Johannes 6:22-27
In deze verzen hebben wij:
I. Het nauwkeurig onderzoek door het volk naar Christus ingesteld, vers 23, 24. Zij zagen de discipelen naar zee gaan, zij zagen Christus zich terugtrekkende naar den berg, waarschijnlijk met een wenk, dat Hij begeerde alleen te zijn voor ene wijle, daar zij er echter hun hart op gezet hadden om Hem koning te maken, hebben zij Hem willen opwachten bij Zijne terugkomst, daar ook op den volgenden dag hun ijver nog niet verkoeld was.
1. Zij waren in grote verlegenheid omtrent Hem. Hij was weggegaan, en zij wisten niet wat er van Hem was geworden. Zij zagen, dat daar geen boot was dan die, waarin de discipelen waren afgevaren. De Voorzienigheid had dit zo beschikt ter bevestiging van het wonder van Zijn wandelen op de zee, want er was geen andere boot, waarin Hij kon gegaan zijn. Zij hadden ook gezien, dat Jezus niet met Zijne discipelen in het schip was gegaan, maar dat dezen zonder Hem in zee waren gestoken, en Hem aan hun zijde van het water hadden gelaten. Zij, die Christus willen vinden, moeten nauwkeurig al Zijne bewegingen gadeslaan, en de tekenen leren verstaan van Zijne tegenwoordigheid en afwezigheid, ten einde daarnaar hun koers te richten.
2. Zij waren zeer ijverig om Hem te zoeken. Zij zochten in den omtrek, en toen zij zagen dat Jezus aldaar niet was, noch Zijne discipelen (noch Hij zelf, noch iemand anders, die hun inlichting kon geven) besloten zij Hem elders te zoeken. Zij, die Christus willen vinden, moeten Hem naarstiglijk zoeken, Hem zoeken totdat zij Hem vinden, zij moeten gaan van zee tot zee, om het woord Gods te zoeken, veeleer dan er zonder te blijven leven, en zij, die door Christus met het brood des levens gespijzigd werden, moeten hun zielen in ernstige begeerten naar Hem doen uitgaan. In gemeenschap met Christus wenst hij, die vee! heeft, nog meer te ontvangen. Nu besluiten zij om naar Kapernaum te gaan om Hem te zoeken. Daar bevond zich Zijn hoofdkwartier, en daar heeft Hij ook meestal gewoond. Derwaarts waren Zijne discipelen heengegaan, en zij wisten, dat Hij niet lang van hen afwezig zou blijven. Zij, die Christus willen vinden, moeten op de voetstappen der kudde afgaan. Gods voorzienigheid gaf hun de gunstige gelegenheid om er over zee heen te kunnen gaan, dat de kortste weg was, want er kwamen andere scheepjes van Tiberias, dat verderop lag aan dezelfden oever, dichtbij, hoewel niet zo dicht bij, de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, en in deze scheepjes konden zij spoedig naar Kapernaum komen, waarheen die boten ook waarschijnlijk op weg waren. Zij, die in oprechtheid Christus zoeken, de gelegenheid zoeken om gemeenschap met Hem te oefenen, worden gewoonlijk door Gods voorzienigheid daarin geholpen en geleid. De gelegenheid hebbende om melding te maken van hun eten van het vermenigvuldigde brood, voegt de evangelist er bij: als de Heere gedankt had, vers 11. Zo getroffen waren de discipelen door de dankzegging huns Meesters, dat zij nooit den indruk konden vergeten, dien zij op hen gemaakt had, het was hun lieflijk de Godvruchtige woorden te gedenken, die toen uit Zijn mond zijn voortgekomen. Dat was het schone en lieflijke van dien maaltijd, en wat hem merkwaardig heeft gemaakt, hun hart was brandende in hen.
