Jesaja 33:1-12
Wij zien hier:
I. Hoe er met de trotsen en trouweloze Assyriër voor al zijn bedrog en geweld wordt afgerekend, en hoe hij onder een wee wordt gelegd, vers 1, Merkt op:
1. De zonde, waaraan de vijand schuldig was: hij had het volk van God beroofd, een prooi van hen gemaakt, en hierop had hij zijn verbond van vrede met hen verbroken en trouwelooslijk met hen gehandeld. Waarheid en barmhartigheid zijn twee zulke heilige zaken, en er is zoveel van God in, dat diegenen wel onder de toorn Gods moeten zijn, die zich om geen van beide bekommeren, volkomen onverschillig zijn voor het kwaad dat zij doen, de verwoesting. die zij aanrichten, de veinzerij, waaraan zij zich schuldig maken, en de plechtigste verbintenissen verbreken, ten einde hun eigen goddeloze doeleinden tot stand te brengen. Bloeddorstige en bedrieglijke mensen zijn de slechtsten van de mensen.
2. De verzwaring van deze zonde, hij beroofde hen, die hem nooit schade of nadeel hadden toegebracht, hij had zelfs geen voorwendsel, geen schijnrede, om met hen te twisten, en hij handelde trouwelooslijk met degenen die altijd in trouw en oprechtheid met hem hadden gehandeld. Hoe minder aanleiding de mensen ons gegeven hebben om hun onrecht te doen, hoe meer wij er God mee tergen en tot toorn verwekken.
3. De straf, die wegens deze zonde over hen komen zal. Hij, die de steden van Juda beroofde, zal zijn eigen leger vernietigd, verdelgd zien door de engel, en zijn legerkamp geplunderd door hen, die hij tot zijn prooi had gemaakt. De Chaldeën zullen trouwelooslijk handelen met de Assyriërs, en tegen hen opstaan, afvallig van hen worden. Twee van Sanheribs eigen zonen zullen trouwelooslijk met hem handelen en hem laaghartig vermoorden, terwijl hij in het gebed is tot zijn god. De rechtvaardige God betaalt de zondaren dikwijls in hun eigen munt, "indien iemand in gevangenschap voert, dan gaat hij in gevangenschap vergeldt haar, gelijk ook zij vergolden heeft" Openbaring 13:10, 18:6. De tijd, wanneer aldus met hem gehandeld zal worden, als hij het trouwelooslijk handelen zal voleindigd hebben en het verwoesten zal volbracht hebben, niet door berouw en verbetering van leven, waardoor het verderf voorkomen had kunnen worden, Daniël 4:27, maar als hij zijn ergst zal gedaan hebben, als hij zo ver gegaan zal zijn als God hem toeliet te gaan, tot het uiterste van zijn keten, waaraan hij gehouden werd, dan zal de beker van de zwijmeling in zijn handen gegeven worden. Als hij tot de volkomen wasdom van zijn goddeloosheid zal gekomen zijn, de mate van zijn ongerechtigheid vol is geworden, als hij gedaan heeft, zal God beginnen, want Zijn dag komt.
II. Het biddend volk van God in vurige smeking voor de troon van de genade voor het land, dat nu in benauwdheid is, vers 2. Heere wees ons genadig, de mensen zijn wreed, wees Gij genadig, wij hebben Uw toorn verdiend, maar wij smeken om Uw gunst, en als wij U gunstig voor ons mogen bevinden, dan zijn wij gelukkig, dan zal de benauwdheid, waarin wij verkeren, ons niet schaden, ons niet ten verderve brengen. Het is tevergeefs om hulp te verwachten van het schepsel, wij stellen geen vertrouwen in de Egyptenaren, maar wij hebben alleen op U gewacht, met het besluit om ons aan U te onderwerpen, hoe ook de afloop zal zijn van deze benauwdheid, hopende dat die afloop goed en troostrijk voor ons zijn zal." Zij, die door het geloof nederig wachten op God, zullen gewis bevinden dat Hij hun genadig is. Zij bidden: 1. Voor hen, die in militairen dienst voor hen gebruikt werden: "Wees hun arm iedere morgen, Hizkia en zijn vorsten en al de krijgslieden hebben het nodig, dat Gij hun voortdurend en gestadig kracht en moed geeft, voorzie dus in hun behoefte, en wees hun een algenoegzaam God. Laat hen iedere morgen, als zij uitgaan op het werk van de dag, misschien nieuw werk te doen hebben, en nieuwe moeilijkheden zullen ontmoeten, opnieuw bezield worden met kracht en moed, en laat dan hun kracht zijn als hun dag." In onze geestelijke strijd zijn onze eigen handen ons niet genoeg, noch kunnen wij iets tot stand brengen, tenzij God niet alleen onze armen sterkt, maar zelf onze arm is, Genesis 49:24, zo geheel en volstrekt zijn wij afhankelijk van Hem als onze arm iedere morgen, zo voortdurend steunen wij op Zijn macht, zowel als op Zijn barmhartigheden, die, iedere morgen nieuw zijn, Klaagliederen 3:23. Indien God ons op enige morgen aan onszelf overlaat, dan zijn wij verloren, daarom moeten wij ons iedere morgen Hem aanbevelen, en uitgaan in Zijn kracht om het werk van de dag te doen op zijn dag.
