Lukas 18:31-35
Hier is:
I. Christus' kennisgeving aan Zijne discipelen van Zijn naderend lijden en sterven, en van de heerlijke uitkomst er van, waarvan Hij zelf een volkomen voorkennis had, en Hij achtte het nodig hen hieromtrent te waarschuwen, opdat het hen minder plotseling overvallen en verschrikken zou. Er zijn hier twee dingen, die bij de andere evangelisten niet voorkomen,
1. Van Christus' lijden wordt hier gesproken als van de vervulling der Schriften, door welke overweging Christus zich er mede verzoende, en hen er mede wilde verzoenen. "Het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten, inzonderheid het lijden, dat Hij zal ondergaan. De Geest van Christus in de Oud-Testamentische profeten heeft tevoren getuigd het lijden, en de heerlijkheid daarna volgende, 1 Petrus 1:11. Dit bewijst dat de Schriften het woord Gods zijn, want zij zijn nauwkeurig en volledig vervuld geworden, en dat Jezus Christus van God was gezonden, want zij zijn vervuld in Hem, deze was het, die komen zou, want al wat betreffende den Messias voorzegd was, is bevestigd in Hem. En Hij wilde zich aan alles onderwerpen, opdat de Schriften zouden vervuld worden, zodat er geen tittel of jota van ter aarde zou vallen. Hierdoor wordt de ergernis van het kruis vernietigd, en wordt het eerbaar. Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden.
2. Het is op de schande en versmaadheid, die Christus in Zijn lijden werden aangedaan, dat hier de meeste nadruk wordt gelegd. De andere evangelisten hadden gezegd dat Hij zou bespot worden, maar hier is er bijgevoegd, dat Hij hubristhêsetai, smadelijk gehandeld zal worden - Hij zal met smaad en schande worden overladen, alle mogelijke smaad zal over Hem worden uitgestort. Dit was het deel van Zijn lijden, waardoor Hij op geestelijke wijze voldaan heeft aan Gods gerechtigheid wegens de belediging, die wij Hem hebben aangedaan in Zijne eer, door de zonde. Hier is een bijzonder voorbeeld van smaad, die Hem werd aangedaan, namelijk dat Hij bespogen zou worden, hetgeen inzonderheid voorzegd was, Jesaja 50:6. Maar, evenals altijd, heeft Christus, als Hij van Zijn lijden en dood sprak, ook hier Zijne opstanding voorzegd, als hetgeen zowel de verschrikking als den smaad wegnam van Zijn lijden: "ten derden dage zal Hij weder opstaan".
II. Hoe de discipelen hierdoor in verwarring geraakten. Dit was zo in strijd met de denkbeelden, die zij omtrent den Messias en Zijn koninkrijk koesterden, zulk een teleurstelling van hun verwachting van hun Meester, en zulk een tenietdoen van al hun maatregelen, dat zij geen van deze dingen verstonden, vers 34. Hun vooroordelen waren zo sterk, dat zij ze niet letterlijk wilden verstaan, en op een andere wijze konden zij ze niet verstaan, zodat zij ze dan ook in het geheel niet verstonden. Het was een verborgenheid, het was een raadsel voor hen, het moet zo zijn, maar zij achtten het onmogelijk om het te doen rijmen met de eer en heerlijkheid van den Messias, en het doel van de oprichting van Zijn koninkrijk. Dit woord was voor hen verborgen, kekrummenon ap, autoon, het was apocrief voor hen, zij konden het niet aannemen, wat hun betrof, zij hadden het Oude Testament dikwijls gelezen, maar zij hebben er nooit iets in kunnen zien, dat vervuld zou worden in de schande en den dood van den Messias. Zij waren zo ijverig bezig met de profetieën, die spraken van Zijne heerlijkheid, dat zij die voorbijzagen, welke spraken van Zijn lijden. De schriftgeleerden en wetgeleerden hadden er hen bij moeten bepalen, er hun aandacht op moeten vestigen, zij hadden het in hun geloofsbelijdenis en hun catechismus moeten schrijven, evengoed als het andere, maar dat strookte niet met hun bedoeling, en daarom lieten zij het weg. Het is omdat de mensen hun Bijbel ten halve lezen, dat zij in allerlei dwalingen vervallen, en even partijdig zijn met de profeten als zij het zijn met de wet. Zij houden slechts van de zachte dingen, Jesaja 30:10. Zo zijn ook wij bij het lezen der nog onvervulde profetieën maar al te zeer geneigd om hoge verwachtingen te koesteren van den heerlijken toestand der kerk in de laatste dagen. Maar wij zien haar woestijnstaat van vernedering voorbij, wij verbeelden ons zo gaarne dat die toestand van vernedering en vervolging voorbij is, en er nu slechts kalme en vredige tijden te wachten zijn. En als dan verdrukking en vervolging komen, verstaan wij het niet, verstaan niet wat er gedaan wordt, hoewel ons zo duidelijk mogelijk gezegd is dat wij door vele verdrukkingen in het koninkrijk Gods moeten ingaan.