Jesaja 46:1-4
Ons wordt hier gezegd:
1. Dat de valse goden zeker hun aanbidders in de steek zullen laten als deze hen het meest nodig zullen hebben, vers 1, 2. Bel en Nebo waren twee beroemde afgoden van Babylon, sommigen houden de naam Bel voor een samentrekking van de naam Baäl, anderen denken dat het de naam is van Belus, een van hun eerste koningen die bij zijn dood vergood werd. Gelijk Bel een vergood vorst zou zijn, zo was Nebo, naar sommiger mening, een vergood profeet, want de naam Nebo betekent profeet, zodat Bel en Nebo hun Jupiter en Mercurius of Apollo waren. Barnabas en Paulus werden te Lystre voor Jupiter en Mercurius gehouden. De namen van deze goden waren opgenomen in de namen van hun vorsten, Bel in Belsasar, Nebo in Nebukadnezar, in Nebuzaradan enz. Deze goden hadden zij lang vereerd, en in hun gedichten geprezen voor al hun daden, gelijk Daniël 5:4 blijkt. Zij meenden tegenover Israël dat Bel en Nebo te sterk waren voor Jahweh, zodat Israëls God hen wel in ballingschap laten moest. Opdat de arme gevangenen daardoor niet ontmoedigd zouden worden, voorzegt God hun hier wat er van die afgoden worden zal, die nu naar `t scheen hun te machtig waren. Als Cyrus Babylon inneemt, gaan deze goden te gronde. De overwinnaars waren gewoon de goden van de plaatsen en volken, die zij tenonder brachten, te vernielen en daarvoor hun eigen goden in plaats te stellen, Jesaja 37:19. Cyrus zal dat ook doen, en dan zullen Bel en Nebo, die zo hoog opgericht waren en zo'n voornaam, krachtig en voortreffelijk aanzien hadden, gekromd en nedergebogen worden onder de voeten van de krijgslieden, die hun tempels plunderen zullen. En omdat zij met veel goud en zilver beladen waren, dat diende om hen te versieren, maar nu blijken zal hen tot een begeerlijke prooi te maken, worden zij met het overige van de buit weggevoerd, de paarden en muilezels worden er mee beladen, en met de andere afgoden, die ook naar Perzië gevoerd worden. Zover is het er vandaan dat zij hun aanbidders kunnen steunen, dat zij zelf een zware last in de wagens en een drukkende vracht voor de vermoeide beesten zijn. De afgoden kunnen elkaar niet helpen. Samen zijn zij neergebogen en gekromd, zij zijn allen gelijk, bezwijkende dingen, en hun dag om te vallen is gekomen, hun aanbidders kunnen hen niet helpen-zij kunnen de vracht niet uit de handen van de vijanden redden, maar beide, de afgoden en hun vereerders, gaan in de gevangenis. Derhalve moet Gods volk voor geen van beide vrezen. Toen de ark Gods door de Filistijnen weggevoerd was, bleek zij een last te zijn, niet voor de beesten, maar voor de overwinnaars, die genoodzaakt werden haar terug te zenden. Maar wanneer Bel en Nebo in de gevangenis gaan moeten hun aanbidders voor goed afscheid van hen nemen, want zij zullen zich nooit herstellen.
II. De ware God zal zijn vereerders nooit te weinig zijn. "Gij hoort wat er van Bel en Nebo geworden is: hoort nu naar mij, gij huis Jakobs, vers 3 en 4. Ben Ik deze goden gelijk? Neen, ofschoon gij diep verlaagd zijt en het huis Israëls slechts een overblijfsel geworden is, was God altijd, is Hij en zal Hij altijd zijn, hun machtige en getrouwe beschermer.
