Prediker 1:4-8
Om de ijdelheid van alle dingen onder de zon, en hun ongenoegzaamheid om ons gelukkig te maken, te bewijzen, toont Salomo hier aan:
1. Dat de tijd van ons genieten van deze dingen zeer kort is, en slechts als het welgevallen is van een dagloner aan zijn dag. Wij blijven slechts gedurende één geslacht in de wereld, en de geslachten gaan voortdurend voorbij. Onze wereldlijke bezittingen, die wij zeer onlangs van anderen hebben ontvangen en zeer binnen kort aan anderen moeten overlaten, zijn voor ons dus ijdelheid, zij kunnen niet meer substantieel zijn dan het leven, dat er het substratum van is, en dat is slechts een damp, die voor een weinig tijd gezien wordt, en dan verdwijnt. De stroom van het mensdom vloeit onophoudelijk, maar hoe weinig genot heeft een droppel van die stroom van de lieflijke oevers, tussen welke hij heenvoert! Wij kunnen God de eer geven voor die bestendige opvolging van geslachten, in welke de wereld tot nu toe haar bestaan had, en haar bestaan zal hebben tot aan het einde der tijden, Zijn lankmoedigheid bewonderende, waarmee Hij dat zondige geslacht in wezen houdt, en Zijn macht, door welke Hij dat stervende geslacht laat voortduren. Wij kunnen ook opgewekt worden om met naarstigheid het werk van ons geslacht te doen en het getrouwelijk te dienen, omdat het weldra voorbij zal zijn, en uit zorgende belangstelling in het mensdom in het algemeen, moeten wij te rade gaan met het welzijn van de opvolgende geslachten, maar wat betreft ons eigen geluk laat ons het niet binnen zo enge grenzen verwachten, meer in eeuwige rust en in een eeuwig voortbestaan.
2. Dat wij, als wij deze wereld verlaten, de aarde achter ons laten, deze staat in eeuwigheid, blijft waar zij is, en daarom kunnen de dingen van de aarde ons geen dienst doen in de toekomende staat. Het is voor het mensdom in het algemeen goed, dat de aarde in stand blijft tot aan het einde der tijden, wanneer zij en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden, maar wat betekent dit voor afzonderlijke personen, als zij naar de wereld van de geesten heengaan?
3. Dat de toestand van de mens in dit opzicht slechter is dan van de lagere schepselen. De aarde staat in eeuwigheid, maar de mens blijft slechts voor een korte tijd op de aarde. De zon gaat wel iedere avond onder, maar in de morgen gaat zij weer op, even schitterend als ooit tevoren, de winden veranderen wel van richting, maar blijven toch in het een of andere punt van het kompas, de wateren, die boven de grond naar de zee gaan, komen van onder de grond weer tevoorschijn, maar de mens ligt neer en staat niet op, Job 14, 7, 12.
4. Dat alle dingen in deze wereld beweeglijk en veranderlijk zijn, en onderworpen zijn aan gedurige moeite, in niets anders bestendig dan in hun onbestendigheid, altijd voortgaande nooit tot rust komende. Het was slechts eenmaal dat de zon stilstond, als zij opgegaan is haast zij zich om weer onder te geen, en als zij ondergegaan is, haast zij zich om weer op te gaan, vers 5. De winden veranderen voortdurend van richting, vers 6, en de wateren zijn in gestadige omloop, vers 7. Het zou van even slechte gevolgen voor hen zijn om stil te staan, als voor het bloed in het lichaam. En kunnen wij dan verwachten te rusten in een wereld, waarin alles is van arbeid en zwoegen, vers 8 op een zee die voortdurend in eb of vloed is en wier golven gestadig bruisen en in beweging zijn?
5. Dat, hoewel alle dingen nog in beweging zijn, zij toch nog altijd zijn waar zij waren. De zon vertrekt, zoals de kanttekening het heeft, maar het is naar dezelfde plaats, vanwaar zij gekomen is. de wind draait, totdat hij weer op dezelfde plaats is, en zo keren ook de wateren terug naar de plaats, vanwaar zij gekomen zijn. En zo is de mens na al de moeite die hij gedaan heeft om voldoening en geluk te vinden in het schepsel, nog slechts waar hij geweest is, het geluk is nog even ver te zoeken als ooit. De geest des mensen is in zijn streven even rusteloos als de zon en de wind en de beken, maar is nooit voldaan, nooit tevreden, hoe meer hij heeft van de wereld, hoe meer hij wil hebben, en hij zou niet spoediger vol worden van de stromen van uitwendige voorspoed, de beken van honing en boter, Job 20:17, dan de zee vol wordt van de beken, die er in uitlopen, hij is nog zo als hij geweest is: een voortgedreven zee, die niet kan rusten.
6. Dat alle dingen blijven alzo, gelijk zij van het begin van de schepping geweest zijn, 2 Petrus 3:4. De aarde is waar zij was, de zon en de winden en de beken blijven dezelfde loop behouden als altijd, indien zij dus nooit genoegzaam waren om de mens gelukkig te maken, dan zullen zij dit ook wel nooit kunnen, want zij kunnen slechts hetzelfde genot, dezelfde geriefelijkheid opleveren, die zij altijd opgeleverd hebben, daarom moeten wij boven de zon zien om voldoening en een nieuwe wereld te vinden.
7. Dat deze wereld op zijn best slechts een dor en mat land is, alles is ijdelheid, want alles is vol van arbeid, de gehele schepping is van deze ijdelheid onderworpen van dat de mens veroordeeld was om in het zweet van zijn aanschijn zijn brood te eten. Als wij een blik slaan op de gehele schepping, dan zullen wij alles bezig en aan de arbeid zien, alle schepselen hebben genoeg te doen met hun eigen zaken, niets zal het geluk van de mens kunnen uitmaken, alles arbeidt om hem te dienen, maar niets blijkt een geschikte hulp voor hem te zijn. De mens kan niet uitspreken hoe vol van arbeid alle dingen zijn, kan noch de werkers tellen noch de arbeid meten.
8. Dat onze zinnen onvoldaan zijn, en derzelver voorwerpen onvoldoende blijken. Hij specificeert die zinnen, welke hun dienst met de minste moeite verrichten, en het gemakkelijkst te behagen zijn. Het oog wordt niet verzadigd met zien, maar is vermoeid van altijd hetzelfde te zien, en haakt naar nieuwheid en afwisseling. Het oor is in het begin gestreeld door een lieflijk lied of een aangename melodie, maar spoedig heeft het er genoeg van, walgt het ervan, en moet een andere melodie, een ander lied horen, beide zijn oververzadigd, maar geen is voldaan, en wat het aangenaamst was, wordt het onaangenaamst. De weetgierigheid verlangt nog meer te weten te komen, omdat zij onvoldaan is, en hoe meer men haar haar zin geeft, hoe veeleisender zij wordt, zodat zij nog altijd geef, geef blijft roepen.