Jesaja 21:1-10
Een last van Babel hebben wij tevoren reeds gehad, Hoofdstuk 13, hier hebben wij wederom een voorzegging van haar val. God oordeelde het geschikt om Zijn volk het geloof aan deze gebeurtenis in te prenten door regel op regel, omdat Babel soms voorgaf hun vriendelijk gezind te zijn zoals Hoofdstuk 39:1, en God wilde hen hierdoor waarschuwen om niet te vertrouwen op die vriendschap, en soms hun wezenlijk vijandig was, en God wilde hen hierdoor waarschuwen om die vijandschap niet te vrezen. Babel is getekend voor het verderf, en allen, die Gods profeten geloven, kunnen in die spiegel haar zien wankelen, haar zien tuimelen zelfs dan, als zij haar met het oog van de zinnen of van het verstand, zien bloeien, haar zien neerzitten als een koningin.
Babel wordt hier de woestijn van de vlakte, of van de zee genoemd, want het was een vlak land, vol van meren als kleine zeeën, en was overvloedig bewaterd door de vele zijstromen van de Eufraat. Babel begon pas onlangs vermaard te worden, daar Nineve haar in glans overtrof, terwijl de monarchie in de Assyrische handen was, maar binnen weinig tijds werd ze de koningin van de koninkrijken en voordat zij op dat toppunt van grootheid was gekomen in de tijd van Nebukadnezar, heeft God door deze profeet reeds haar val voorzegd, telkens en nogmaals, opdat Zijn volk niet verschrikt zou zijn door haar opkomst en bloei, noch aan hulp en uitredding zou wanhopen, als zij er ter bestemder tijd de gevangenen van zullen zijn, Job 5:3, Psalm 37:35, 36. Soms wordt zij hier een woestijn genoemd, omdat zij, hoewel zij nu een volkrijke stad was, in verloop van tijd tot een woestijn zal gemaakt worden. En het verderf, de ondergang van Babel wordt daarom zo dikwijls door deze evangelischen profeet geprofeteerd, omdat het een type en afschaduwing was van het verderf van de mens van de zonde de grote vijand van de nieuw-testamentische kerk, die voorzegd is in de Openbaring in vele uitdrukkingen, die aan deze profetieën zijn ontleend, en daarom door hen, die de profetieën van dat boek willen verstaan, geraadpleegd en vergeleken moeten worden. Hier is:
I. De krachtige aanval, die de Meden en Perzen op Babel doen zullen, vers 1, 2. Zij zullen komen uit de woestijn, uit een vreselijk land. Het noordelijk deel van Medie en Perzië waar hun soldaten meestal opgeleid werden was woest en bergachtig, vreselijk voor vreemdelingen, die er doortrokken, en krijgslieden voortbrengende, die zeer geducht waren. Elam, Perzië, wordt opgeroepen, om op te rukken tegen Babel, en gezamenlijk met de krijgsmacht van de Meden haar te belegeren. Als God werk van dien aard te doen heeft, dan zal Hij de geschikte werktuigen er voor vinden, al is het ook in een woestijn, een vreselijk land. Deze troepen komen als wervelwinden in het zuiden zo plotseling, zo krachtig en zo vreselijk zo'n geweldig gedruis zullen zij maken en zo zullen zij alles wat hun in de weg is terneerwerpen. Zoals dit gewoonlijk gaat in zo'n geval, sommige deserteurs zullen tot hen overlopen, de trouweloze handelt trouwelooslijk. De geschiedschrijvers verhalen ons van Gadatas en Gobryas, twee grootwaardigheidbekleders van het Babylonische rijk, die naar Cyrus overliepen, en wèl bekend zijnde met al de toegangen tot de stad, een bende direct heenvoerden naar het paleis, waar Belsazar gedood werd. Zo heeft met behulp van de trouweloze die trouwelooslijk handelde, de verstoorder verstoord. Sommigen lezen dit aldus: Er zal een bedrieger zijn van die bedrieger, Babel, en een verstoorder van die verstoorder. Of- hetgeen op hetzelfde neerkomt- de trouweloze heeft één gevonden, die trouwelooslijk handelt, en de verstoorder één, die verstoort, zoals het verklaard wordt in Hoofdstuk 33:1. De Perzen zullen de Babyloniërs betalen in hun eigen munt. Ze, die door bedrog en geweld, misleiding en plundering, onrechtvaardige oorlogen en bedrieglijke verdragen, een prooi hebben gemaakt van hun buren, zullen hun gelijke ontmoeten, één, die tegen hen opgewassen is, en door dezelfde methode zal nu van hen een prooi gemaakt worden.
II. De verschillende indruk, die hierdoor gemaakt werd op hen, die er in Babel belang bij hadden.
1. Voor de arme verdrukte gevangenen zal het een zeer welkome tijding wezen, want hun was lang tevoren gezegd, dat Babels verwoester hun bevrijder zal wezen en daarom zullen, als zij horen dat Elam en Medie gekomen zijn om Babel te belegeren, al hun zuchtingen ophouden, zij zullen niet langer hun banen met de wateren van de Eufraat vermengen, maar hun harpen weer ter hand nemen, en glimlachen als zij Zion gedenken, terwijl zij tevoren bij de gedachte er aan geweend hebben. Want om het kermen van de nooddruftige zal de ontfermende God ter bestemder tijd opstaan, Psalm 12:6. Hij zal hun juk van hun hals verbreken, de roede van de goddeloosheid van hun lot wegnemen, en aldus hun zuchtingen doen ophouden.
