Psalm 73:21-28
Zie Simsons raadsel opnieuw opgelost: Spijze ging uit van de eter, en zoetigheid ging uit van de sterke, want wij hebben hier een bericht van het goede gebruik, dat de psalmist gemaakt heeft van de sterke verzoeking, waardoor hij was aangevallen en bijna was overwonnen. Hij die struikelt en niet valt, die gaat met grotere schreden voorwaarts, zegt een bekend spreekwoord. Zo was het hier met de psalmist, hij had aan zijn verzoeking verscheidene goede lessen ontleend, evenals aan zijn strijden tegen en zijn overwinning er over. God zou ook Zijn volk niet verzocht laten worden, indien Zijn genade hun niet genoeg was, niet alleen om hen voor kwaad te behoeden, maar er hun nog winst uit te laten hebben, ook dit zal hun medewerken ten goede.
I. Hij heeft er door geleerd zeer nederig van zichzelf te denken, zich voor God te vernederen en te beschuldigen, vers 21, 22 Hij spreekt met schaamtegevoel over de wanorde en het gevaar, waarin hij had verkeerd, en de kwelling, die hij zichzelf aangedaan heeft door naar de verzoeking te luisteren en er mee te handelen. Als mijn hart opgezwollen was en ik in mijn nieren geprikkeld werd, als iemand, die door niergruis in de nierstreek gepijnigd wordt. Als te eniger tijd boze gedachten opkomen in het hart van een Godvruchtige, dan blijft hij ze niet koesteren, alsof zij hem lieflijk waren, neen, zij zijn hem smartelijk, de verzoeking was voor Paulus een doorn in het vlees, 2 Corinthiers 12:7. Deze bijzondere verzoeking, de werking van afgunst en ontevredenheid, is even pijnlijk als iedere andere, waar ze voortdurend blijft is zij verrotting van de beenderen, Spreuken 14:30, waar zij slechts nu en dan komt is het een prikkeling in de nieren. Gemelijkheid is een bederf, dat zichzelf straft.
En als hij er nu over nadenkt:
1. Erkent hij dat het zijn dwaasheid was om zich aldus te kwellen. Zo dwaas was ik, dat ik mijzelf gepijnigd heb." Laat gemelijke lieden zich aldus smaden om hun ontevredenheid, en er zich zo over schamen dat zij uit hun hart verdwijnt. Welk een dwaas ben ik, om mij aldus zonder oorzaak ongelukkig te maken!"
2. Hij erkent dat het zijn onwetendheid was, waardoor hij zich aldus heeft gekweld. "Zo onwetend was ik omtrent hetgeen ik had kunnen weten, en dat, zo ik het goed geweten had voldoende zou geweest zijn om al mijn murmureringen tot zwijgen te brengen. Ik was als een behemoth, een groot beest, bij U. Beesten geven alleen acht op het tegenwoordige, en zien nooit uit naar het toekomende, en dat heb ik gedaan. Indien ik geen grote dwaas ware geweest, dan zou ik aan zo'n onzinnige verzoeking niet zolang gehoor hebben gegeven. Wat! Goddelozen te benijden om hun voorspoed! Schier te wensen, dat ik een hunner was, met hen van toestand te willen ruilen 7 Zo dwaas was ik." Als Godvruchtige mensen, verrast en overvallen door de verzoeking soms verkeerd denken of spreken, of handelen dan zullen zij, als zij hun dwaling inzien, er met smart van spreken, met smart en schaamte en zelfverfoeiing, zij zullen er zich dwazen om noemen. "Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand," Spreuken 30:2, Job 42:5,6. Aldus David, 2 Samuël 24:10.