1. Gods Israël moet Hem de eer geven dat Hij tot hiertoe altijd vriendelijk voor hen geweest is, zorgvuldig, teder, over hen gewaakt en alle dingen ten beste gekeerd heeft. Het moet toestemmen:
a. Dat Hij hen gedragen (hen gemaakt) heeft van de aanvang af. Van de moederschoot af. Welke moederschoot? Welke anders dan die van zijn barmhartigheid, genade en belofte? Hij heeft hen tot een volk geformeerd en hun zijn inzettingen gegeven. Iedere gelovige is hetgeen God hem maakt. b. Hij heeft hen verder voortdurend opgenomen, Ik heb u gedragen van de moederschoot af en opgenomen van de baarmoeder af. God heeft van de aanvang af hun goed gedaan, zodra zij tot een volk geformeerd waren, ja zelfs toen zij nog vreemdelingen en weinigen in getal waren. God nam hen onder zijn bijzondere bescherming, en "liet niemand toe hen kwaad te doen," Psalm. 105:12-14. In de kindsheid van hun staat, toen zij niet alleen dwaas en hulpeloos als kinderen waren, maar tegenstrevend en murmurerend, heeft God hen in de armen van zijn macht en liefde gedragen, "hen gedragen als op adelaarsvleugelen," Exodus 19, 4, Deuteronomium 32:11. Mozes had "geen geduld genoeg, om hen te dragen gelijk een voedster vader de zuigeling in zijn armen draagt," Numeri 11:12. Maar God heeft hen gedragen en "hun zeden verdragen," Handelingen 13:18. En God begon er vroeg mee om hun goed te doen, toen Israël een kind was heb Ik hem liefgehad, Hij heeft voortdurend hun welgedaan, van de moederschoot af tot op deze dag. En wij kunnen allen van God getuigen dat Hij voor ons even genadig geweest is, van de moederschoot af heeft Hij ons opgenomen, van de baarmoeder af, anders waren wij bij de geboorte gestorven, en hadden de geest gegeven toen wij uit de baarmoeder voortkwamen. Wij zijn voortdurend de voorwerpen geweest van de vriendelijke zorg van zijn voorzienigheid, gedragen in zijn machtige armen en aan zijn liefhebbend en medelijdend hart. Zo is de nieuwe mens ook, hetgeen in ons van Godswege geboren is, werd uit Hem geboren, anders zou het spoedig gestorven zijn. Ons geestelijk leven wordt onderhouden door zijn genade, even noodzakelijk en onophoudelijk als ons natuurlijk leven door Zijn voorzienigheid. Alle heiligen hebben beleden dat God hen van de moederschoot af gedragen heeft en elkaar aangemoedigd met deze overweging, ook in hun grootste bezwaren, Psalm 22:10,11, 71:5, 6, 17.
2. Hij zal hun de gunst bewijzen van hen te beloven dat Hij hen nooit zal verlaten, Hij was hun de eerste en Hij zal hun de laatste zijn, die de aanvang van hun welzijn was zal er de voltooier van zijn, vers 4. Gij zijt van mij gedragen van de moederschoot af: Ik heb u als kleine kinderen gekoesterd en tot in de ouderdom zal Ik dezelfde zijn, die U in al uw zwakheden en gebreken zal helpen evenals Ik in uw kindsheid deed. Israël begon nu oud te worden, evenals het verbond, dat met hen gesloten was, Hebreeën 8:13, "Grauwheid was op hem verspreid," Hosea 7:9. En zij hadden hun ouderdom met de daaraan verbonden gebreken verhaast door hun ongeregeldheden, maar God zal hen nu niet verwerpen, Hij zal hen niet begeven als de kracht vergeet, Hij blijft hun God en zal hen blijven dragen in dezelfde eeuwige armen, die in Mozes tijd onder hen gelegd waren, Deuteronomium , 33:27. Hij heeft hen gemaakt en blijft belangstellen in hen, daarom zal Hij hen dragen, hen dragen met hun zwakheden, hen dragen onder al hun beproevingen, hen dragen en verlossen, Ik zal hen nu uit Babylon dragen op adelaarsvleugelen, gelijk Ik hen in hun kindsheid uit Egypte gedragen heb. De belofte voor Israël in zijn ouderdom is toepasselijk op iedere bejaarde Israëliet. God heeft zich genadig verbonden om zijn getrouwe dienstknechten te ondersteunen en te vertroosten ook in hun ouderdom. Zelfs in uw ouderdom, als gij voor werken ongeschikt wordt, als gij door allerlei zwakheden bevangen wordt, als wellicht zelfs uw nabestaanden u min of meer afkerig worden, ben Ik met u. Ik ben die Ik ben en die Ik geweest ben dezelfde die u opgenomen heeft van de baarmoeder af en gedragen van de moederschoot. Gij verandert maar Ik blijf dezelfde. Ik ben hetgeen Ik beloofd heb te zullen zijn, hetgeen gij Mij bevonden hebt te zijn, hetgeen gij Mij wenst te zijn. Ik zal u dragen en Ik zal u redden, u opnemen, u uitdragen, u op de weg dragen en u ten laatste in huis dragen.