Genesis 49:8-12
Heerlijke dingen worden hier van Juda gezegd. De vermelding van de misdaden van zijn drie oudste zonen heeft de stervende aartsvader niet zó ontsteld of ontstemd, of hij had een zegen voor Juda, aan wie de zegeningen behoren. Juda's naam betekent lof, en in toespeling daarop zegt hij: "Gij zijt het, u zullen uw broeders loven," vers 8. God werd geloofd voor hem Hoofdstuk 29:35, geloofd door hem, en geloofd in hem, en daarom zullen hem zijn broeders loven. Zij, die God tot een lof zijn, zullen de lof zijn van hun broeders.
Er wordt geprofeteerd:
1. Dat de stam van Juda voorspoedig en zegevierend zal zijn in de krijg. "En Gij gaaft mij de nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik." Dit is vervuld in David, Psalm 18:41.
2. Dat hij hoger zal zijn dan de overige stammen, niet slechts talrijker zal zijn en meer vermaard, maar dat hij over hen zal heersen, voor u zullen zich uws vaders zonen neerbuigen. Juda was de wetgever, Psalm 60:9. Die stam vormde de voorhoede bij de tocht door de woestijn en bij de verovering van Kanaän Richteren 1:2. De voorrechten van de eerstgeboorte, die Ruben verbeurd had, de voortreffelijkheid in hoogheid en sterkte, zijn aldus aan Juda geschonken.
Merk op: "Uw broeders zullen zich voor u neerbuigen, en zullen u toch loven, zich gelukkig achtende zo'n bekwame en kloekmoedige aanvoerder te hebben." Eer en macht zijn een zegen voor hen, die ze bezitten als zij niet misgund of benijd, maar geloofd en toegejuicht worden, en als men er zich blijmoedig aan onderwerpt.
3. Dat hij een krachtige, kloekmoedige stam zal zijn, geschikt en bevoegd tot heersen en veroveren, vers 9. Juda is een leeuwenwelp. De leeuw is de koning van de dieren, de schrik van het woud als hij brult. Als hij zijn prooi grijpt, kan niemand hem weerstaan, en als hij opstaat van zijn roof durft niemand hem vervolgen, om wraak te oefenen. Hiermee is voorzegd, dat de stam van Juda zeer geducht zal worden, en niet slechts grote overwinningen zal behalen, maar wat hij door deze overwinningen heeft verkregen, vreedzaam en rustig zal bezitten, dat hij geen oorlog zal voeren om de wille van de oorlog, maar om de wille van de vrede. Juda wordt vergeleken, niet bij een hongerige, springende leeuw, altijd verscheurende, altijd op roof uit, maar bij een neerliggende leeuw, genietende van zijn macht en voorspoed, zonder aan anderen kwelling of schade te berokkenen, en dit is ware grootheid.
4. Dat hij de koninklijke stam zal wezen, de stam uit welke de Messias, de Vorst zal voortkomen, vers 10. "De scepter zal van Juda niet wijken, totdat Silo komt." Jakob voorziet en voorzegt hier:
a. Dat de scepter in de stam van Juda zal wezen, en dit werd vervuld in David, op wiens geslacht de kroon overging.
b. Dat Silo van die stam zal wezen zijn zaad, het beloofde Zaad, in wie de aarde gezegend zal worden, die vreedzame en voorspoedige, of de Zaligmaker, zoals anderen het vertalen, zal uit Juda voortkomen. Aldus heeft de stervende Jakob op grote afstand Christus dag gezien en het was hem op zijn sterfbed tot vertroosting en steun. c. Dat de scepter, na in de stam van Juda gekomen te zijn, in die stam zou blijven, dat er tenminste een eigen regering zou zijn tot aan de komst van de Messias, in wie, als de Koning van de kerk en de grote Hogepriester, het betaamde dat beide het priesterschap en het koningschap zouden eindigen. Van Davids tijd af tot aan de ballingschap is de scepter altijd in Juda geweest en later waren de landvoogden van Judea uit die stam, of uit de Levieten, die er toe behoorden (en er dus mee gelijk waren) totdat Judea één provincie werd van het Romeinse rijk, juist ten tijde van de geboorte van onze Zaligmaker, en toen als een van die provincies beschreven werd als belastingplichtig zijnde, Lukas 2:1. En ten tijde van Zijn dood hebben de Joden uitdrukkelijk erkend: "Wij hebben geen koning dan de keizer." Hieruit wordt onweerlegbaar tegen de Joden afgeleid, dat onze Heere Jezus het is, die komen zou, en dat wij geen andere hebben te verwachten, want Hij is juist op de bestemde tijd gekomen. Veel voortreffelijke schrijvers hebben deze vermaarde profetie betreffende Christus op uitnemende wijze verklaard en opgehelderd.
5. Dat hij een zeer vruchtbare stam zou wezen, speciaal overvloeiende in melk voor kinderen, en in wijn om het hart te verheugen, vers 11, 12. Wijnstokken, zó algemeen in de heggen, en zó sterk, dat zij er hun ezels aan kunnen vastbinden, en zo vruchtbaar, dat zij er hun ezels mee zullen beladen. Wijn, zo overvloedig als water, zodat de mannen van die stam zeer gezond en opgewekt zijn, hun ogen levendig en schitterend en hun tanden wit zijn. Veel van wat hier van Juda gezegd wordt, kan op onze Heere Jezus worden toegepast.
a. Hij regeert over al de kinderen van Zijn Vader, Hij is de overwinnaar van al Zijn Vaders vijanden, en Hij is het, die de lof is van al de heiligen.
b. Hij is de Leeuw uit de stam van Juda gelijk Hij met verwijzing hiernaar genoemd wordt, Openbaring 5:5, die, overheden en machten beschreven hebben, als overwinnaar opgegaan is en, toen Hij neerzat aan de rechterhand van de Vader, zich zo heeft neergelegd, dat niemand Hem kan doen opstaan.
c. Hem behoort de scepter, Hij is de wetgever, en tot Hem zullen de volken vergaderd worden, als tot de wens aller heidenen, Haggai 2:8 die, van de aarde verhoogd zijnde, hen allen tot zich trekt, Johannes 12:32, en in wie de kinderen Gods, die verstrooid zijn, bijeen vergaderd zullen worden als in het middelpunt van hun eenheid Johannes 11:52. In Hem is overvloed van alles wat de ziel kan voeden en verkwikken, en in haar het Goddelijk leven onderhoudt en versterkt, in Hem kunnen wij wijn en melk hebben, de rijkdom van Juda's stam, zonder geld en zonder prijs, Jesaja 55:1.