4. En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben. Ik nam mij voor die, volgens het bevel in
Hoofdstuk 1:11, ook letterlijk, omdat zij met duidelijke, verstaanbare woorden waren meegedeeld, neer te schrijven. En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Verzegel en houd voor uzelf (
Daniël 8:26;
12:4,
9) hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben en schrijf dat niet, want zij zullen op hun tijd wel vanzelf openbaar worden aan degenen, wie zij als vervulling van Oud-Testamentische profetie aangaan, terwijl zij, voor wie u nu profeteren moet (
Vers 11) er geen belang bij hebben.
Omdat de engel, die hier voorkomt, in Vers 6 bij de levende God zweert, heeft men gemeend, dat hier ongetwijfeld aan een geschapen engel moest worden gedacht en dus de majesteit en heerlijkheid, waarin hij optreedt en die een goddelijke is, hem slechts geleend zou zijn. Dit is echter ten onrechte, integendeel vinden wij hier geheel dezelfde toestand als Daniël 10:4; 12:13 Het is Christus de Heere, die hier in de gedaante van een engel verschijnt (vgl. Hoofdstuk 5:2), om de zending, die Hij vervult en die Hij door geen andere engel kon laten verrichten. Want de verzekering, die gegeven moest worden, dat er voortaan geen tijd meer zijn zou, maar het geheim van God in de dagen van de stem van de zevenden zou worden volvoerd (vers 6 v.), kan niet door een geschapen engel worden overgenomen. Zo iemand heeft toch niet dat inzicht in de diepte van de goddelijke raadsbesluiten, dat zijn autoriteit voor de gemeente op aarde onvoorwaardelijk zeker zou zijn (Hoofdstuk 5:3. 1 Petrus 1:12 Galaten 1:8), waarbij nog komt, dat juist nu sprake is van de opheffing van de geldigheid van Gods woord in Mattheus 24:36 Markus 13:32 door Christus zelf teweeg kan worden (Vers 5-7) gebracht. Maar juist daarin, dat Christus zelf als engel verschijnt, ligt de grond, dat Hij niet bij Zichzelf kan zweren, maar zweren moet bij die, die Hem gezonden heeft tot openbaring van Zijn raadsbesluit, zoals Hij ook in de dagen van Zijn vlees de juiste verhouding tot de Vader steeds heeft bewaard (Johannes 20:17) en eveneens de apostel (Romeinen 15:6) niet alleen van de Vader, maar ook van de God van onze Heere Jezus Christus spreekt. Eerst als wij over het wezen van deze sterke engel in het reine zijn, krijgt het lichten van de voeten als vuurpilaren op de zee en de aarde, dat onbetwistbaar in betrekking staat tot het dier uit de zee en het dier van de aarde, in Hoofdstuk 13:1, en 11, en hun vooraf het vertreden en verbrand worden aangekondigd, de juiste betekenis. Wordt in 2 Thessalonicenzen 2:3, gezegd: de dag van Christus komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en dat geopenbaard is de mens van de zonde, de zoon van het verderf enz. " dan is ook het omgekeerde juist: wordt nu deze mens van de zonde, de zoon van het verderf, te zijner tijd geopenbaard en maakt Christus aan hem een einde door de openbaring van Zijn toekomst, dan zal vervolgens geen tijd meer zijn, maar het geheim van God wordt nu ten volle volbracht. Door die houding verkrijgt dus de engel de juiste grond onder zijn voeten, waarop hij vervolgens staande zijn band tot een eed ten hemel kan opheffen. En evenals nu het leeuwengebrul van Zijn stem de vervulling aankondigt van de voorspelling in Jeremia 25:30, zou zijn de zeven donderslagen, die gelijktijdig hun stemmen doen horen, een symboliseren van hetgeen Paulus op de straks aangehaalde plaats zegt over de boze: "de Heere zal hem verderven met van de geest van Zijn mond (vgl. Jesaja 11:4 Zij geven de vreselijke werkingen van de goddelijke almacht, waardoor het ombrengen geschiedt, nader