Openbaring 3:14-22
Ook hier hebben wij te beschouwen:
I. Het opschrift van deze boodschap.
1. Aan wie zij werd gezonden. Aan den engel van de gemeente der Laodicensen. Wij zijn nu gekomen tot de laatste en slechtste van de zeven Aziatische gemeenten, het tegendeel van de gemeente te Philadelfia. Want gelijk in de vorige gemeente niets te berispen viel, zo is er in deze niets te prijzen, en toch was zij een van de zeven gouden kandelaren. Een bedorven kerk kan toch wel een kerk zijn. Laodicea was eens een beroemde stad aan de oevers van de rivier Lycus, had een muur van groten omvang, drie marmeren schouwburgen, en was, gelijk Rome, gebouwd op zeven heuvelen. Naar het schijnt had de apostel Paulus groot aandeel aan de verkondiging van het Evangelie in deze stad, vanwaar hij een zijner brieven schreef, dien aan de Colossenzen, waarin hij haar groeten overbrengt. Laodicea was niet meer dan zeven uren van Colosse verwijderd. In de vierde eeuw werd in deze stad ene kerkvergadering gehouden, maar zij is nu reeds sinds eeuwen verwoest en ligt geheel in puinhopen, een ontzaglijk gedenkteken van den toorn des Lams.
2. Door wie de boodschap gezonden werd. Onze Heere Jezus noemt zich hier de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het begin der schepping Gods.
A. De Amen, Hij, die standvastig en onveranderlijk is in al Zijn voornemens en beloften, wiens ja ja en wiens neen neen is.
B. De trouwe en waarachtige Getuige, wiens getuigenis omtrent God aan de mensen behoort aangenomen en ten volle geloofd te worden, en wiens getuigenis omtrent de mensen aan God ten volle aangenomen en geacht zal worden, en die een snel en waarachtig getuige zal zijn tegen alle onverschillige en lauwe belijders.
C. Het begin der schepping Gods, zowel van de eerste schepping, en als zodanig is Hij de aanvang, dat is de eerste oorzaak, de Schepper en Onderhouder, als van de tweede schepping, de gemeente, en zo is Hij het hoofd van dat lichaam, de eerstgeborene uit de doden, gelijk in Hoofdstuk 1:5, waaruit deze namen genomen zijn. Christus, na zich zelven door Zijn eigen goddelijke macht, als hoofd van de nieuwe schepping opgewekt te hebben, wekt nu de dode zielen op om een levenden tempel en ene gemeente voor Hem te zijn.
II. Het onderwerp of de inhoud, waaromtrent wij het volgende opmerken:
1. De hevige beschuldiging, tegen deze gemeente, dienaren en Christenen, ingebracht door Hem, die hen beter kende dan zij zelven. Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt noch heet, maar veel erger: och, of gij koud waart of heet! vers 15. Lauwheid of onverschilligheid in zake den godsdienst is de ergste toestand ter wereld. Indien de godsdienst iets wezenlijks is, dan moet hij iets uitnemends zijn, en daarom moeten wij het er ernstig mede opnemen. Maar is hij niet iets wezenlijks, dan is hij het slechtste van alles, en dan moeten wij er ons zo krachtig mogelijk tegen verzetten. indien de godsdienst iets waard is, dan is hij alles waard, en dan is onverschilligheid in deze zaak onverschoonlijk. Hoelang hinkt gij op twee gedachten? Indien de Heere God is, volgt Hem na, maar indien Baäl god is, volgt hem na! Hier is geen plaats voor onzijdigheid. Een openbare vijand zal eerlijker handelen dan een trouwloze onzijdige, er is meer verwachting van een heiden dan van zo iemand. Christus verlangt dat de mensen zich in ernst zullen verklaren voor of tegen Hem.
2. Een strenge straf wordt gedreigd. Zo dan omdat gij lauw zijt en noch koud noch neet, Ik zal u uit mijnen mond spuwen. Lauw water ontreddert de maag en verwekt braking, lauwe belijders ontstem men het hart van Christus. Hij walgt van hen en kan hen niet verdragen. Zij mogen hun lauwheid liefde, zachtheid, gematigdheid, breedheid van opvatting noemen, dat is voor Christus walglijk, en dat maken zij zich zelven. Zij zullen verworpen worden, voor goed verworpen, want het is verre van den heiligen Jezus terug te keren tot hetgeen Hij eens op die wijze verworpen heeft.