3. Zij maakten gebruik van de gelegenheid, die zich aanbood, zij gingen ook in de schepen en kwamen te Kapernaum, zoekende Jezus. Zij hebben niet gedraald, niet uitgesteld, in de hoop van Hem wel aan deze zijde van het water weer te zien, neen, hun overtuiging sterk en hun begeerte warm zijnde, zijn zij Hem terstond gevolgd. Goede voornemens lopen soms op niets uit, omdat zij niet bijtijds ten uitvoer zijn gebracht. Zij kwamen te Kapernaum, en voor zoveel blijkt, hadden deze onoprechte volgelingen van Christus een kalmen, aangenamen overtocht, terwijl die van Zijn oprechte discipelen ruw en stormachtig was. Het is niet vreemd, dat de beste mensen het soms het ergst hebben in deze boze wereld. Zij kwamen, zoekende Jezus. Zij, die Christus willen vinden en vertroosting in Hem willen vinden, moeten bereid zijn zich moeite te geven, en evenals dezen, zee en land omreizen om Hem te zoeken en te dienen, die van den hemel op de aarde is gekomen om ons te zoeken en zalig te maken.
II. Den goeden uitslag van hun onderzoek: Zij hebben Hem gevonden over de zee, vers 25. Christus zal, vroeg of laat, gevonden worden van hen, die Hem zoeken, en het is wel der moeite waard de zee over te steken, ja om van zee tot zee te gaan, en van de rivier tot aan de einden der aarde, om Christus te zoeken, zo wij Hem slechts ten laatste vinden. Deze lieden zijn later gebleken onoprecht te zijn, niet gedreven door een goed beginsel, en toch hebben zij zo groot een ijver betoond. Geveinsden kunnen zeer vooraan staan in het waarnemen van Gods inzettingen. Als de mensen niets anders van hun liefde voor Christus hebben te tonen, dan hun bijwonen van predikatie en bidstond, en hun liefde voor een goede prediking, dan hebben zij reden om te denken, dat zij niet beter zijn dan deze schare, die zo ijverig Christus gezocht heeft. Maar hoewel deze lieden nu geen betere beginselen hadden, en Christus dat wist, was Hij toch gewillig om van hen gevonden te worden, en hen in gemeenschap met zich toe te laten. Al zouden wij ook het hart der geveinsden kennen, moeten wij, zolang hun belijdenis goed is, hen toch niet afsnijden van onze gemeenschap, en nog veel minder mogen wij dit, als wij hun hart niet kennen.
III. De vraag, die zij Hem deden, nadat zij Hem gevonden hadden: Rabbi! wanneer zijt gij hier gekomen? Naar vers 59 schijnt het, dat zij Hem in de synagoge hadden gevonden. Zij wisten dat dit de plaats was, waar zij Christus het waarschijnlijkst vinden zouden. Het was Zijne gewoonte om de openbare Godsdienstoefeningen bij te wonen, Lukas 4:16. Christus moet gezocht en zal gevonden worden in de bijeenkomsten van Zijn volk, en in de bediening der sacramenten, het behaagt Hem de openbare Godsverering door Zijne tegenwoordigheid te eren, en er zich bekend te maken. Dáár vonden zij Hem, en al wat zij Hem nu te zeggen hebben is: Rabbi! wanneer zijt gij hier gekomen? Zij zagen, dat Hij geen koning gemaakt wilde worden, en daarom spreken zij daar nu niet meer van, maar zij noemen Hem Rabbi, hun leraar. Hun vraag betreft niet slechts den tijd, maar ook de wijze van Zijne komst aldaar, niet slechts wanneer, maar "hoe zijt gij hier gekomen?" Want er was geen schip om Hem over te varen. Zij waren nieuwsgierig in hun vraag naar Christus' bewegingen, maar gans niet bezorgd, om op hun eigene acht te geven.
IV. Het antwoord, dat Christus hun gaf (wat ging het hun aan wanneer en hoe Hij hier was gekomen?), het was een antwoord zoals zij er een nodig hadden.