II. Hij nam er aanleiding uit om zijn vertrouwen op en zijn verplichtingen aan de genade Gods te erkennen, vers 23. "Evenwel", dwaas als ik ben, "zal ik geduriglijk bij U zijn en in Uw gunst hebt Gij mijn rechterhand gevat." Dit kan zien, hetzij 1. Op Gods zorg over hem, en de goedheid die Hij hem van de beginne totnutoe getoond heeft. In de ure van de verzoeking had hij gezegd: de gehele dag ben ik geplaagd, vers 14, maar hier bestraft hij zich om die hartstochtelijke klacht. Hoewel God mij gekastijd heeft heeft Hij mij toch niet verstoten, niettegenstaande al de kruisen van mijn leven, ben ik toch geduriglijk bij U geweest, ik heb Uw tegenwoordigheid bij mij ervaren, Gij waart mij nabij in alles, waarvoor ik U heb aangeroepen, en daarom ben ik wel in verwarring en verlegenheid, maar toch niet in wanhoop. Hoewel God soms bittere dingen tegen mij geschreven heeft, heeft Hij toch mijn rechterhand gevat, beide om er mij voor te behoeden dat ik Hem zou verlaten, en om mij er voor te bewaren dat ik onder mijn lasten zou nederzinken en bezwijken, of verdwalen zou in de woestijn waarin ik gewandeld heb." Als wij op de weg bij God zijn gehouden, dicht bij onze plicht werden gehouden, staande werden gehouden in onze oprechtheid, dan moeten wij erkennen dat wij onze bewaring aan de vrije genade Gods zijn verschuldigd. Hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag. En indien Hij aldus het geestelijk leven, de voorsmaak en het onderpand van het eeuwige leven, heeft ondersteund, dan behoren wij niet te klagen, welke rampen van de tegenwoordigen tijd ons ook getroffen mogen hebben. Of:
2. Op de ervaring, die hij nu onlangs gehad heeft van de kracht van Gods genade, waardoor hij onder deze sterke verzoeking staande is gebleven en er over heeft gezegevierd. "Ik ben dwaas en onwetend geweest, en toch hebt Gij medelijden met mij gehad en mij onderwezen" Hebreeën 5:2, en mij onder Uw bescherming gehouden, want van de mensen onwaardigheid staat Gods vrije genade niet in de weg. Onze veiligheid onder verzoeking en ons zegevieren er over moeten wij toeschrijven, niet aan onze wijsheid, want wij zijn dwaas en onwetend maar aan Gods genadige tegenwoordigheid bij ons, en het overmogende van Christus' voorbede voor ons, dat ons geloof niet ophoude. "Mijn voeten waren bijna uitgeweken, en ze zouden geheel en al uitgeweken zijn, zo Gij mijn rechterhand niet hadt gevat, en mij aldus voor vallen hadt behoed".
III. Hij moedigde zich aan in de hoop dat dezelfde God, die hem verlost had van dit boze werk, hem "bewaren zal tot Zijn hemels koninkrijk," zoals Paulus dit ook gedaan heeft, 2 Timotheus 4:18. "Ik werd thans door U ondersteund en staande gehouden, daarom zult Gij mij leiden door Uwen raad, mij, zoals Gij totnutoe gedaan hebt, menige moeilijke schrede helpen doen, en, daar ik nu geduriglijk bij U ben, mij daarna in heerlijkheid opnemen," vers 24. Dit maakt de gelukzaligheid van de heiligen volkomen, zodat zij geen reden hebben om de wereldlijken voorspoed van de zondaren te benijden. Allen, die zich overgeven aan God, zullen geleid worden door Zijn raad, door de raad beide van Zijn Woord en van Zijn Geest, de beste raadgevers. De psalmist had het bijna duur moeten boeten, in deze verzoeking zijn eigen raad gevolgd te hebben, en daarom besluit hij in het vervolg Gods raad te vragen, die aan hen, die hem waarlijk zoeken, nooit onthouden zal worden, en die raad dan te volgen. Allen die bestuurd en geleid worden door Gods raad in deze wereld, zullen opgenomen worden in Zijn heerlijkheid in een andere wereld. Indien wij ons Gods heerlijkheid in ons ten doel stellen dan zal Hij onze heerlijkheid bij Hem het einddoel maken, waarin wij voor eeuwig gelukkig zijn. Zo laat ons dan nooit zondaars benijden maar ons veeleer verblijden in onze gelukzaligheid. Als God ons leidt op de weg van onze plicht en ons afwijken ervan voorkomt, dan zal Hij ons daarna, als onze staat van beproeving en voorbereiding voorbij is, ontvangen in Zijn koninkrijk en Zijn heerlijkheid, het gelovig vooruitzicht daarop zal ons verzoenen met al de duistere beschikkingen van Zijn voorzienigheid, die ons thans zo raadselachtig voorkomen en ons zo in verlegenheid brengen, en ons verlossen van de pijn en smart, die ons door dreigende verzoekingen veroorzaakt werden. IV. Hierdoor werd hij opgewekt om zich zoveel dichter bij God te houden, en zeer bevestigd in de keus, die hij gedaan had toen hij Hem tot zijn deel had gekozen, vers 25, 26. Zijn gedachten vertoeven hier met verlustiging bij zijn eigen geluk in God, dat zoveel groter is dan het geluk van de goddelozen, die voorspoedig waren in de wereld. Hij zag weinig reden om hen te benijden wat zij hadden in het schepsel als hij bevond hoeveel meer en beter, gewisser en lieflijker vertroostingen hij had in de Schepper, en welke reden hij had om zich hierover geluk te wensen. Hij had geklaagd over zijn verdrukkingen, vers 14, maar dit maakt het licht en zeer gemakkelijk te dragen. Als God de mijne is, is alles wel. Wij hebben hier het verlangen van een geheiligde ziel naar God en haar rust in Hem, als datgene wat voor een godvruchtige werkelijkheid is, terwijl de voorspoed van de wereldling slechts een schijngeluk, een ijdele waan is. Wien heb ik nevens U in de hemel? Er is in al de psalmen nauwelijks een vers, dat de godvruchtige genegenheid van een ziel voor God sterker uitdrukt dan dit, zij stijgt hier tot Hem op, volgt Hem dicht achteraan, en heeft tegelijkertijd een algehele voldoening en welbehagen in Hem.
