13. En gij Zion zult zelf dit gericht aan hen volvoeren. Maak udan op en dors, o dochter Zions! vertreed de vijanden uwer goddelijke heerlijkheid in de kracht des Heeren, als een rund, dat over het uitgebreid koren gaat (om de korrels met de hoeven uit te treden
Deuteronomium 25:4). Dat zult gij vermogen, door Mij daartoe toegerust; want Ik zal uwen hoorn, even als bij een sterken stier, ijzer maken, en uwe klauwen koper maken; Ik zal u bekleden met onverwinbare kracht, en gij zult in Mijnen naam vele volken verpletteren: En Ik, de Heere, die deze Mijne vijanden door u versla, zal hunlieder gewin, het door roof en plundering verworven goed den HEERE verbannen, tot verheerlijking van Mijn rijk besteden (
Leviticus 27:28), en hun vermogenMij, den a) HEERE der ganse aarde, wien zij toekomt.
a) Zacharia 4:14; 6:5
Deze profetie heeft betrekking op de gebeurtenissen, welke reeds door Joël (Hoofdstuk 3); en later nog door Ezechiël (Hoofdstuk 38), Zacharia (Hoofdstuk 12) en in Openbaring 8:18, voorzegd worden, d. i. op den laatsten groten aanval van de volken der wereld, tegen de uit Babel (d. i. uit de macht der wereld) verloste en geheilige gemeente des Heeren, met de bedoeling, om de heilige Godsstad Zion van de aarde te verdelgen, waarvan de aanvallen der Syriërs (onder Antiochus Epifanes) en der overige volken, die rondom woonden, tegen het verbondsvolk onder de Makkabeën slechts ene zwakke afbeelding gaven. Beslissend voor deze bedoeling is de omstandigheid, dat de aanval der volken tegen het heilig geworden Zion, uit haat en vijandschap tegen zijne heiligheid is voortgekomen en de ontheiliging der stad ten doel heeft. Deze trek past in geen enkel opzicht op Jeruzalem en Juda in de tijden der Makkabeën, maar alleen op den tijd als Israël, uit Babel verlost, ene heilige gemeente Gods vormt, d. i. op den laatsten tijd der ontwikkeling van het rijk Gods, welke eerst met Christus is aangebroken, maar tot op heden nog niet tot volle werkelijkheid is geworden. Daaruit echter, dat later het heilig geworden Zion uit veel groter gevaar zal worden gered, dan dat is, waaruit het vooreerst niet wordt gered, daaruit, dat vervolgens het gelouterde en geheiligde Zion ene veel grotere vijandige macht zal overwinnen en vernietigen, dan die is voor welke het nu spoedig zal onderdoen, blijkt ten duidelijkste daaruit, dat het vooreerst aan de wereldmacht moet worden overgegeven, omdat het thans onheilig is.