2. Voor de massa van het volk: Wees Gij daartoe ook onze behoudenis ten tijde van de benauwdheid, van ons, die stilzitten en ons niet wagen op de hoogten van het veld." Zij steunen op God niet alleen als hun behouder om verlossing voor hen te werken, maar als hun behoudenis zelf, want, hoe het ook moge gaan met hun tijdelijke belangen, zij achten zich veilig en behouden, als zij Hem tot hun God hebben. Als Hij het op zich neemt om hun behouder te zijn, dan zal Hij hun behoudenis wezen, want Gods werk is volmaakt. Sommigen lezen dit aldus: "Gij, die iedere morgen hun arm waart, die de voortdurende kracht en hulp waart van onze vaderen voor ons, "wees ook onze behoudenis ten tijde van de benauwdheid, " help ons, Gij, die hen geholpen hebt. "Zij hebben op U gezien en werden verlicht," Psalm 34:6, laat ons dan niet in duisternis wandelen."
III. Het Assyrische leger vernietigd, en hun kamp tot een rijke, goedkope en gemakkelijke prooi gemaakt voor Juda en Jeruzalem. Niet zodra is het gebed opgezonden, vers 2, of het is verhoord, vers 3, ja het wordt overtroffen. Zij baden dat God hen verlossen zou van hun vijanden, maar Hij doet meer dan dat, Hij geeft hun de overwinning over hun vijanden en overvloedige stof tot juichen, want:
1. De sterkte van het Assyrische legerkamp is gebroken, vers 3, toen de verderfengel zoveel duizenden van hen doodde, van het geluid des rumoers, of de kreten van de stervende soldaten, die, naar wij kunnen veronderstellen, niet stil en zwijgend zijn gestorven, zijn de overigen van het volk gevloden, en heeft ieder zo goed hij kon een goed heenkomen gezocht, toen God zich aldus verhief, zijn de verschillende volken of stammen, waaruit het leger was samengesteld, verstrooid geworden. Het was tijd om op te staan en zich te redden, toen zo'n voorbeeldeloze pestilentie onder hen uitbrak. Als God opstaat, worden Zijn vijanden verstrooid, Psalm 68:2.
2. De buit van het Assyrische leger wordt geroofd bij wijze van wedervergelding voor al de verwoestingen van de vaste steden van Juda vers 4.uw buit zal verzameld worden door de inwoners van Jeruzalem gelijk de rupsen verzameld worden en gelijk het heen en weer lopen van de sprinkhanen, vers 4, de berovers zullen zich even snel en gemakkelijk meester maken van de schatten van de Assyriërs, als een leger van rupsen of sprinkhanen een veld of een boom kaal afvreten. Zo wordt het vermogen van de zondaar weggelegd voor de rechtvaardige, en wordt Israël verrijkt met de buit van de Egyptenaren. Sommigen houden het er voor dat de Assyriërs de rupsen en sprinkhanen zijn, die als zij gedood zijn, bijeen verzameld worden op hopen, zoals de kikvorsen van Egypte, waarna er overheen wordt gelopen, en zij onder de voeten vertreden worden.
IV. God en Zijn Israël hierdoor verheerlijkt en verhoogd. Als de buit van de vijand aldus verzameld is:
1. Dan zal God er de lof voor ontvangen, vers 5. De Heere is verheven. Het is zijn eer om hoogmoedige mensen aldus te vernederen, en hen tezamen in het stof te verbergen, aldus maakt Hij Zijn naam groot, en Zijn volk geeft er Hem de eer voor, zoals Israël toen de Egyptenaren in de Rode Zee waren verdronken Exodus 15:1, :2 en verv. Hij is verheven als één, die in de hoogte woont, buiten het bereik van hun rasteringen, en een overheersende macht over hen heeft en er zich in verlustigt om te tonen dat Hij in hetgeen, waarin zij trots handelen, boven hen is, die doet wat Hij wil, en zij kunnen Hem niet weerstaan.