aan, terwijl de profeten van het Oude Testament slechts in beelden en gelijkenissen daarvan hebben gesproken, wier hiërogliefenschrift zij wel in currentschrift wisten over te zetten (1 Petrus 1:10 v.), de ziener van het Nieuwe Testament daarentegen zou, nadat hij de donderslagen had vernomen, zo'n omzetting hebben kunnen bewerken, maar hij moet het niet doen, omdat het niet tot zaligheid nodig is. In de tijd namelijk, dit de Heere de boze ombrengt, zijn er geen knechten van God en Christus uit degenen, voor wie Johannes volgens Vers 11 moet profeteren, op aarde meer aanwezig. Het dier uit de zee en het dier van de aarde hebben in de grote benauwdheid, die zij hebben teweeg gebracht (Hoofdstuk 13:7 en 15), hen allen omgebracht, hun zielen zijn in de hemel geborgen; het is dus alleen nodig de stem, die over hun voorlopige zaligheid gehoord wordt, neer te schrijven. (Hoofdstuk 14:13). Daarentegen zal op die tijd de Zionsgemeente, waarvan in Hoofdstuk 14, sprake is, als dat volk van God aanwezig zijn, waarom de laatste beslissende strijd gestreden wordt. Bij de heilige stad, die de Heere Zich volgens Ezechiël 40 48 zal hebben gesticht, heeft dan het ombrengen plaats van de boze, of het treden van de grote wijnpersbak van de toorn van God (Hoofdstuk 14:19; 19:15 en dan zullen de oren van degenen, die de stad bewonen, de donderslagen zelf vernemen. Zij zijn het Hedad (Jeremia 25:30), dat de druiventreder ter ere van zijn arbeid wordt, gezongen en de machtige indruk van dit grootse Hedad zal daardoor niet worden verzwakt, dat men het reeds lang te voren geschreven kan lezen, maar dit grote siddering en vrees, zoals ook eens bij Hizkia plaats had (Jesaja 37:3, 14), zullen de burgers te Jeruzalem opeens de donder van het gericht vernemen over hem, die zich waagt aan de jonkvrouw, de dochter van Sion (Ezechiel 38:14) en dat zal de vreselijkste en verhevenste muziek tevens zijn, die ooit over de aarde geklonken heeft.
Hij denkt nog aan het Verbond van Zijn genade; Hij verschijnt met het teken van Zijn wederkerende barmhartigheid; Hij doodt wel, maar maakt ook levend; Hij wondt wel, maar geneest ook. Deze regenboog spreekt alleen tot Zijn kinderen, ook al staat de wolk daar evenzeer voor hen als voor de kinderen van de wereld. Zijn onze zonden vele, bij God is te meerder genade; Hij is de goede Herder, die het leven geeft aan Zijn schapen en Hij spreekt Zijn Kerk toe in het vriendelijk teken van de regenboog. Hij zal Zijn uitverkorenen bewaren in de verzoekingen en zij zullen in Zijn oordelen niet omkomen met de ongehoorzame kinderen van de wereld, maar juichen in de God van hun heil! Hij is de deelgenoot van de heerlijkheid van de Vader, die de Kerk van Zijn Zoon vermaant tot bekering, zeggende: "Hoedt u voor Zijn aangezicht en wees van Zijn stem gehoorzaam en verbitter Hem niet; want Hij zal jullie overtredingen niet vergeven, want Mijn naam is in het binnenste van Hem. Maar als u Zijn stem naarstig gehoorzaamt en doet al wat Ik spreken zal, dan zal ik de vijand van uw vijanden en de tegenstander van uw tegenstanders zijn. De heerlijkheid van Jezus Christus openbaart zich daarin, dat Hij Zijn oordelen voltrekt over de tegen Hem vijandige wereld, maar het oordeel over Zijn Kerk zo uitoefent, dat deze daarna genade van Hem ontvangt, want Zijn heerlijkheid en heiligheid blijken het helderst uit in de vergeving van de zonden "Ik zal", zo spreekt Hij, "de hittigheid van Mijn toorn niet uitvoeren; Ik zal niet terugkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u. " Hij staat onwankelbaar vast als een zuil; waar Hij Zijn voeten zet, kan niets Zijn onoverwinnelijke kracht weerstaan en