1. Hij legt het verdorven beginsel bloot, dat hen er toe gebracht had om Hem te volgen, vers 26. "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, Ik, die het hart doorgrond en weet wat er in den mens is, Ik, de Amen, de getrouwe Getuige, Openbaring 3:14, 15, g ij zoekt Mij, en daar doet ge wèl aan, maar het is niet uit een goed beginsel". Christus weet niet slechts wat wij doen, maar waarom wij het doen. Dezen hebben Christus gevolgd:
a. Niet om den wille van Zijne leer: niet omdat gij tekenen gezien hebt. De tekenen waren de grote bevestiging van Zijne leer. Nicodemus zocht Hem naar aanleiding van Zijne tekenen, Hoofdstuk 3:2, en leidde de kracht Zijner werken af uit de waarheid van Zijn woord, maar deze lieden waren zo stompzinnig en achteloos, dat zij nooit hieraan gedacht hebben. Maar:
b. Zij deden het om huns buiks wil: omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt, niet omdat Hij hen had onderwezen, maar omdat Hij hen had gevoed. Hij had hun gegeven: a. Een volledig maal eten, zij hadden gegeten en zijn verzadigd geworden, en sommigen van hen waren misschien zo arm, dat zij in lang niet geweten hadden wat het is om genoeg te hebben, te eten en nog over te laten. b. Een keurig maal eten, gelijk de wonderdadige wijn van de beste was, zo zal de wonderdadige spijze waarschijnlijk meer dan gewoon aangenaam zijn geweest. cc. Een goedkoop maal eten, dat hun niets heeft gekost, er werd hun gene rekening gegeven. Velen volgen Christus om de broden en niet uit liefde. Dat doen zij, die met hun belijdenis van den Godsdienst werelds voordeel op het oog hebben, omdat zij er tot eer en aanzien door kunnen komen. Quanti profuit nobis haecfabula de Christo. Hoe voordelig is ons die fabel omtrent Christus niet geweest! heeft een der pausen gezegd. Deze lieden gaven Christus den eretitel van Rabbi, en betoonden Hem groten eerbied, toch heeft Hij hun getrouwelijk hun geveinsdheid onder het oog gebracht. Hieruit moeten Zijne dienstknechten leren degenen niet te vleien, zich niet door schone woorden te laten omkopen om vrede te roepen voor allen, die hen rabbi noemen, maar getrouwe bestraffing te geven als daar oorzaak voor is.
2. Hij wijst hun betere beginselen aan, vers 27, werkt om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven. Met de Samaritaanse vrouw had Hij over geestelijke dingen gesproken onder het beeld van water, hier spreekt Hij er van onder de gelijkenis van spijs, naar aanleiding van de broden, die zij gegeten hadden. Zijn doel is:
a. Ons te matigen in ons werelds streven: Werkt niet om de spijs, die vergaat. Dat verbiedt geen eerlijken arbeid voor het brood onzes bescheiden deels, 2 Thessalonicenzen 3:12. Maar wij moeten de dingen dezer wereld niet onze voornaamste zorg of belang maken. De dingen dezer wereld zijn spijze, die vergaat. Wereldse rijkdom, eer en genot zijn spijze, zij voedt de verbeelding (en dikwijls is dit dan ook alles), en vult den buik. Dat zijn dingen, waarnaar de mensen hongeren als naar spijze, en waarmee zij zich overladen, en zolang als zij duren kan het vleselijk-gezinde hart het voor lief nemen en er van leven, maar zij vergaan, zij zijn van een vergankelijken aard, verdorren vanzelf, en zijn aan duizend ongevallen blootgesteld. Zij, die er het meest van hebben, zijn er niet zeker van ze te zullen hebben zo lang als zij leven, maar wèl zijn zij er zeker van ze te verliezen, ze te moeten verlaten, als zij sterven. Daarom doen wij dwaas om daarvoor met buitengewonen ijver te werken. Ten eerste. Wij moeten in het Godsdienstige niet werken voor die vergankelijke spijze, dat is: wij moeten onzen Godsdienst niet dienstbaar maken aan wereldse belangen, in oefeningen der Godsvrucht geen wereldlijke voordelen op het oog hebben.