2. Zijn volk zal er de zegen van hebben. Als God opstaat om de volken te verstrooien, die zich tegen Jeruzalem verbonden hebben vers 3, dan heeft Hij als een toebereiding daarvoor, of als de vrucht en het voortbrengsel ervan, Zion vervuld met gericht en gerechtigheid, niet alleen met een besef van, een gevoel voor recht, meer met een ijver er voor en een algemene zorg, dat het goed en behoorlijk bedeeld zal worden. Zij zal wederom de stad van de gerechtigheid genoemd worden, Hoofdstuk 1:26. Hierin wordt de genade Gods evenzeer verhoogd, als Zijn voorzienigheid verhoogd was in het verderf van het Assyrische leger. Wij kunnen geloven dat God genade heeft weggelegd voor een volk, als Hij het vervult met recht en gerechtigheid, als allerlei soort van mensen en al hun daden en zaken er door bestuurd en geregeerd worden en zij er zo van zijn vervuld, dat geen andere bedenkselen of overwegingen hen er tegen kunnen innemen. Hizkia en zijn volk worden aangemoedigd vers 6, met een verzekering, dat God hen zei bijstaan in hun nood. Hier is:
A. Een genaderijke belofte Gods voor hen om op te steunen: de vastigheden van uw tijden, de sterkte van uw behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis. Hier is een begerenswaardig doel voorgesteld, en dat is: vastigheden van onze tijden, dat de dingen in het eigen land niet verstrooid worden en uit de voegen geraken, en de sterkte van de behoudenissen, verlossing van en voorspoed tegen vijanden van buiten. In de verlossing, die God verordineert voor Zijn volk, is sterkte, het is een hoorn van de zaligheid, van de verlossing. En hier is de weg en het middel om tot dat doel te komen: wijsheid en kennis, niet alleen Godsvrucht, maar wijsheid. Deze is het, die door de zegen van God de vastigheid van onze tijden en de sterkte onder verlossing zal zijn, die wijsheid, welke ten eerste zuiver en daarna vreedzaam is, en particuliere belangen opoffert aan het algemeen welzijn, zo'n wijsheid zal waarheid en vrede bevestigen, en de bolwerken ter verdediging ervan versterken.
B. Een Godvruchtig grondbeginsel voor Hizkia en zijn volk, om er zich door te laten regeren- de vreze des Heeren is zijn schat, vers 7, het is Gods schat in Zijn woord, waarvan Hij Zijn schatting ontvangt, of liever, het is de schat van de vorst. Een goed vorst houdt het daarvoor, dat wijsheid beter is dan goud, en aldus zal hij het ook bevinden. De ware Godsdienst is de ware schat van iedere vorst en ieder volk, hij duidt hen aan als rijken. De plaatsen waar veel bijbels en leraren zijn, en een ernstig, vroom volk is, zijn wezenlijk rijk, en dragen bij tot hetgeen een volk rijk maakt in deze wereld, daarom heeft een volk er belang bij om de Godsdienst te steunen, en zich in acht te nemen voor al hetgeen hem in de weg staat. V. De grote benauwdheid, die over Jeruzalem is gekomen, beschreven, opdat zij, die de profeet geloofden, van tevoren zouden weten welke beroeringen er komen zullen, en er zich op zouden bereiden, en opdat, als de voorgaande belofte van verlossing vervuld zal zijn, de herinnering aan hun uiterste nood er toe zou bijdragen om er God in te verheerlijken, en hen des te meer dankbaar zou maken, vers 7-9. Hier wordt voorzegd:
1. Dat de vijand zeer onbeschaamd, zeer beledigend zal zijn, en er met hem niet gehandeld zal kunnen worden, hetzij over de vrede, want hij heeft het verbond verbroken, hij heeft zelfs niet geaarzeld om het te verbreken, alsof het beneden hem was om aan zijn woord gebonden te zijn, of over de oorlog, want hij heeft de steden veracht, hij versmaadt het om notitie te nemen, hetzij van hun beroep op gerechtigheid, of van hun bede om genade. Hij maakt er zich zo gemakkelijk meester van, - hoewel zij vaste steden genoemd worden-en ontmoet er zo weinig tegenstand bij, dat hij ze veracht, en geen mededogen kent als hij alle inwoners over de kling jaagt want hij acht geen mens, hij heeft geen medelijden, zelfs niet met hen, jegens wie hij bijzondere verplichtingen heeft. Hij vreest God niet en ontziet geen mens, maar gedraagt zich hoog en gebiedend jegens iedereen. Er zijn van de zodanigen, die er roem in stellen om het gehele mensdom te vertreden, die noch eerbied hebben voor de verwaardigen, noch medelijden met de ellendigen.
