Job 5:6-16
Elifaz had, door te spreken van het verlies van zijn bezitting en de dood van zijn kinderen, als de rechtvaardige straf voor zijn zonde, een zeer tere snaar bij Job aangeroerd, om hem nu niet tot wanhoop te brengen, begint hij hem hier te bemoedigen, en stelt hem op de weg om gerust te zijn. Nu verandert hij ten zeerste zijn stem, Galaten 4:20, en spreekt met zachtheid tot Job, als om vergoeding te doen voor de harde woorden, die hij hem had gegeven.
I. Hij wijst hem er op, dat geen beproeving bij geval komt, noch aan tweede of ondergeschikte oorzaken moet toegeschreven worden. Uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde. Het komt niet natuurlijkerwijs op zekere tijden van het jaar, zoals natuurlijke voortbrengselen, door een aaneenschakeling van tweede, of ondergeschikte oorzaken. De evenredigheid tussen voorspoed en tegenspoed is door de Voorzienigheid niet zo nauwkeurig in acht genomen als die tussen dag en nacht, zomer en winter, maar wordt geregeld naar de wil en de raad van God, wanneer en zoals Hij het geschikt oordeelt. Sommigen lezen dit: De zonde komt niet voort uit het stof, noch de ongerechtigheid uit de aarde. Als de mensen slecht zijn, dan moeten zij de schuld niet geven aan de grond, of de aarde, aan het klimaat, of de sterren maar aan zichzelf: zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen. Wij moeten onze beproevingen niet toeschrijven aan het geluk, want zij komen van God, noch onze zonden aan het noodlot, want zij komen uit onszelf, zodat, welk verdriet ons ook treft, wij moeten erkennen dat God het ons zendt en dat wij het onszelf berokkenen, het eerste is een reden waarom wij zeer geduldig moeten zijn, het laatste waarom wij zeer berouwvol en boetvaardig moeten wezen als wij beproefd worden.
II. Hij herinnert hem er aan, dat moeite en verdriet datgene is wat wij in deze wereld hebben te verwachten. De mens wordt tot moeite geboren, vers 7, niet als mens (indien hij in zijn onschuld had volhard, hij zou geboren zijn tot genot en genoegen), maar als zondige mens, als geboren van een vrouw Hoofdst. 14:1, die in de overtreding was. De mens is in zonde geboren, en daarom tot moeite geboren. Zelfs zij, die tot eer en rijkdom zijn geboren, zijn toch geboren tot moeite in het vlees. In onze gevallen toestand is het natuurlijk voor ons geworden om te zondigen, en het natuurlijk gevolg daarvan is moeite en verdriet, Romeinen 5:12. Er is in deze wereld niets waartoe wij geboren zijn, en dat wij in waarheid het onze kunnen noemen, dan zonde, moeite en verdriet, zij zijn als de vonken, die zich verheffen tot vliegen. Dadelijke, werkelijke overtredingen zijn de vonken, die uit het fornuis van het oorspronkelijk bederf vliegen, "van de moederschoot af" "overtreders genoemd zijnde, is" het geen wonder dat wij "geheel" "trouwelooslijk handelen," Jesaja 48:8. Zodanig is ook de broosheid van ons lichaam en de ijdelheid van al onze genietingen, dat ook onze kwellingen daar even natuurlijk uit voortkomen als vonken zich verheffen tot vliegen, zo talrijk zijn zij, zo snel volgen zij op elkaar. Waarom zouden wij dan verwonderd zijn over onze beproevingen, alsof zij iets vreemds waren, of er tegen murmureren als hard, als zij toch slechts zijn hetgeen waartoe wij zijn geboren? De mens is tot arbeid geboren, zo heeft het de kanttekening, is veroordeeld om in het zweet zijns aanschijns zijn brood te eten, hetgeen hem moet harden voor hardheid, en hem zijn beproevingen te beter moet doen dragen.
III. Hij zegt hem hoe hij zich onder zijn beproeving heeft te gedragen, vers 8. Ik zou naar God zoeken, gewis ik zou naar God zoeken, zo luidt het oorspronkelijke. Hier is: 1. Een stilzwijgende bestraffing voor Job omdat hij niet naar God zocht, maar met Hem twistte. "Job, indien ik in uw toestand ware geweest, ik zou zo misnoegd en hartstochtelijk niet geweest zijn als gij zijt, ik zou in de wil van God hebben berust." Het is gemakkelijk te zeggen wat wij gedaan zouden hebben, indien wij in deze of die toestand waren geweest, maar als het op stuk van zaken aankomt, dan zal het misschien niet zo gemakkelijk gevonden worden om te doen wat wij zeggen.
