Genesis 12:4-5
Hier is:
I. Abrams vertrek uit zijn land, eerst uit Ur en daarna uit Haran in gehoorzaamheid aan de roeping Gods, Abram toog heen, hij is het hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest maar deed wat hem was bevolen, "niet te rade gaande met vlees en bloed," Galaten 1:15, 16. Zijn gehoorzaamheid was vaardig, zonder aarzelen of uitstellen, onderworpen zonder tegenspreken of twisten, want "hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou," Hebreeën 11:8, maar wetende wie hij volgde, onder wiens leiding hij uitging. Aldus heeft God hem geroepen op zijn voet, Jesaja 41:2.
II. Zijn leeftijd toen hij vertrok, hij was vijf en zeventig jaren oud, een leeftijd, toen hij veeleer rust en vestiging zou moeten hebben, maar als God wil, dat hij in zijn ouderdom de wereld opnieuw zal beginnen, dan zal hij daarin berusten. Hier is dus een voorbeeld van een oude bekeerling.
III. Het gezelschap en de goederen, die hij meenam.
1. Hij nam zijn vrouw en zijn neef Lot met zich, niet met geweld en tegen hun zin, maar door overreding. Sarai, zijn vrouw, zal voorzeker gaarne met hem zijn gegaan, God had hen samengevoegd, en niets kon hen scheiden. Indien Abram alles verlaat om God te volgen, dan zal Sarai alles verlaten om Abram te volgen, hoewel geen van beiden wist waarheen. En het was een zegen voor Abram om zo'n reisgezellin te hebben, een hulpe als tegenover hem, dat is: die geschikt voor hem was. Het is zeer aangenaam en troostrijk als man en vrouw overeenkomen om tezamen op de weg naar de hemel te gaan. Ook Lot, zijn neef, was onder de invloed van het voorbeeld van Abram, die na de dood zijns vaders misschien zijn voogd is geweest. Ook hij was bereid en gewillig om met hem te gaan. Zij, die naar Kanaän gaan, behoeven niet alleen te gaan, want, hoewel weinigen slechts de enge poort vinden, vinden haar, Gode zij dank, toch wel sommigen, en wij zullen wijs doen om te gaan met hen, met wie God is Zacheria 8:23.
2. Zij namen al hun have mede, al hun roerende goederen, die zij verworven hadden Want:
a. Met zichzelf wilden zij hun al aan God geven, tot Zijn beschikking stellen, geen deel van de prijs terughouden, maar het alles in Zijn hand overgeven, wetende, dat het dan in goede handen was.
b. Zij wilden zich voorzien van het nodige zowel voor de dienst van God als voor het onderhoud van hun gezin in het land, waar zij naar toe gingen. Zijn vermogen weg te werpen, omdat God beloofd had hem te zegenen, zou geweest zijn God verzoeken, maar niet op Hem vertrouwen.
c. Zij wilden niet in verzoeking zijn om terug te keren, daarom laten zij geen klauw achter, opdat zij niet zouden gedenken aan het vaderland van hetwelk zij uitgegaan waren.
3. Zij namen de zielen mede, die zij verkregen hadden, dat is: a. De dienstknechten, die zij gekocht hadden, en die deel uitmaakten van hun vermogen, maar zielen genoemd worden, om hun meesters er aan te herinneren, dat hun arme dienstknechten zielen hebben, kostelijke zielen, voor welke zij zorg moeten dragen, zowel als voor hun lichaam.
b. De bekeerlingen, die zij hadden verkregen door hen te bewegen de aanbidding van de ware God bij te wonen, en met hen naar Kanaän te gaan, de zielen, die (zoals een van de rabbijnen het uitdrukt) zij onder de vleugelen van de Goddelijke majesteit hadden vergaderd. Zij, die zelf God dienen en volgen, moeten alles doen wat zij kunnen, om ook anderen er toe te brengen Hem te dienen en te volgen. Van die zielen wordt gezegd, dat zij ze hebben verkregen of gewonnen, wij moeten achten, dat wij ware winners zijn, als wij slechts zielen voor Christus kunnen winnen.
IV. Hun gelukkige aankomst aan het einde hunner reis. Zij togen uit om te gaan naar het land Kanaän, dat hadden zij ook tevoren gedaan, Hoofdstuk 11:31, maar toen staakten zij hun reis, nu echter gingen zij voorwaarts en, door de goede hand Gods over hen, kwamen zij in het land Kanaän, waar hun door een nieuwe openbaring gezegd werd, dat dit het land was, hetwelk God beloofd had hun te zullen wijzen. Zij waren niet ontmoedigd door de moeilijkheden, die zij ontmoetten op hun weg, noch afgeleid door de genietingen, die zij er op vonden, maar gingen gestadig voort. Zij, die zich op weg begeven naar de hemel, moeten volharden tot het einde, steeds strekkende tot hetgeen voor is. Hetgeen wij ondernemen. in gehoorzaamheid aan Gods bevel en in nederige afhankelijkheid van de leiding van Zijn voorzienigheid, zal voorzeker wel slagen en met vertroosting voor ons eindigen.