Ten tweede. Wij moeten in het geheel niet werken voor deze spijze, dat is: wij moeten van deze vergankelijke dingen niet ons voornaamste goed maken, noch onze zorg en moeite er voor tot ons voornaamste werk, noch deze dingen het eerst of het meest zoeken, Spreuken 23:4, 5.
b. Ons tot een Godvruchtig streven op te wekken en aan te sporen. "Besteedt uwe moeite aan iets beters, werkt voor de spijze, die der ziele behoort", waarvan Hij aantoont: a. Dat zij onuitsprekelijk begerenswaardig is: Het is ene spijze, die blijft tot in het eeuwige leven. Dat het een geluk is, hetwelk duren zal zolang als wij duren, het verduurt niet slechts de eeuwigheid, maar het zal ons voeden en versterken tot het eeuwige leven. De zegeningen van het nieuwe verbond zijn onze toebereiding tot het eeuwige leven, ons behoedmiddel er voor, ons onderpand er van. b. Dat zij ontwijfelbaar verkrijgbaar is. Zullen al de schatten der wereld doorzocht, en alle vruchten der aarde bijeen vergaderd worden om ons van ene spijze te voorzien, die duren zal tot in het eeuwige leven? Neen, "de zee zegt: "Zij is niet bij mij." Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, maar het is datgene, hetwelk de Zoon des mensen geven zal-hên doosei, hetzij welke spijze, of welk leven de Zoon des mensen geven zal. Merk hier op: Ten eerste. Wie deze spijze geeft: de Zoon des mensen, de grote Heer des huizes en Meester van den voorraad, aan wie de administratie van het koninkrijk Gods onder de mensen is toevertrouwd, en de uitdeling van de genadegaven en vertroostingen van dat koninkrijk, en die macht heeft ons het eeuwige leven te geven met al de middelen er van en toebereidselen er voor. Er wordt ons gezegd er voor te werken, alsof wij het door onze eigen vlijt en inspanning kunnen verkrijgen, en alsof, gelijk een heiden gezegd heeft: Dii laboribus omnia verdunt - de goden alle voordelen verkopen aan de vlijtigen. Maar al hebben wij er nog zoveel voor gewerkt, dan hebben wij het toch niet verdiend als ons loon, neen, de Zoon des mensen geeft het. En wat is vrijer dan ene gave? Het is ene bemoediging, dat Hij, die het heeft te geven, de Zoon des mensen is, want nu kunnen wij hopen, dat de kinderen der mensen, die het zoeken en er voor werken, niet zullen falen om het te verkrijgen.
Ten tweede. Welke macht Hij heeft om het te geven, want dezen heeft God de Vader verzegeld, touton gar ho Patêr esphragisen ho Theos -want dezen heeft de Vader verzegeld (bewezen en betuigd) God te zijn, aldus wordt dit door sommigen gelezen, Hij heeft Hem verklaard de Zoon van God te zijn met macht. Hij heeft Hem verzegeld, dat is: Hij heeft Hem volle macht gegeven om tussen God en den mens te handelen, als Gods gezant bij den mens, en des mensen voorspraak bij God, en Hij heeft deze Zijne opdracht bewezen door wonderen. Hem macht gegeven hebbende, heeft Hij ons de verzekering daarvan gegeven, Hem onbeperkte macht gegeven hebbende, heeft Hij ons overtuigd door ontwijfelbare bewijzen er van, zodat, gelijk Hij met vertrouwen voort kan gaan in Zijne onderneming voor ons, wij ons even gerust aan Hem kunnen overgeven. God de Vader verzegelde Hem met den Geest, die op Hem bleef, door de stem van den hemel, door het getuigenis, dat Hij Hem gaf in tekenen en wonderen. De Goddelijke openbaring is volledig in Hem, in Hem is het gezicht en de profetie verzegeld, Daniël 9:24 1), Hem verzegelen alle gelovigen, dat Hij waar is, Hoofdstuk 3:33, en in Hem zijn zij allen verzegeld, 2 Corinthiërs 1:22.