2 Samuël 23:1-7
Wij hebben hier het testament van koning David, of een codicil dat er aan toegevoegd is, nadat hij bepaald had dat de kroon op Salomo zou overgaan, en zijn schatten gebruikt zouden worden voor het bouwen van de tempel. De laatste woorden van grote en Godvruchtige mannen zijn waardig geacht om op een bijzondere wijze opgemerkt en bewaard te worden, David wilde dat er van deze kennis zou genomen worden, en dat zij zouden worden toegevoegd, hetzij aan zijn psalmen, (zoals zij hier toegevoegd zijn aan die in het vorige hoofdstuk) of aan de kronieken van zijn regering. Wij kunnen onderstellen dat deze woorden, inzonderheid vers 5 hoewel tevoren vermeld, dikwijls door hem herhaald zijn tot zijn eigen vertroosting, en wel tot zijn laatste ademtocht, en daarom worden zij zijn laatste woorden genoemd. Als wij de dood zien naderen, dan moeten wij pogen God te eren met onze laatste woorden en de ons omringenden er mee te stichten. Laat hen, die een langdurige ervaring hebben gehad van Gods goedheid en het lieflijke van Zijn wijsheid, als zij er toe komen om hun loop te eindigen, een gedachtenis nalaten van die ervaring, en hun getuigenis afleggen van de waarheid van de belofte. De laatste woorden van Jakob en Mozes zijn in de geschiedenis vermeld, en hier heeft David deze zijn laatste woorden als een legaat nagelaten voor de hem overlevenden. Er wordt ons hier gezegd:
I. Wiens uiterste wil, of testament, dit is. Dit wordt meegedeeld, hetzij door de testamentmaker zelf, zoals dit de gewoonte is, of liever, door de geschiedschrijver, vers 1. Hij wordt beschreven:
1. In het geringe van zijn afkomst: hij was de zoon van Isai. Het is goed voor hen, die bevorderd zijn om hoekstenen te wezen, om herinnerd te worden aan de rotssteen, waar zij uit gehouwen zijn, en dit ook zelf dikwijls te gedenken.
2. Aan de hoogte, waartoe hij was opgeheven. Hij was hoog opgericht, als een man, die door God werd begunstigd, en door Hem tot iets groots was bestemd, opgericht als een vorst, om hoger te zitten dan zijn naasten, en als een profeet, om verder te zien, want:
a. Hij was de gezalfde van de God Jakobs en zo was hij dienstbaar aan het volk van God in hun burgerlijke belangen, de bescherming van hun land en de bedeling des rechts onder hen.
b. Hij was lieflijk in psalmen Israëls, en zo was hij hun van dienst in hun Godsdienstoefeningen, hij schreef de psalmen heeft ze getoonzet, stelde de zangers aan schreef de muziekinstrumenten voor, waardoor de Godsdienstige oefeningen van de vromen ten zeerste werden opgewekt en verruimd. Het zingen van psalmen is een liefelijke inzetting, zeer aangenaam aan hen, die er zich in verlustigen God te loven. Het wordt tot de ere-ambten gerekend, waartoe David was verheven dat hij een psalmist was, daarin was hij even waarlijk groot als in zijn hoedanigheid van gezalfde des Gods Jakobs. Het is ware bevordering om de kerk te dienen in daden van Godsvrucht, het werktuig te zijn om het gezegende werk van gebed en lofzegging te bevorderen.
Merk op: Was David een vorst? Hij was het voor Jakob. Was hij een psalmist? Hij was het voor Israël. Aan een ieder wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is, en daarom, een ieder gelijk hij gaven ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve.
