63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (
Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend. Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen. 63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68). Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. " Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt. In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen. 63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68). Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. "
Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.
63. De Geest is het, die levend maakt. Wanneer Ik gezegd heb, dat die Mijn vlees eet het leven zal hebben, dan is het niet het vlees als zodanig, dat deze leven mededelende kracht bezit, maar de Geest, waarmee Mijn vlees vervuld, waardoor het doordrongen is. Het vlees, waaraan u bij Mijn woorden denkt, de materiële substantie, die bij aards genot van vlees verteerd wordt, is nutteloos. Hoe daarentegen Mijn vlees reeds nu in de staat van de vernedering door de Geest doortrokken is en leven mededeelt, zou u zeer goed aan uzelf gewaar kunnen worden, wanneer u in de juiste vatbaarheidtegenover Mij stond. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven, zoals zij kunnen getuigen, die geloven (Vers 68).
Vlees op zichzelf is nutteloos, namelijk dat, dat volgens de mening van de Joden het vlees was, waarvan Jezus sprak (vgl. 2 Corinthiërs 5:16); de Heere spreekt hier in de veronderstelling, wanneer Zijn vlees niets dan vlees was, dat is echter veronderstelling van iets en dat niet zo is en onmogelijk is, evenals Hij in Vers 38 van "Zijn wil" spreekt.
In Christus moet de gemeenschap en eenheid van vlees en geest worden erkend.
Zonder de geest is het vlees niet dan vlees, wil de Heiland zeggen, en geen levend voedsel, maar met de geest is het een voedsel voor het leven vol genade. In Mij nu Zijn vlees en geest niet tegenover elkaar staande als het aardse en het hemelse, maar Mijn vlees en bloed, Mijn menselijke natuur is vol geest en leven.
Van Zijn vlees, vol van God, kon en mocht Jezus zeggen wat van menselijk vlees op zichzelf gesproken onwaar zou geweest zijn. Wanneer Hij echter ook lichamelijk, als Mensenzoon zal zijn ingegaan in de heerlijkheid van Zijn aan God gelijk, bovenwereldlijk bestaan, waarop vers 62 doelde, dan zal elke ergernis aan Zijn woorden voor de gelovigen zijn opgeheven en dat de discipelen in geloof reeds nu dele ergernis overwinnen, kan Hij van hen verwachten, daarom zegt Hij: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. " Als Jezus slechts zei: "zijn Geest" zou men kunnen verklaren: hebben een geestelijk karakter, moeten in een overdrachtelijke zin opgevat worden Maar Hij voegt er bij: "en zijn leven" en deze woorden zijn met deze verklaring in strijd. Jezus wil veeleer zeggen, dat Zijn woorden de zuivere incarnatie van de geest en het voertuig van het leven zijn. Een echo van het woord van Jezus is zo de belijdenis van Petrus: "Gij hebt de woorden van het eeuwige leven; " de ervaring van de ware gelovigen bestaat reeds, om de bewering van de Meester te bevestigen.