2. Voor de trotse verdrukkers zal het een hard gezicht zijn, vers 2, inzonderheid voor de koning van Babel, en het schijnt dat hij het is, die hier voorgesteld wordt als treurende over zijn onvermijdelijk lot, vers 3, 4. Daarom zijn mijn lenden vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen enz, hetgeen letterlijk vervuld is in Belsazar, want in dezelfde nacht, waarin zijn stad ingenomen en hij zelf gedood werd, veranderde zich op het zien van een hand, die mystieke letters op de muur schreef, de glans van de koning, en zijn gedachten verschrikten hem, en de banden van zijn lenden werden los, en zijn knieën stieten tegen elkaar aan, Daniël 5:6. En toch was dit slechts het begin van de smarten, het kon niet anders of Daniëls ontcijfering van het schrift moest zijn verschrikking vermeerderen, en het alarmsein, dat onmiddellijk volgde, dat de uitvoerders van het vonnis aan de deur waren, zal er de voltooiing van zijn. En de woorden "de nacht van mijn vermaak heeft Hij in verschrikking voor mij omgekeerd", vers 4, verwijzen duidelijk naar deze verzwarende omstandigheid van Belsazars val, namelijk dat hij gedood werd toen hij aan zijn maaltijd was en zijn feestvreugde op het hoogst was, met zijn wijnbekers en zijn bijvrouwen om zich heen, en duizend van zijn rijksgroten met hem feestvierende, die nacht van zijn vermaak, toen hij zich het grootste genot voorstelde in de voldoening van zijn lusten, met een bijzondere trotsering daarbij van God en godsdienst in de ontwijding van de tempelvaten-dat was de nacht, die in al deze verschrikking werd veranderd. Laat dit een krachtige aansporing voor ons zijn, om ons terug te houden van ijdele vrolijkheid en zinnelijke genietingen, en ons verbieden om er de vrije teugel aan te vieren, dat wij niet weten in welke rouw onze vrolijkheid zal eindigen, noch hoe spoedig het lachen in wenen veranderd zal worden-maar dit weten wij, dat om al deze dingen God ons in het gericht zal doen komen, zo laat ons dan altijd beving met onze blijdschap vermengen.
III. Een voorstelling van de houding, waarin Babel zal zijn, als zij door de vijand verrast en overvallen zal worden, geheel en al in feest, vrolijkheid, vers 5. "Bereid de tafel, met alle soorten van lekkernijen. Zie toe, gij wachter, laat de wachters in de wachttoren gesteld worden, terwijl wij eten en drinken in alle gerustheid en veiligheid en ons vrolijk maken, en als er een alarmsein gegeven wordt, dan zullen de vorsten opslaan en het schild bestrijken en aldus gereed zijn om de vijand een warme ontvangst te bieden." Zo gerust zijn zij, en zo gorden zij zich met evenveel vreugde, alsof zij zich al losmaakten.
IV. Een beschrijving van het alarm, dat aan Babel gegeven zal worden, als Cyrus en Darius er binnen gedrongen zullen zijn. De Heer toonde aan de profeet in een visioen, de wachters, die op de wachttoren gesteld waren, nabij het paleis, zoals het de gewoonte is in tijden van gevaar. De koning gebood aan hen, die hem omringden, dat zij een schildwacht meesten uitzetten, op de plaats, waar het best een naderende vijand ontdekt kon worden, en laat dezen, overeenkomstig de plicht van een wachter, aanzeggen wat hij ziet, vers 6. Wij lezen in de geschiedenis van David van een wachter, die aldus was uitgezet om tijding te ontvangen, 2 Samuël 18:24, en in de geschiedenis van Jehu, 2 Koningen 9:17. De wachter hier ontdekte een wagen, vergezeld van een paar ruiters, waarin, naar wij kunnen veronderstellen, de opperbevelhebber zich bevond, daarna zag hij nog een wagen, getrokken door ezels, of muilezels, die zeer veel gebruikt werden onder de Perzen, en een wagen, getrokken door kamelen, die evenzo veel gebruikt werden onder de Meden, zodat-naar Hugo de Groot denkt- deze twee wagenen betekenden de twee volken, die verenigd waren tegen Babel, of liever, deze wagenen komen om berichten te brengen naar het paleis, vergelijk Jeremia 51:31, 32. De loper zal de loper tegemoet lopen, en de kondschappen de kondschappen, om de koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad van het einde is ingenomen, terwijl hij zijn brasserij houdt aan het andere einde, en niets van de zaak afweet. Deze wachter, die wagens op een afstand ziende merkte hij er zeer nauwkeurig op met grote opmerking om de eerste berichten te ontvangen. En, vers 8,. hij riep: "een leeuw". Dit woord, komende uit de mond van een wachter, gaf hun ongetwijfeld een zekere klank, waarvan iedereen de betekenis wist, hoewel wij haar thans niet weten. Waarschijnlijk was het bedoeld, om de aandacht op te wekken, die oren heeft om te horen, dat hij hore, zoals wanneer een leeuw brult. Of, hij riep als een leeuw, zeer luid en in volle ernst, daar de zaak zeer dringend was. En wat heeft hij te zeggen?