3. Wij zien hier een oorzaak van deze onverschilligheid en onstandvastigheid aangeduid, en dat is zelfgenoegzaamheid en zelfbedrog. Zij dachten dat het reeds zeer goed met hen stond, en daarom waren zij er onverschillig voor om beter te worden. Want gij zegt: ik ben rijk en verrijkt geworden, en heb aan geen ding gebrek, vers 17. Merk hier op welk groot verschil er bestond tussen de gedachten, die zij van zich zelven hadden, en die, welke Christus over hen had..
A. De hoge gedachten van zich zelven: Gij zegt: ik ben rijk en verrijkt geworden en heb aan geen ding gebrek, rijk, al rijker en eindelijk tot zulk een hoogte dat zij zich boven alle mogelijkheid van gebrek verheven waanden. Wellicht waren zij ruim voorzien van allen nooddruft des lichaams, en deed dat hen hetgeen voor de ziel nodig is over het hoofd zien. Of wellicht hielden zij zich voor geestelijk rijk, zij hadden kennis en hielden die voor godsdienst, zij bezaten gaven en zagen die voor genade aan, zij hadden instellingen, en stelden die in de plaats van den God der instellingen. Hoe zorgvuldig moeten wij er tegen waken, dat wij geen strik over onze zielen werpen! Ongetwijfeld zijn er velen in de hel, die eens meenden dat zij op weg naar den hemel waren. Laat ons dagelijks God bidden dat Hij ons niet toelate ons zelven te vleien en te bedriegen met betrekking tot onze zielen.
B. De geringe gedachten, die Christus van hen had, en Hij vergiste zich niet. Hij wist, ofschoon zij het niet wisten, dat zij waren ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Hun toestand was ellendig in zichzelf, en moest het medelijden van anderen opwekken, ofschoon zij trots op zich zelven waren, werden zij beklaagd door allen, die hun toestand kenden. Want:
a. Zij waren arm, straatarm, terwijl zij zeiden dat zij rijk waren, zij hadden geen voorraad om hun zielen in het leven te houden, hun zielen leden gebrek temidden van hun overvloed, zij waren diep in de schuld bij de gerechtigheid Gods, en hadden niets om ook slechts het kleinste deel van die schuld te betalen.
b. Zij waren blind, zij konden hun toestand niet zien, noch hun weg, noch hun gevaar, zij konden niet in zich zelven zien en zij konden niet voor zich uit zien. Zij waren blind en dachten toch dat zij zagen, het licht zelf, dat in hen was, was duisternis, hoe groot moest dus de duisternis zelf zijn! Zij konden Christus niet zien, ofschoon die duidelijk hun voor ogen gesteld was, alsof Hij onder hen gekruist ware. Zij konden niet door het geloof God zien, ofschoon die altijd bij hen tegenwoordig was. Zij konden den dood niet zien, ofschoon zij dien vlak voor zich hadden. Zij konden de eeuwigheid niet zien, ofschoon zij voortdurend op haar grens stonden. c. Zij waren naakt, zonder kleding en zonder huis, zonder enige beschutting voor hun zielen. Zij waren zonder kleding, zij hadden zomin het kleed der rechtvaardigmaking als dat der heiligmaking. Hun naaktheid van schuld en bevlekking had geen bedekking. Zij waren voortdurend blootgesteld aan zonde en schande. Hun gerechtigheid bestond slechts uit lompen, morsige lompen, die hen niet konden kleden en alleen maar verontreinigen. Zij waren naakt, zonder huis of schuilplaats, want zij waren zonder God en Hij is in alle eeuwen de woning voor Zijn volk geweest: in Hem alleen kan de ziel des mensen rust vinden en veiligheid en alle mogelijke gemak. De aardse rijkdom kan de ziel niet verrijken, het best-ingerichte huis voor het lichaam biedt de ziel geen veiligheid aan. De ziel is geheel iets anders dan het lichaam, en moet naar haar eigen natuur verzorgd worden, of anders zal zij ellendig zijn temidden van alle aardse weelde.
4. Een goede raad wordt door Christus aan deze zondige gemeente gegeven, en wel dat zij haar ijdele en dwaze gedachte, die zij van zich zelve had, zou laten varen, en trachten werkelijk datgene te zijn, wat zij wilde schijnen te zijn. Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen opdat gij bekleed moogt worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worden, en zalf uwe ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt, vers 18. Merk op:
A. Onze Heere Jezus gaat voort met het geven van goeden raad aan hen, die Zijn raad in den wind geslagen hebben.
B. De toestand van zondaren is nooit reddeloos, zolang zij de genadige roepstemmen en den raad van Christus mogen horen.
C. Onze gezegende Heere, de raadsman, geeft altijd den besten raad en die het meest gepast is voor den toestand van den zondaar, evenals hier:
a. Die mensen waren arm: Christus raadt hun van Hem te kopen goud, beproefd komende uit het vuur, opdat zij rijk mogen worden. Hij laat hun weten waar zij den waren rijkdom bekomen kunnen, en hoe zij dien verkrijgen kunnen.