2. Zeer goede en gepaste raad aan hem, die Elifaz in overdrachtelijke wijze van spreken zichzelf schijnt te geven. "Wat mij betreft, het beste wat ik zou kunnen doen als ik in uw toestand was, zou wezen mij tot God te wenden." Wij moeten onze vrienden geen andere raad geven, dan die wij zelf zouden volgen indien wij in hun toestand waren, om rustig te zijn onder onze beproevingen, er goed aan te ontlenen, en er een goed einde aan te zien.
a. Wij moeten door het gebed genade en barmhartigheid van God verkrijgen, naar Hem zoeken als een Vader en een Vriend, al is het ook dat Hij met ons twist, als één, die alleen instaat is ons te ondersteunen en te helpen. Zijn gunst moeten wij zoeken, als wij alles in de wereld verloren hebben, tot Hem moeten wij ons wenden als de oorsprong en Vader van alle goed, alle vertroosting. Is er iemand in lijden? dat hij bidde. Dat is troost voor het hart dat is een balsem voor iedere wond.
b. Wij moeten in geduld en lijdzaamheid ons en onze zaak aan Hem overgeven. " Tot God zou ik mijn aanspraak richten, mijn zaak Hem voorgelegd hebbende, zou ik haar nu ook aan Hem overlaten, haar Hem in handen geven. Hier ben ik de Heere doe mij wat goed is in Zijn ogen." Indien onze zaak waarlijk een goede zaak is, dan behoeven wij niet te vrezen om haar aan God toe te vertrouwen. Zij, die in hun zoeken wel willen slagen, moeten zich aan God overgeven.
IV. Hij moedigt hem dus aan God te zoeken en Hem zijn zaak over te geven. Het zal niet tevergeefs zijn dit te doen, want Hij is één, in wie wij krachtdadige hulp zullen vinden. Hij beveelt Gods almachtige kracht en souvereine heerschappij in zijn overweging aan.
1. In het algemeen: Hij doet grote dingen, vers 9 grote dingen in waarheid, want Hij kan alles doen, Hij doet ook werkelijk alles, en alles naar de raad van Zijn wil, wel waarlijk grote dingen, want de werkingen van Zijn macht zijn:
A. Ondoorgrondelijk zij kunnen nooit "van het begin tot het einde" "uitgevonden worden," Prediker 3:11. De werken van de natuur zijn verborgenheden, de nauwkeurigste onderzoekingen blijven ver achter bij volledige ontdekkingen, en de grootste wijsgeren hebben erkend dat zij er voor verlegen staan. Nog veel dieper en ondoorgrondelijker zijn de plannen en bedoelingen van de Voorzienigheid, Romeinen 11:33.
B. Talrijk, zij kunnen niet geteld worden. Hij doet talloze grote dingen, Zijn macht is nooit uitgeput, en al Zijn voornemens zullen niet voor het einde van de tijd vervuld worden.
C. Zij zijn wonderlijk en kunnen nooit genoeg bewonderd worden, de eeuwigheid zelf zal nog kort genoeg zijn om doorgebracht te worden in de bewondering ervan. Met de overweging hiervan nu bedoelt Elifaz: a. Job te overtuigen van zijn schuld en dwaasheid om met God te twisten. Wij moeten de waan niet koesteren dat wij Gods werken kunnen beoordelen, want zij zijn ondoorgrondelijk en ver boven ons vermogen van navorsen, ook moeten wij niet twisten met onze Maker, niet met Hem strijden, want Hij zal ons voorzeker te sterk zijn, en Hij kan ons in een oogwenk verpletteren.
b. Om Job aan te moedigen om naar God te zoeken en zich tot Hem te werden. Wat is meer bemoedigend dan te zien, dat het Zijn macht is? Hij kan grote en wonderlijke dingen doen tot onze hulp en redding, al zijn wij ook nog zo naar de diepte gebracht, in nog zo groten nood gekomen.
2. Hij geeft enige voorbeelden van Gods heerschappij en macht.
A. God doet grote dingen in het rijk van de natuur: Hij geeft regen op de aarde, vers 10, dat is hier genomen voor alle gaven van de algemene voorzienigheid, al de vruchtbare jaargetijden, waarmee Hij "onze harten vervult met spijs en vrolijkheid," Handelingen 14:17.
Merk op: Als hij wil aantonen wat grote dingen God doet, spreekt hij van Zijn geven van regen omdat dit een gewone, algemene zaak is, wij komen er licht toe om het als iets kleins of gerings te beschouwen, maar als wij er over nadenken hoe hij wordt voortgebracht, en wat er door wordt voortgebracht, dan zullen wij zien, dat het een groot werk is, een werk beide van macht en van goedheid.
B. Hij doet grote dingen ten opzichte van de zaken van de kinderen van de mensen, niet alleen verrijkt Hij door de zegen, die Hij zendt, de armen, en vertroost Hij de nooddruftigen, maar, teneinde de vernederden in het hoge te stellen, maakt Hij de gedachten van de arglistiger teniet, want vers 11 moet saamgevoegd worden met vers 12, en vergeleken worden met Lukas 1:51-53 :"Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in" "de gedachten van hun harten" en zo heeft Hij "de nederigen verhoogd" en "de hongerigen met goederen vervuld."