hetgeen Hij met de "wolk" heeft bedreigd, dat voert Hij uit met het verterend "vuur" van Zijn rechtvaardigheid. Het vroeger vermelde boek behelsde de oordelen over de wereld; dit "boekje" handelt over de lotgevallen van de Kerk; het andere was een boek, aan beide zijden beschreven, omdat de zonden en straffen van de wereld, wegens haar menigte en zwaarte, veel meer plaats beslaan dan die van de Kerk, die daarom in een boekje opgetekend kunnen worden. Het andere boek was verzegeld; niemand kon het openen dan Christus en Hij opende het, nadat Johannes er over had geweend, dat niemand het openen en inzien kon; het schilderde de zegepraal van de Kerk over de wereld; dit boekje daarentegen is geopend; het vermeldt de rampen van de Kerk, haar verleiding door de wereld. Haar verleiding! Hoe zou een zo diep gezonken Kerk waardig Zijn de overwining over de wereld te behalen? Draagt zij de schuld niet, de ontwikkeling van het Godsplan te hebben tegengewerkt, schoon zij dat kende door de mond van de dienaren van de Heere, de profeten? Hoe? Volkomen heil voor halve trouw? De Kerk moet ter harer beschaming zich gedurig deze vragen voorleggen. Haar hoop kent geen gevaarlijker klip dan de bewustheid van haar onheiligheid. Met Zijn rechtervoet, die als een vuurzuil is, treedt de Heere Jezus op de golvende zee van de volkeren van de aarde, want de eigenlijke zee is niet in opstand tegen God en Zijn Rijk, maar de mensen. Dit treden op haar is een teken, dat Hij de Heere, de Gebieder, de Gezaghebber van het mensdom is. Waar deze verbrijzelende voeten neergezet worden, daar moet opstand zijn; zij vertreden de weerspannigen. Bij Daniël verschijnt MICHAËL, als staande op het water van de Tigris, ten teken, dat Hij macht heeft over de heidenwereld; de Psalmdichter zegt: "u heeft alles onder Zijn voeten gesteld", waardoor wordt aangeduid, dat de Vader alles aan de heerschappij van Zijn Zoon heeft onderworpen. De zee wordt genoemd voor de aarde, waarop Hij slechts de linkervoet plaatst, omdat de wereldheerschappij, die krijg voert tegen God, uitgaat van de zee der volkeren, terwijl de godslasterlijke zich noemende wijsheid uit de aarde voortkomt. Hij, die eens aan het kruis met luide stem geroepen heeft "Het is volbracht", kondigt nu met grote stem, als van een leeuw, aan dat, zoals Hij Zijn verlossingswerk eenmaal aan het hout van de schande heeft volbracht, Hij ook de eindelijke zegepraal van de Kerk en de ondergang van de wereld volbrengen zal. Deze ontzettende roepstem van Jezus Christus geldt de onstuimige zee van de volken, waaruit het eerste dier opstijgt, zijnde de God vijandige wereldheerschappij; zij geldt ook de aarde, waaruit het tweede voortkomt, dat is de aardse wijsheid, die zich tegen God verheft. "De Heere", zo zegt de profeet "de Heere zal uit Sion brullen en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen, maar de Heere zal de toevlucht van Zijn volk en de sterkte van de kinderen van Israël zijn. " Ook bij Hosea, Jeremia en Amos komen dergelijke uitdrukkingen voor. Donder is altijd een teken van de losbarstende oordelen van de Heere. Wat de stem van de Heere zegt in de donder, wordt door de Psalmist vermeld. Is die stem vreselijk voor de vijanden van God, bemoedigend is zij voor de Kerk, waaraan zij kracht en vrede belooft. Zo geschiedde er ook een donderslag, toen de Heere Jezus gedurende Zijn vernedering bad: "Vader, verheerlijk Uw Naam! " en Hij zelf zei daarop. "Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. " En inderdaad door het oordeel over de wereld, die in het boze ligt, wordt ook de Naam van de Heere verheerlijkt, tevens met die van Zijn Vader, die in de hemel is.