Ten eerste. Waar zij dien verkrijgen kunnen-bij Hem. Hij zendt hen niet naar de stromen van Pactolus, of naar de mijnen van Potosi, maar roept hen tot zich, de parel van grote waarde.
Ten tweede. Hoe kunnen zij dit goede goud van Hem verkrijgen? Zij moeten het kopen. Dit schijnt een verkeerde raad te zijn. Hoe kunnen armen goud kopen? Juist zoals zij van Christus wijn en melk kunnen kopen: dat is, zonder prijs en zonder geld, Jesaja 55:1. Men moet zeker van een en ander afstand doen, maar dat komt niet werkelijk in aanmerking, dat is alleen om plaats te maken voor den waren rijkdom. Doet afstand van uw zonden en uw zelfgenoegzaamheid, en komt tot Christus met een gevoel van uwe armoede en uw ledigheid, opdat gij vervuld moogt worden met Zijn verborgen schatten.
b. Deze mensen waren naakt. Christus zegt hun dat zij klederen kunnen bekomen, en dat deze hun schande en hun naaktheid zullen bedekken. Zij moeten die ontvangen van Christus, en zij hebben alleen hun vuile lompen af te werpen om de witte klederen aan te trekken. die Hij voor hen verworven en gereed heeft, Zijn eigen onkreukbare gerechtigheid ter rechtvaardigmaking en de klederen van heiligheid en heiligmaking.
c. Zij waren blind, en Hij raadt hun van Hem te kopen ogenzalf, opdat zij ziende mogen worden, hun eigen wijsheid en reden op te geven, die slechts blindheid zijn in de dingen Gods, en zich te wenden tot Zijn Woord en Geest, en hun ogen zullen geopend worden om hun weg en hun doel te zien, hun plicht en hun waar belang. Een nieuw en heerlijk verschiet zal zich dan voor hun zielen openen, een nieuwe wereld vol van de schoonste en uitnemendste voorwerpen zullen zij zien, en dit licht zal verrassend zijn voor hen, die nu zijn overgeleverd aan de macht der duisternis. Dit is de wijze en goede raad, dien Christus aan zorgloze zielen geeft, en indien zij dien opvolgen, zal Hij zich zelven gebonden achten hem geheel te vervullen.
5. Hier wordt een grote en genadige bemoediging voor deze zondige gemeente aan toegevoegd om de vermaning en den raad, die Christus haar gegeven heeft, wèl ter harte te nemen. Hij zegt hun:
A. Ze zijn gegeven uit tedere liefde. Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik. Wellicht denkt gij, dat Ik u alleen harde woorden en scherpe berispingen gegeven heb, maar het was alleen uit liefde voor uwe zielen. Ik zou u niet zo openlijk bestraft hebben over uw zondige lauwheid en uw ijdel zelfvertrouwen, wanneer Ik uwe zielen niet liefhad. Indien Ik u haatte, dan zou Ik u hebben laten varen en in uw zonde voortgaan tot zij uw verderf over u gebracht hadden. Zondaren behoren de bestraffingen van Gods Woord en Zijne roede te beschouwen als tekenen van Zijne genegenheid voor hun zielen, en moeten daarom waarachtig berouw gevoelen en zich keren tot Hem die hen slaat, beter een gefronst voorhoofd en wonden van een vriend dan de vleiende glimlachen van een vijand.