II. Wat er de inhoud van is. Het is een bericht omtrent zijn gemeenschap met God. Merk op:
1. Wat God tot hem zei, zowel tot zijn besturing als tot zijn bemoediging als koning, en om op die wijze ook nuttig te zijn voor zijn opvolgers. Godvruchtige mensen scheppen er behagen in om zich te binnen te brengen wat zij van God gehoord hebben, zich Zijn woord te herinneren en het bij zichzelf te overdenken. Aldus heeft David wat God eenmaal gesproken heeft, tweemaal gehoord, ja dikwijls gehoord. Zie hier:
A. Wie sprak. De Geest des Heren, de God Israëls, en de rotssteen Israëls, hetgeen, naar sommigen denken een aanduiding is van de Drieëenheid in de Godheid, de Vader, de God Israëls, de Zoon, de rotssteen Israëls en de Geest uitgaande van de Vader en de Zoon, die gesproken heeft door de profeten, en inzonderheid door David, en wiens woord niet alleen in zijn hart was, maar op zijn tong, tot nut en voordeel van anderen. David getuigt hier van zijn Goddelijke ingeving, dat in zijn psalmen, en in hetgeen hij hier terneder schreef, de Geest Gods door hem heeft gesproken. Hij en andere heilige mannen spraken en schreven naar zij door de Heilige Geest gedreven werden. Het legt eer op het Boek van de Psalmen, en beveelt ons de psalmen aan tot gebruik in onze Godsdienstige oefeningen, dat het woorden zijn, die de Heilige Geest leert.
B. Wat gesproken werd. Hier schijnt een onderscheid gemaakt te zijn tussen hetgeen de Geest Gods heeft gesproken door David, en al zijn psalmen insluit, en wat de rotssteen Israëls heeft gesproken tot David, en hemzelf en zijn geslacht betrof. Laat leraren opmerken dat zij, door wie God spreekt tot anderen, moeten horen en ter harte nemen wat Hij tot hen spreekt. Zij, wier ambt het is anderen hun plicht te leren, moeten er aan denken om hun eigen plicht te leren en te doen.
Wat hier nu in vers 3 en 4 gezegd wordt kan aangemerkt worden:
a. Met toepassing op David en zijn koninklijk geslacht. En zo is hier:
Ten eerste. De plicht, die aan magistraten wordt opgelegd. Als tot een koning van Godswege wordt gesproken, dan moest hij niet gevierd worden wegens zijn hoge waardigheid en de uitgebreidheid van zijn macht, maar hem moest zijn plicht worden voorgehouden, hij moet rechtvaardig wezen, heersen in de vreze Gods, en dat moeten ook alle mindere magistraten in hun plaats en roeping. Laat heersers gedenken, dat zij heersen over mensen, niet over dieren, die zij naar welgevallen dienstbaar kunnen maken en gebruiken, maar over redelijke schepselen, die met hen van gelijke rang zijn. Zij heersen over mensen, die hun dwaasheden en gebreken hebben, en die men dus moet verdragen. Zij heersen over mensen maar onder God en voor Hem, en daarom:
1. Moeten zij rechtvaardig wezen, zowel jegens hen over wie zij heersen, door hun hun rechten en hun bezittingen toe te staan, als tussen hen, over wie zij heersen, hun macht gebruikende om recht te doen aan de verongelijkten tegenover hen, die hen verongelijkt hebben. Zie Deuteronomium 1:16, 17. Het is niet genoeg, dat zij geen onrecht doen, maar zij moeten niet toelaten dat onrecht gedaan wordt.
2. Zij moeten heersen in de vreze Gods, dat is: zij moeten zelf vreze Gods hebben waardoor zij krachtdadig weerhouden zullen worden van alle daden van ongerechtigheid en verdrukking. Nehemia deed dit, Nehemia 5:15. "Ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil, " en Jozef, Genesis 42:18. Zij moeten ook pogen de vreze Gods te bevorderen, dat is: de praktijk van de Godsdienst onder hen, over wie zij heersen. De magistraat moet de bewaarder zijn van de beide tafelen van de wet, beide godsvrucht en eerlijkheid beschermen.
Ten tweede. Hij, die heerst in de vreze Gods, zal zijn gelijk het licht des morgens, vers 4. Licht is lieflijk en aangenaam, en hij die zijn plicht doet zal er de vertroosting van hebben, zijn blijdschap zal het getuigenis van zijn geweten zijn. Licht is schitterend, en een goed vorst is doorluchtig, zijn rechtvaardigheid en Godsvrucht zullen zijn eer wezen. Licht is een zegen, en er zijn ook geen grotere en meer omvangrijke zegeningen voor een volk dan vorsten, die heersen in de vreze Gods. Het is als het licht van de morgen, dat te meer welkom is na de duisternis van de nacht dat was Davids regering na die van Saul, Psalm 75:4, en het neemt toe, schijnt al meer en meer tot de volle dag toe, dat is ook de toenemende luister van een goede regering. Zij wordt ook vergeleken bij de grasscheutjes, die de aarde voortbrengt ten dienste van de mens, zij brengt een oogst mee van zegeningen. Zie Psalm 72:6, 16, die ook sommigen van de laatste woorden waren van David, en naar deze hier schijnen te verwijzen.
