. Als Christus de strengste straf in de andere wereld wilde aanduiden, dan noemt Hij haar het deel der geveinsden. Indien er in de hel ene plaats is, heter dan enige andere plaats, gelijk dit waarschijnlijk het geval is, dan zal die toegewezen worden aan hen, die de gedaante der Godzaligheid hebben, maar er de kracht van haten. Slechte Evangeliedienaren zullen in de andere wereld hun deel hebben met de ergste zondaren, namelijk met de geveinsden. Het bloed van Christus, dat zij door hun goddeloosheid vertreden hebben, en het bloed der zielen, dat zij door hun ontrouw over zich gebracht hebben, zal hen zeer zwaar drukken in die plaats der pijniging. Kind, gedenk! zal voor een leraar, die verloren gaat, een even snijdend woord zijn als voor ieder ander zondaar. Laat hen dus, die voor anderen prediken, vrezen opdat zij niet zelven verwerpelijk worden.