B. Indien zij bereid waren Zijne waarschuwing ter harte te nemen, dan was Hij gereed hun zielen goed te doen. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, vers 20. Merk hier op:
a. Het behaagt Christus genadiglijk door Zijn woord en Geest aan de deur van het hart der zondaren te komen, Hij gevoelt zich door Zijne barmhartigheid tot hen getrokken, gereed om hun een vriendelijk bezoek te brengen.
b. Hij vindt die deur voor H em gesloten, het hart des mensen is van nature voor Christus gesloten door onwetendheid, ongeloof en zondige vooroordelen.
c. Wanneer Hij het hart gesloten vindt, trekt Hij zich niet onmiddellijk terug, maar wacht genadig, zelfs al wordt Zijn hoofd van den dauw bevochtigd.
d. Hij gebruikt alle geschikte middelen om de zondaren wakker te schudden en hen te noodzaken voor Hem de deur te openen, Hij roept door Zijn woord, Hij klopt door de werkingen van Zijn Geest in hun gewetens.
e. Zij, die voor Hem opendoen, zullen zich tot hun grote vertroosting en hun voordeel verheugen in Zijne tegenwoordigheid. Hij zal met hen avondmaal houden, Hij zal aannemen wat goed in hen is, Hij zal al Zijn schatten voor hen met zich brengen. Hij zal overvloed medebrengen, nieuwe voorraden van genade en vertroosting, en daardoor opwekken tot nieuwe daden van geloof, en liefde en blijdschap, en in dit alles zullen Christus en Zijn berouwhebbende discipelen zalige gemeenschap met elkander hebben. Helaas, hoeveel verliezen zorgloze en opstandige zondaren door te weigeren voor Christus de deur van het hart te openen!
I II. Wij komen nu tot het slot van den brief, en hebben hier evenals vroeger:
1. De belofte gedaan aan den gelovige, die overwint. Hier ligt het volgende in opgesloten.
A. Ofschoon deze gemeente naar het scheen geheel overrompeld en overwonnen was door lauwheid en zelfvertrouwen, zo was het toch mogelijk dat zij door de bestraffingen en den raad van Christus zou bezield worden met nieuwen ijver en levenskracht, en als overwinnaars uit den geestelijken strijd te voorschijn komen.
B. Indien dat het geval was, zouden al de vroegere overtredingen vergeven worden, en zij een grote beloning ontvangen. En welke is deze beloning? Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met Mijnen Vader in Zijnen troon, vers 21. Hier wordt aangeduid:
a. Dat Christus zelf verzoekingen en tegenstand te doorstaan heeft gehad.
b. Dat Hij die alle overwon en meer dan overwinnaar geweest is.
c. Dat Hij, als beloning voor Zijn strijd en overwinning, met God den Vader in diens troon gezeten is, in het bezit van de heerlijkheid, die Hij van eeuwigheid bij den Vader had, maar die Hij gaarne op aarde verborgen had gehouden, het als het ware in de hand des Vaders latende, als een onderpand dat Hij Zijn werk getrouw vervullen zou, alvorens Hij dien heerlijken luister weer aannam. En na dat volbracht te hebben, vroeg en verkreeg Hij Zijn onderpand terug, om te verschijnen in Zijn goddelijke majesteit als de gelijke van den Vader.
d. Zij, die Christus gelijk worden in Zijn beproevingen en overwinningen, zullen Hem gelijk gemaakt worden in Zijne heerlijkheid, zij zullen met Hem zitten in Zijnen troon, in Zijn rechterstoel bij het einde der wereld, in Zijn troon van heerlijkheid tot in alle eeuwigheid, schitterende in Zijne stralen uit kracht van hun vereniging met en hun betrekking tot Hem, als het mystieke lichaam, waarvan Hij het hoofd is
2. Dit alles wordt besloten met de algemene oproeping om aandacht, vers 22, waardoor aan allen, die deze brieven zullen lezen, op het harte gedrukt wordt, dat hetgeen er in geschreven staat niet is van eigen uitlegging, niet bedoeld wordt tot onderrichting, bestraffing en verbetering van deze gemeenten alleen, maar van alle gemeenten van Christus in alle eeuwen en delen van de wereld. Er zal in alle opvolgende gemeenten enige gelijkenis zijn met deze, zowel in haar genaden als in haar zonden, maar zij mogen alle verwachten, dat God met haar zal handelen zoals Hij met deze handelde, welke alle eeuwen door de voorbeelden zijn van hetgeen getrouwe en vruchtbare gemeenten van God mogen verwachten. En wat de ontrouwe gemeenten betreft, deze moeten lijden van Zijn hand verwachten. Ja, Gods handelingen met Zijne gemeenten geven nuttig onderricht aan het overig deel der mensheid, om dat te doen overwegen: Indien het oordeel van het huis Gods begint, welk zal het einde zijn van hen, die het Evangelie van Christus niet gehoorzaam zijn? 1 Petrus 4:17. Zo eindigen de boodschappen van Christus aan de Aziatische gemeenten, en daarmee de brieven van dit boek. Wij komen nu tot het profetische deel.