b. Met toepassing op Christus, de Zone Davids, en dan moet het alles opgevat worden als profetie, en het oorspronkelijke laat die opvatting toe. Er zal een Heerser zijn onder de mensen of over de mensen, die rechtvaardig zal wezen en heersen zal in de vreze Gods, dat is al de zaken van de Godsdienst zal regelen, alsmede de openbare aanbidding Gods, overeenkomstig de wil Zijns Vaders, en Hij zal zijn als het licht van de morgen, enz, want Hij is het Licht van de wereld, en "als de grasscheutjes, want Hij is de Spruit des Heren, en de vrucht van de aarde," Jesaja 4:2. Vergelijk dit met de beloften van Christus, die spreken van Zijn heersen in gerechtigheid en van Zijn rieken in de vreze des Heren, Jesaja 11:1-5, 32:1, 2, Psalm 72:2. God heeft aan David door de Geest gegeven dit te voorzien, om hem te troosten onder de menigvuldige rampen van zijn gezin, en de treurige vooruitzichten, die hij had van de ontaarding van zijn geslacht.
2. Welk troostrijk gebruik hij heeft gemaakt van hetgeen God tot hem gesproken heeft. Het is niet ongelijk aan zijn overpeinzing bij gelegenheid van zo'n boodschap, 2 Samuël 7:18 en verv. Wat voorafgaat heeft de rotssteen Israëls tot hem gesproken, dit heeft de Geest Gods door hem gesproken, en het is een allervoortreffelijkste belijdenis van zijn geloof en zijn hoop in het eeuwig verbond. Hier is:
A. Verdriet of moeite ondersteld. Hoewel mijn huis zo niet is bij God en, hoewel Hij het niet doet wassen. Davids gezin was niet bij God, zoals beschreven is in vers 3 en 4, en zoals hij kon wensen, niet zo Godvruchtig en niet zo gelukkig. Het is niet zo geweest bij zijn leven, en hij voorzag dat het niet zo zijn zou als hij heengegaan zal zijn, dat zijn huis noch zo Godvruchtig, noch zo voorspoedig zou zijn, als men zou verwacht hebben dat het kroost van zo'n vader zijn zou
a. Niet zo bij God. Wij en de onzen zijn in werkelijkheid datgene wat wij zijn bij God. Hierop was Davids hart gezet betreffende zijn kinderen, dat zij recht mochten staan voor God, Hem getrouw mochten zijn, ijverig zouden zijn in Zijn dienst. Maar de kinderen van Godvruchtige ouders zijn dikwijls noch zo heilig, :noch zo gelukkig als men zou kunnen verwachten. Wij moeten leren begrijpen dat wel bederf, maar geen genade in het bloed is, dat de loop niet is van de snellen, maar dat God als vrijmachtige Zijn Geest geeft. b. Niet doet wassen en toenemen of ze niet doet wassen, Psalm 107:41. Godvruchtige mensen hebben dikwijls het treurig vooruitzicht van een afnemend gezin. Davids huis was een type van Christus' kerk, die Zijn huis is, Hebreeën 3:3. Gesteld dat deze niet zo bij God is, als wij zouden wensen, gesteld dat zij kwijnend afnemend is, onteerd en verzwakt door dwaling en bederf, ja schier uitgestorven, maar God heeft een verbond gemaakt met het Hoofd van de kerk, de Zone Davids, dat Hij zich een zaad zal behouden, dat de poorten van de hel niet tegen Zijn huis zullen overmogen. Hiermede heeft onze Heiland zich vertroost in Zijn lijden, dat het verbond met Hem vaststond, Jesaja 53:10-12.