2. Dat hij daarom tot geen voorwaarden van verzoening gebracht kan worden. De allersterksten van Jeruzalem, niet tegen hem bestand zijnde, moeten zich gedwee door geweld en gedruis laten terneerwerpen hetgeen hen naar buiten doet roepen, omdat zij hun land niet kunnen dienen, zoals zij het tegen een billijke tegenstander hadden kunnen dienen. De boden door Hizkia gezonden, om over de vrede te onderhandelen, hem zo hoogmoedig en onhandelbaar vindende, zullen bitterlijk wenen uit ergernis om de teleurstelling, die zij ondervonden hebben bij hun onderhandeling, zij zullen wenen als kinderen, daar zij er aan wanhopen om een middel te vinden, waardoor hij bevredigd kan worden.
3. Dat het land voor een tijd geheel treurig zal zijn, eenzaam en als verlaten vanwege zijn leger.
A. Niemand durfde de wegen bereizen, zodat handel en bedrijf stilstonden, en-hetgeen nog erger was-niemand kon veilig naar Jeruzalem opgaan om de plechtige feesten te vieren. de gebaande wegen zijn verwoest. Terwijl de velden woest liggen, vertreden zoals de wegen zijn de gebaande wegen verwoest onbetreden als de velden, want de reiziger die door de paden gaat, houdt op.
B. Niemand had enig voordeel van de grond, vers 9. De aarde placht zich te verheugen in haar voortbrengselen ten dienste van Gods Israël, maar nu eten de vijanden van Israël die op, of vertreden ze, het land treurt en kweelt, het heeft een droevig aanzien, en op het aangezicht van de landlieden staat ellende te lezen daar het hun en hun gezin aan het nodige voedsel ontbreekt. De gewone vreugde van de oogst is in een klaaglied veranderd, zo vergankelijk en onzeker is alle aardse vreugde en genot. De verwoesting, de verlatenheid is algemeen, dat deel van het land, hetwelk aan de tien stammen behoorde, was reeds verwoest geworden, de Libanon, vermaard om zijn ceders, Saron om zijn rozen, Basan om zijn vee, Karmel om zijn koren, allen zeer vruchtbaar, zijn nu als een woestijn geworden, zij schamen zich om bij hun oude naam genoemd te worden, daar zij zo ongelijk zijn aan hetgeen zij waren. Zij schudden hun vruchten af voor de tijd in de hand van de berover, die op de bestemde tijd plachten verzameld te worden door de hand van de eigenaar. VI. God, ten laatste verschijnende in Zijn heerlijkheid tegen de aanrander, vers 10-12. Als de dingen aldus tot het uiterste gebracht zijn,
1. Zal God zich grootmaken. Hij scheen neer te zitten als een onverschillig toeschouwer. "Maar nu zal Ik opstaan, zegt de Heere, nu zal Ik verschijnen en handelen, en daarin zal Ik niet slechts blijkbaar gezien, maar verheerlijkt worden." Hij zal niet slechts klaarlijk bewijzen dat er een God is, die recht doet op de aarde, maar dat Hij God is over allen en hoger is dan de hoogste. Nu zal Ik opstaan, Mij verheffen, mij tot handelen bereiden, zal Ik krachtdadiglijk handelen en erin verheerlijkt worden. Gods tijd, om voor Zijn volk te verschijnen, is wanneer hun zaken het slechtst staan, "als de hand, dat is hun kracht, is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is," Deuteronomium 32:36. Als alle andere helpers falen, dan is het Gods tijd om te helpen.
2. Hij zal de Assyriër naar beneden brengen. "Gij, o Assyriërs, zijt zwanger van de hoop dat gij al de schatten van Jeruzalem in bezit zult krijgen, tot uw eigendom zult maken, en gij zijt in pijn en smart totdat dit zo is, maar al uw hoop zal vernietigd worden. Gij gaat met stro zwanger en gij zult stoppelen baren, die niet slechts waardeloos zijn en nergens toe deugen maar brandbaar zijn en geschikt voedsel voor het vuur, waaraan zij niet ontkomen kunnen, als uw eigen adem als vuur u zal verteren. De adem van Gods toorn, tegen u opgewekt door de adem van uw zonde, uw boosaardige adem, de dreiging en moord, die gij blaast tegen het volk van God, zal u en uw lasterlijke adem tegen God en Zijn naam verteren. God zal hun eigen tong tegen hen doen aanstoten, en hun eigen adem zal het vuur aanblazen, dat hen verteert. En dan is het geen wonder, dat de volken zullen zijn als de verbranding van de kalk in een kalkoven, allen tezamen ontbrandende, en als doornen, die verdord en droog zijn en daarom gemakkelijk vlam kunnen vatten en spoedig verbrand zijn. Zodanig was de vernietiging van het Assyrische leger, het was als het verbranden van doornen, die goed gemist kunnen worden, of het verbranden van kalk waardoor hij goed voor iets wordt. De verbranding van dat leger verlichtte de wereld met de kennis van Gods macht en deed Zijn naam helder schitteren.