1. Hij betuigt zijn trouwe standvastigheid op de hem aangewezen post, "Heer, ik sta voortdurend op mijn wachttoren, en heb niets van belang ontdekt, tot nu voor een ogenblik, alles scheen veilig en rustig." Sommigen houden het voor een klacht van het volk van God, dat zij lang de val van Babel hadden verwacht, overeenkomstig de profetie, en die val was nog niet gekomen, maar daarbij het besluit te kennen gevende om te blijven wachten, zoals Habakuk 2:1. Ik stond op mijn wachttoren, en stelde mij op de sterkte, om te zien waarop de tegenwoordige beschikking van Gods voorzienigheid zal uitlopen.
2. Hij geeft kennis van de ontdekking, die hij gedaan heeft, vers 9, daar komt een wagen met mannen en een paar ruiters, een visioen voorstellende de intocht van de vijand in de stad met geheel zijn krijgsmacht, of de tijding ervan die naar het koninklijke paleis wordt gebracht.
V. Er wordt ten laatste een stellig bericht gegeven van de omverwerping van Babel. Die in de wagen was, antwoordde en zei: (toen hij de wachter hoorde spreken) Babel is gevallen, zij is gevallen! Of, God antwoordde aldus aan de profeet, die naar de uitkomst van deze zaken vroeg. "Het is nu hiertoe gekomen: Babel is gewis en onherroepelijk gevallen, de zaak van Babel is nu afgedaan." Al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde." Babel was de moeder van de hoererijen, hetgeen één van de oorzaken was van Gods twist met haar, maar haar afgoden zullen haar nu zo weinig beschermen, dat sommigen ervan verbroken worden tegen de aarde en anderen, die van de moeite waard waren om weggevoerd te worden, in gevangenschap zullen gaan en een last zullen wezen voor de dieren, die ze dragen, Hoofdstuk 46:1,2.
VI. Er wordt kennis gegeven aan het volk van God, die toen in Babel gevangen waren, dat deze profetie van de val van Babel inzonderheid bedoeld was tot hun vertroosting en bemoediging, en dat zij er op aan konden, dat zij ter bestemder tijd vervuld zal worden, vers 10. Merk op:
1. De titel, die de profeet hun in de naam van God geeft: "o mijn dorsing, en de tarwe van mijn dorsvloer". De profeet noemt hen de zonen, omdat zij zijn landgenoten waren, in wie hij een bijzondere belangstelling had, en over wie hij in zorg was, maar hij zegt het als van Godswege, en richt zijn rede tot hen die waarlijk Israëlieten waren, de getrouwe in den lande. De kerk is Gods dorsvloer, waarin de kostelijkste vruchten en voortbrengselen van deze aarde zijn, bijeenvergaderd als het ware en opgelegd. Ware gelovigen zijn de tarwe van Gods dorsvloer, geveinsden zijn slechts als kaf en stro, die heel veel plaats innemen, maar van weinig waarde zijn, waarmee de tarwe nu vermengd is, maar waarvan zij weldra voor altijd gescheiden zal worden. De tarwe van Gods dorsvloer moet verwachten gedorst te zullen worden door beproevingen en vervolgingen. Gods Israël vanouds was beproefd van zijn jeugd af aan, ploegers hebben op zijn rug geploegd, Psalm 129:3. Zelfs dan erkent God het als Zijn dorsing, nog is het het Zijne, ja de dorsing is door Hem bepaalden aangewezen, zij is onder Zijn leiding en toezicht. De dorsers konden er geen macht tegen hebben, dan die hun van boven gegeven is.
2. De verzekering, die hij hun geeft van de waarheid van hetgeen hij hun heeft overgeleverd, waarop zij dus hun hoop konden bouwen: wat ik gehoord heb van de Heer der heerscharen, de God van Israël, dat, en niets anders, dat en geen fictie, geen verbeelding van mijzelf dat heb ik ulieden aangezegd. In alle gebeurtenissen, die betrekking hebben op de kerk in het verleden, in het tegenwoordige, of in de top komst, moeten wij het oog hebben op God beide als de Heer der heerscharen en als de God van Israël, die macht genoeg heeft om alles te doen voor Zijn kerk, en genade genoeg om alles te doen, wat tot haar heil en welzijn dient. Laat ons ook naarstig acht geven op de woorden van Zijn profeten, als woorden, ontvangen van de Heer. Gelijk zij niets durven smoren van hetgeen Hij hun opgedragen heeft bekend te maken, zo durven zij ook niets bekend maken als van Zijnentwege, dat Hij hun niet bekend heeft gemaakt, 1 Corinthiers 11:23.