B. Vertroosting verzekerd. Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld Welke ook de ramp of moeilijkheid zij, die een kind van God in het vooruitzicht heeft, er is de een of andere zegen, die hij er tegenover kan stellen 2 Corinthiers 4:8, 9, o en geen zo kostelijk als die van de psalmist hier.
a. Het kan verstaan worden van het verbond van het koningschap (in het type) dat God maakte met David en zijn zaad aangaande het koninkrijk, Psalm 132:11, 12, maar:
b. Het moet verder zien, naar het verbond van de genade, gemaakt met alle gelovigen, dat God, in Christus, hun God zal zijn, hetgeen afgeschaduwd werd door het verbond van het koningschap, weshalve de beloften des verbonds de gewisse weldadigheden Davids worden genoemd, Jesaja 55:3. Dit alleen is het eeuwig verbond, en het is niet te denken dat David, die in zovele van zijn psalmen zo duidelijk gesproken heeft van Christus en van de genade des Evangelies, het in zijn laatste woorden zou vergeten. God heeft een verbond van de genade met ons gemaakt in Jezus Christus en hier wordt ons gezegd:
Ten eerste. Dat het een eeuwig verbond is, van eeuwigheid in de voortduur en de gevolgen er van.
Ten tweede. Dat het geordineerd, wel geordineerd en bewaard is in alles, uitnemend wel geordineerd en bewaard om de heerlijkheid Gods te bevorderen en de eer van de Middelaar en tegelijk ook de heiligheid en vertroosting van de gelovigen. Het is hierin wel geordineerd dat al, wat in het verbond vereist wordt, beloofd is, en dat iedere overtreding ons niet buiten het verbond werpt, en dat het onze zaligheid niet in onze eigen hoede en bewaring stelt, maar in de hoede en bewaring van de Middelaar.
Ten derde. Dat het wel bewaard, dat is zeker is, omdat het wel geordineerd is, de algemene aanbieding er van is zeker, de beloofde zegeningen zijn zeker, als de voorwaarden er van vervuld worden. De bijzondere toepassing er van op ware gelovigen is zeker het is vast voor al het zaad.
Ten vierde. Dat daarin al ons heil is, niets anders dan dit kan ons heil of verlossing werken, en dit is genoegzaam, dit is het alleen, waarvan ons heil, onze zaligheid afhangt.
Ten vijfde. Dat het daarom al onze lust moet wezen. Laat mij deel hebben aan dit verbond en de beloften er van, en ik heb genoeg, meer begeer ik niet.
3. Hier is het oordeel over de mannen Belials uitgesproken, vers 6, 7. A. Zij zullen weggeworpen worden als doornen, verworpen, verlaten worden. Zij zijn als doornen, die men met de handen niet moet aanraken, zo hartstochtelijk en in woede ontstoken, dat men met geen wijze en getrouwe bestraffing met hen kan handelen, maar die beteugeld, in bedwang gehouden moeten worden door de wet en het zwaard van de gerechtigheid, Psalm 32:9, en daarom zullen zij:
B. Als doornen ten laatste "ganselijk met vuur verbrand worden terzelfder plaatse," Hebreeën 6:8. Nu is dit bedoeld hetzij:
a. Als een aanwijzing voor magistraten, om hun macht te gebruiken om goddeloosheid te straffen en te onderdrukken. Laat hen de mannen Belials wegwerpen, Zie Psalm 101:8. Of:
b. Als een waarschuwing aan magistraten, en inzonderheid aan Davids zonen en opvolgers, om wel toe te zien dat zij niet zelf mannen Belials zijn, (zoals maar al te velen van hen geweest zijn) want dan zal noch de waardigheid hunner plaats noch hun betrekking tot David, hen er voor bewaren om door de rechtvaardige oordelen Gods weggeworpen te worden. Hoewel de mensen niet met hen konden handelen, zal God het. Of:
c. Als een voorzegging van het verderf over al de onverzoenlijke vijanden van Christus' koninkrijk. Er zijn vijanden van buiten, die het openlijk tegenstaan en ertegen strijden en vijanden van binnen, die het in het geheim in stilte, verraden en er ontrouw aan zijn, beide zijn mannen Belials, kinderen van de boze, van het zaad van de slang, beide zijn als doornen, kwellend en pijn veroorzakend, maar beiden zullen zo weggeworpen worden, dat Christus Zijn koninkrijk zal oprichten ten spijt van hun vijandschap, op hen zal aanvallen, Jesaja 27:4. En ter bestemder tijd zal Hij Zijn kerk zegenen met zo'n vrede, dat er geen smartende doorn noch weedoende distel zal zijn. En zij, die zich niet willen bekeren, Gode de eer niet willen geven, zullen in de oordeelsdag, (waarnaar de Chaldeeuwse paraphrast dit verwijst) met onuitblusselijk vuur verbrand worden. Zie Lukas 19:27.