Zie:
a. Hoe Hij teniet maakt de gedachten of raadslagen van de arglistigen, vers 12-14. Er is een oppermacht, die de mensen bestuurt en beheerst, die zich volkomen vrij en onafhankelijk wanen, en haar eigen doeleinden tot stand brengt in weerwil van hun plannen.
Merk op:
Ten eerste. De verdraaiden, die in tegenheid wandelen met God en de belangen van Zijn koninkrijk tegenstaan, zijn dikwijls zeer listig, want zij zijn het zaad van de oude slang, die bekend was om haar arglistigheid. Zij denken wijs te zijn, maar in het einde zijn zij dwazen.
Ten tweede. De verdraaide, hovaardige vijanden van Gods koninkrijk hebben hun beraadslagingen, hun ondernemingen ertegen, en tegen de getrouwe onderdanen ervan. Zij zijn rusteloos en onvermoeid in hun plannen geheimhoudend in hun beraadslagingen, hebben hoge verwachtingen, zij zijn listig in hun staatkunde en vast aaneengesloten in hun verbonden, Psalm 2:1, 2. Ten derde. God kan al de beraadslagingen van Zijn- en de vijanden van Zijn volk gemakkelijk tenietdoen, en in zoverre het strekt tot Zijn eer en verheerlijking zal Hij het. Hoe zijn niet de komplotten van Achitofel, Sanballat en Haman verijdeld! de verbondenen van Syrië en Efraïm tegen Juda, van Gebal, en Ammon, en Amalek tegen Gods Israël, de koningen van de aarde en de vorsten tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde, verbroken! De handen, die uitgestrekt waren tegen God en Zijn kerk, hebben hun onderneming niet volvoerd, en de wapens, die tegen Zion bereid waren, waren niet voorspoedig.
Ten vierde. Hetgeen de vijanden beraamd hebben voor het verderf van de kerk, is dikwijls op hun eigen verderf uitgelopen vers 13. "Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid, verstrikt hen in het werk van hun handen," Psalm 7:16, 17, 9:16, 17. Dit wordt aangehaald door de apostel, 1 Corinthiers 3:19, om te tonen, hoe de geleerden van de heidenen door hun eigen ijdele filosofie misleid waren.
Ten vijfde. Als God de mensen verdwaast, dan staan zij verlegen, weten zich niet te redden, zelfs die dingen, welke heel eenvoudig en duidelijk zijn, begrijpen zij niet, vers 14. Zij ontmoeten de duisternis zelfs des daags, ja meer, zij storten zich in duisternis, zoals de kanttekening het heeft, door het geweld en de overijling van hun eigen raadslagen. Zie Hoofdst. 12:20-24, 25.
b. Hoe Hij de zaak van de armen en nederigen begunstigt.
Ten eerste. Hij verhoogt de nederige, vers 11. Hen, die trotse mensen zoeken te verpletteren, heft Hij op van onder hun voeten, en zet hen in behoudenis, Psalm 12:6. De nederige van hart en hen die treuren, verhoogt en vertroost Hij, doet Hij "in de hoogten wonen, in de sterkten van de steenrotsen," Jesaja 33:16. Zions treurenden zijn de verzegelden, die getekend zijn ter behoudenis, Ezechiël 9:4.
Ten tweede. Hij verlost de verdrukten, vers 15. De raadslagen van de arglistiger hebben ten doel de armen te verderven, te die einde worden tong en hand en zwaard, ja alles, door hen te werk gesteld, maar God neemt onder Zijn bijzondere bescherming hen, die arm zijnde en onmachtig om zichzelf te helpen, Zijn armen zijnde en toegewijd aan Zijn lof, zich aan Hem hebben overgegeven. Hij verlost hen van de mond, die harde dingen tegen hen spreekt, en van de hand, die harde dingen tegen hen doet, want Hij kan, als het Hem behaagt, de tong breidelen en de hand doen verdorren.
De uitwerking van dit alles, vers 16.
1. Dat zwakke en vreesachtige heiligen vertroost worden: zo is voor de arme, die begon te wanhopen, verwachting of hoop. De ervaringen van sommigen zijn bemoedigingen voor anderen om zelfs in de slechtste tijden het beste te hopen, want het is de heerlijkheid van God hulp te zenden aan de hulpelozen en hoop aan de hopelozen.
2. Dat vermetele, dreigende zondaren beschaamd worden: de boosheid stopt haar mond toe, verbaasd zijnde over het vreemde, het wonderlijke van de verlossing, en beschaamd over haar vijandschap tegen hen, die de gunstgenoten van de hemel blijken te zijn, vernederd onder de teleurstelling, en genoodzaakt om de rechtvaardigheid te erkennen van Gods handelingen, daar zij er niets tegen hebben in te brengen. Zij, die heerschappij voerden over Gods armen, hen verschrikten en dreigden en valselijk beschuldigden, zullen geen woord tegen hen te zeggen hebben, als God voor hen verschijnt. Zie Psalm 76:9, 10, Jesaja 26:11, Micha 7:16.