1. Hier wordt verondersteld dat God alleen het geluk en het voornaamste goed is van de mens. Hij, en Hij alleen, die de ziel gemaakt heeft, kan haar gelukkig maken, er is niemand in de hemel, niemand op de aarde buiten Hem, die hiertoe bij machte is.
2. Hier zijn het verlangen en de uitgangen van de ziel naar God uitgedrukt. Indien God ons geluk, onze zaligheid is.
A. Dan moeten wij Hem hebben Wien heb ik anders dan U? Wij moeten Hem kiezen, ons er van verzekeren dat wij deel aan Hem hebben. Wat zal het ons baten, dat Hij de zaligheid is van zielen, indien Hij niet de zaligheid is van onze ziel, en indien wij Hem niet door een levend geloof tot de onze maken, door ons met Hem te verenigen in een eeuwig verbond.
B. Dan moet onze begeerte naar Hem zijn onze verlustiging in Hem wezen, het woord heeft beide deze betekenissen, wij moeten ons verlustigen in hetgeen wij hebben in God, en begeren hetgeen waarop wij nog verder hopen. Onze begeerten moeten niet slechts opgezonden worden tot God, zij moeten allen eindigen in Hem, niets meer begerende dan God, maar wel al meer en meer van Hem begerende. Dit omvat al onze gebeden: Heere, geef ons Uzelf als hetgeen, waarin alle beloften vervat zijn: Ik zal hen een God zijn. De begeerte van onze ziel is naar Uw naam.
C. In onze keus en verlangen moet Hij boven ieder ander de voorkeur hebben.
a. "Nevens U lust mij ook niets op aarde, niets om het te zoeken, niets om op te vertrouwen, niets om er mee bekend te willen worden." God is in zichzelf heerlijker dan ieder hemels wezen, Psalm 89:7, en in onze ogen moet Hij oneindig begerenswaardiger zijn. Er zijn voortreffelijke wezens in de hemel, maar God alleen kan ons gelukkig maken. Zijn gunst is ons oneindig meer dan de verfrissing van de dauw des hemels, of de weldadige invloeden van de sterren des hemels, meer dan de vriendschap van de heiligen in de hemel, of de goede diensten van de engelen aldaar.
b. Nevens U lust mij ook niets op de aarde, niet alleen niemand in de hemel, een ver verwijderde plaats, waarmee wij slechts weinig bekend zijn, maar ook niemand op aarde, waar wij vele vrienden hebben, en waar wij grotelijks onze tegenwoordige belangen hebben. Op de aarde voert de begeerten van de meeste mensen weg, en toch heb ik op aarde niemand, geen personen, geen zaken, geen bezittingen, geen verlustigingen, die ik nevens U of met U begeer, in vergelijking of mededinging met U". Wij moeten buiten of naast God niets beweren, dan hetgeen wij voor Hem begeren, Nil praeter te, nisi propter te, niets behalve U, dan om Uwentwil) niets dan hetgeen wij van Hem begeren. Wij moeten niets naast God begeren als nodig om deelgenoot met Hem te zijn in ons gelukkig te maken.
D. Dan moeten wij met volkomen voldoening in God rusten, vers 26.
Merk hier op:
a. Grote smart en benauwdheid verondersteld. Bezwijkt mijn vlees en mijn hart. Anderen hebben het bezwijken van vlees en hart ervaren, wij moeten het verwachten. Het lichaam zal bezwijken door ziekte, ouderdom en dood, en hetgeen vlees en been aanraakt, raakt ons aan in een teder deel, dat deel van onszelf, dat wij maar al te zeer hebben bemind, als het vlees bezwijkt, is ook het hart gereed om te bezwijken, het beleid, de moed, de vertroosting falen.
b. Volkomen uitkomst voorzien in deze benauwdheid: zo is God de rotssteen van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid. In hun grootste nood steunen godvruchtige zielen op God als hun geestelijke sterkte en hun deel tot in eeuwigheid.