Het meten onderstelt het afbakenen, begrenzen. Er komt een tijd, dat in Jeruzalem een heilig volk woont, als wanneer de stad niet gemeten mag worden, maar open ligt vanwege de veelheid van de inwoners, terwijl de Heere voorhaar zal zijn als een vurige muur rondom en Hij zal zijn tot heerlijkheid in haar midden (Zacharia 2:2-5). Die tijd is er niet onder de zesde bazuin. Het is dan de tijd van het meten van de tempel, dat is: van de afbakening van de grenzen van de gemeente. Wat binnen in haar is, zal de Heere een heiligheid (Hem gewijd) zijn en niet uitgerukt worden. In die zin komt het meten voor in Jesaja 31:5-9 met betrekking tot de aardse stad Jeruzalem. Van een gemeente van enkel gelovigen is daarom toch nog niet de rede; deze is niet daar voor het Nieuwe Jeruzalem. Maar hier is wel bedoeld een gemeente, die waarlijk, naar aardse maatstaf (de rietstok) beoordeeld, een tempel heten kan. Het werk van deze getuigen is duidelijk aangegeven; deze zijn de twee olijfbomen, bedoeld in Zacharia 4 Bij de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap werd de tempel onder de vorst Zerubabel gebouwd, terwijl de profeten Haggai en Zacharia het volk door het woord van hun profetie bemoedigden. In die zin konden deze twee profeten twee olijfbomen genoemd worden, die de levensolie van de Geest toevoerden aan de kandelaar van de tempel dat is: aan de verdroogde gemeente van God. Omdat nu echter in de Openbaring e engel uitdrukkelijk zegt, dat de twee getuigen onder de zesde bazuin de olijfbomen en kandelaars zijn, door Zacharia bedoeld, zo blijkt daaruit duidelijk, dat het bouwen van de tempel onder Haggai en Zacharia en hun werkzaamheid, geen volkomen vervulling van deze profetie was, maar slechts een type van de latere en hele vervulling onder de zesde bazuin. Dan zal inderdaad de luchter van God weer met olie worden vervuld, zodat Gods knechten tot het bouwen van de tempel bekwaam gemaakt worden, daarbij ondersteund door de twee getuigen. Mij dunkt, de heen wijzing naar Zacharia 4 verheft het boven alle twijfel, dat het werk van deze getuigen geen ander doel heeft, dan juist het verzekeren en doen gelukken van de tempelbouw. De inwendige zijde van dit werk is: dat de Geest van God weer de gemeente zal vervullen; van die geest gescheiden is Gods volk een volk van doodsbeenderen (Ezechiel 37). Dit dodenleger kan alleen tot een levende Godstempel worden door de Geest; op de adem van de profetie verzamelen zich de doodsbeenderen, ze worden met vlees en huid bekleed en de Geest spireert van de vier winden en doet ze herleven. Deze profetie van Ezechiël is en wordt bij elke geestelijke opwekking meer en meer vervuld, totdat zij geheel vervuld zal zijn aan het huis van Israël, dat is: aan de tien stammen en Juda, die, weer verzameld in hun land, eenmaal de volle verwezenlijking van deze belofte van God zullen ondervinden.
Sommigen verstaan hierdoor het boek van de voorzienigheid van God, dat te voren met zegels was verzegeld, dat nu open is, in de hand van Christus, omdat niemand in hemel en op aarde het kon openen, dan het Lam, dat geslacht was, zoals getuigd is (Hoofdstuk 5:3). Dat daarom hier een "boekje" genoemd wordt, omdat een groot deel daarvan van te voren geopenbaard was en dat: nu nog maar een deel overig was, dat geopenbaard moest worden. Anderen nemen het voor het boek van het Evangelie, dat in de tijd, dat de antichrist op zijn hoogst was, als een besloten boek voor de gemeente is geweest, maar van deze tijd aan, dat de Turken tegen de Christenheid zijn ingebroken, zoals in het voorgaande hoofdstuk is aangetekend, is het weer door enige bijzondere mannen van God meer en meer van de gemeente geopend en duidelijker voorgesteld.