Ten eerste. "Hij is de sterkte van mijn hart, de rotssteen van mijn hart, een vast fundament, dat mijn gewicht zal dragen en er niet onder wegzinken zal. God is de sterkte van mijn hart, ik heb Hem aldus bevonden, bevind dit nog, en ik hoop Hem altijd aldus te bevinden." In de benauwdheid had hij een dubbel falen, een dubbel bezwijken verondersteld, beide vlees en hart bezwijken, maar in de uitkomst, de redding, grijpt hij een enkele steun aan, hij laat het vlees en de bedenking daarvan ter zijde, het is genoeg dat God de sterkte is van zijn hart. Hij spreekt als iemand, die zich niet bekommert om het lichaam laat dat bezwijken, dat is niet te verhelpen maar zeer bezorgd is omtrent de ziel, gesterkt te worden naar de inwendigen mens.
Ten tweede. Hij is mijn deel in eeuwigheid, Hij zal mij niet slechts ondersteunen terwijl ik hier ben, maar mij zalig maken als ik van hier ga. De heiligen kiezen God tot hun deel, zij hebben Hem tot hun deel en het is hun zaligheid, dat Hij hun deel zal zijn, een deel, dat duren zal zolang als de onsterfelijke ziel duurt.
V. Hij was ten volle overtuigd van de rampzaligen toestand van alle goddelozen. Dit heeft hij geleerd in het heiligdom bij die gelegenheid, en hij wilde het nooit vergeten, vers 27. Want zie, die verre van U zijn, in een toestand zijn van afstand en vervreemding, die begeren dat de Almachtige van hen zal wijken, zullen gewis vergaan, zo zal hun oordeel wezen. zij verkiezen ver van God te zijn, en zij zullen voor eeuwig ver van Hem zijn. Gij zult rechtvaardiglijk allen, die van U afhoereren, verdoen, alle afvalligen, die in belijdenis aan God ondertrouwd waren, maar Hem verlaten, Hem hun plicht jegens Hem, en hun gemeenschap met Hem om de boezem eens vreemden te omhelzen. Het oordeel is streng. het is niets minder dan te vergaan, vernietigd te worden Het is algemeen, "zij zullen allen, zonder onderscheid, uitgeroeid worden," het is even gewis alsof het reeds geschied was, en de verwoesting van sommige goddelozen is een onderpand van het verderf over allen. God zelf neemt op zich om het te doen, God, in wiens handen te vallen vreeslijk is. "Gij, hoewel oneindig in goedertierenheid, zult afrekening houden voor Uw beledigde eer en Uw misbruikte lankmoedigheid, en zult hen verdoen, die van U afhoereren."
Vl. Hij was grotelijks bemoedigd om God aan te kleven en op Hem te vertrouwen, vers 28. Indien zij, die verre zijn van God, vergaan, zo
1. Laat dit ons dringen om in gemeenschap ten leven met God, indien het zo slecht gaat met hen, die op een afstand van Hem leven, dan is het goed, zeer goed, het voornaamste goed, het goed voor een mens in dit leven dat hij zorgvuldig moet najagen om dicht bij Hem te zijn. "Het is het beste voor mij om tot God te naderen, en dat God tot mij nadert," het oorspronkelijke kan in beiderlei zin worden opgevat. Maar wat mij betreft (zo zou ik het willen lezen) het naderen van God is goed voor mij. Ons naderen tot God komt voort uit Zijn naderen tot ons, en het is die gelukkige ontmoeting, die onze zaligheid uitmaakt. Hier is een grote waarheid neergelegd: dat het goed is tot God te naderen, maar het leven daarvan ligt in de toepassing, de toeëigening: "Het is mij goed." Diegenen zijn de wijzen, die weten wat goed voor hen is. "Het is goed," zegt hij (en ieder Godvruchtige is het hierin met hem eens) het is mij goed nabij God te wezen, tot Hem te naderen, het is mijn plicht, mijn belang."
2. Laat ons dan leven in gedurig vertrouwen op Hem, "ik zet mijn vertrouwen op de Heere Heere, en nooit zal ik van Hem afhoereren door te vertrouwen op schepselen." Indien goddeloze mensen in weerwil van al hun voorspoed zullen vergaan, uitgeroeid zullen worden, zo laat ons vertrouwen op de Heere Heere, op Hem, niet op hen, zie Psalm 146:3-5, op Hem, en niet op onze wereldlijke voorspoed. Laat ons vertrouwen op God, en de goddelozen noch benijden, noch vrezen, laat ons op Hem vertrouwen voor een beter deel dan het hun is.
3. Laat ons, dit doende, niet twijfelen, of wij gelegenheid zullen hebben om Zijn naam te loven. Laat ons vertrouwen op de Heere, ten einde al Zijn werken te vertellen. Zij, die met een oprecht hart op God hun vertrouwen stellen, zullen nooit gebrek hebben aan stof om Hem te danken en te loven.