God heeft niet gewild, dat men die zaken voorheen weten zou, maar alleen, dat er zeven opmerkelijke zaken zouden geschieden, die in de Openbaring iet zijn vertoond en verklaard. Als iemand leefde na de vervulling van die donderslagen en hij had dan een volmaakte kennis van de hele openbaring en van alle geschiede zaken in en over de Kerk, die zou later daaruit kunnen zeggen, dat is de eerste donderslag; daarna is de tweede gehoord en die betekent dat. Maar daar buiten dat iets zekers van te stellen, zou een verwaandheid zijn. Het is het veiligst van de verzegelde donderslagen te zwijgen, totdat God ze ons zal openbaren.
Ter verklaring van "zee en aarde" in Vers 2 dienen vooral de woorden, die men leest in Psalm 65:7, 8 Door zeeën wordt verstaan een samenvloed van volken (vgl. Psalm 89:10). De spreekwijze in Vers 3 "zoals een leeuw brult" is wel ontleend aan Jesaja 21:8 "En hij riep een leeuw", waar ik zeker denk met Aber Ezra, dat de zin is "hij riep zoals een leeuw. " Bedoeld is, dat die engel een grote en verschrikkelijke stem heeft voortgebracht. Wat onder "donderslagen" moet worden verstaan, schijnt Coccejus wel begrepen te hebben, als hij schrijft, dat door de donderslagen verstaan moeten worden onverwachte zaken, die zouden voorvallen als bliksems en donderslagen, die de hele wereld met gedreun en geluid vervulden. Alle uitwerkselen van de goddelijke majesteit en gerechtigheid op aarde, die een groot gedruis in de wereld maken, aller aandacht verwekken, ieder de mond vol doen hebben, en door het gerucht overal verspreid worden, worden naar de stijl van het heiligdom donderslagen genoemd. Onder die zeven worden bedoeld de krijgstochten van de kruisvaarders met zeer grote beweging en gedruis ondernomen, om het Heilige land te verlossen uit de macht van de Turken.
Het geopende boekje behelst de zaligende evangelieleer en bevat weinig hoofdstukken, in vergelijking van de menselijke overleveringen van het pausdom. Christus heeft het in Zijn hand, omdat dit woord van Hem is voortgegaan en Hij het tegen alle geweld van de hel beschermt en omdat Hij het, na de paapse duisternis, Zich aan de wereld openbarend, dit woord zou meebrengen en aan allen aanbieden om het te horen, te lezen en te verstaan. De zeven donderslagen zijn zinnebeelden van de oordelen, die, Christus, Zijn gunst aan Zijn gemeente willend bewijzen, achtereenvolgens over Zijn en haar vijanden zal uitstorten, die naarmate de langdurige ongerechtigheid vol genoeg zullen zijn en daarom zeven in getal voorkomen. Bij God zijn ook vrienden en knechten, die Hij tot grote diensten willend gebruiken, als in Zijn kabinet neemt en begenadigt met openbaring van zaken, die men noch mag noch kan wereldkundig maken (2 Corinthiërs 12:4).
Dit zegt ons, dat de leraren in grote afhankelijkheid van de Heere moeten leven, niet alleen tot verkrijging van licht, maar ook tot het mededelen. Het is geen gering gedeelte van hun wijsheid, dat zij niet maar prediken wat zij weten, maar ook wat stichtelijk, welvoeglijk en voordelig is om voortgebracht te worden. Het is niet volstrekt noodzakelijk, dat wij dit gebod van verzegelen voor een altijddurende verzegeling houden, het kan voor een tijdelijke verzegeling worden gehouden, totdat andere gezichten beschreven zouden worden.