Johannes 11:1-16
Wij hebben in deze verzen:
I. Een bijzonder bericht omtrent de personen, die voornamelijk bij deze gebeurtenis zijn betrokken, vers 1-2.
1. Zij woonden te Bethanië, een vlek, niet ver van Jeruzalem, waar Christus gewoonlijk den nacht doorbracht, als Hij opging tot de feesten. Het wordt hier het vlek van Maria en Martha genoemd, zoals Bethsaïda de stad van Andreas en Petrus genoemd werd. Want ik zie gene reden om, gelijk sommigen, te denken, dat Maria en Martha de eigenaressen waren van het vlek, terwijl de overige bewoners hun huizen van haar in huur hadden.
2. Hier was een broeder, genaamd Lazarus, zijn Hebreeuwse naam was waarschijnlijk Eliëzer, de samentrekking er van met een Grieksen uitgang er aan toegevoegd, heeft er Lazarus van gemaakt. Wellicht heeft onze Heiland in het vooruitzicht dezer gebeurtenis den naam Lazarus gebruikt in Zijne gelijkenis, waarin Hij de zaligheid wilde voorstellen van de rechtvaardigen in den schoot van Abraham onmiddellijk na hun dood, Lukas 16:22.
3. Hier waren twee zusters, Martha en Maria, die de huishoudsters schijnen geweest te zijn en de zaken van het gezin schijnen bestuurd te hebben, terwijl Lazarus wellicht een leven van afzondering heeft geleid, en zich aan studie en overdenking had gewijd. Hier was een bescheiden, gelukkig, ordelijk gezin, een gezin, waarmee Christus veel omgang had, waar echter geen man en vrouw, gene echtgenoten in waren (tenminste dat blijkt niet), maar een huis, waarin een broeder en zijne zusters eendrachtelijk samenwoonden.
4. Ene der zusters wordt inzonderheid aangeduid als die Maria, die den Heere gezalfd heeft met zalf, vers 2. Sommigen denken, dat zij de vrouw was, van wie wij lezen in Lukas 7:37, 38, die ene zondares, een slechte vrouw, was geweest. Ik denk veeleer dat het verwijst naar de zalving van Christus, welke door dezen evangelist wordt verhaald in Hoofdstuk 12:3, want de evangelisten verwijzen nooit naar elkaar, terwijl Johannes dikwijls in de ene plaats van zijn evangelie naar een andere plaats verwijst. Buitengewone daden van Godsvrucht en toewijding, die uit een oprecht beginsel van liefde tot Christus voortkomen, zullen niet slechts Hem welbehaaglijk wezen, maar ook roem verwerven in de kerk, Mattheus 26:13. Deze was het, wier broeder Lazarus ziek was, en de ziekte van hen, die wij liefhebben, is ons ene smart en beproeving. Hoe meer vrienden wij hebben, hoe vaker wij aldus door medegevoel beproefd worden, en hoe dierbaarder zij ons zijn, hoe groter onze smart is, zodat de menigvuldigheid onzer vertroosting ook de menigvuldigheid van onze zorgen en kruisen meebrengt.
II. De tijding, aan onzen Heere Jezus gezonden, van de ziekte van Lazarus, vers 3. Zijne zusters wisten waar Jezus was, ver weg, aan de overzijde van den Jordaan, en zij zonden een specialen bode tot Hem, om Hem bekend te maken met de beproeving van haar gezin, waarin zij:
1. De genegenheid toonden, die zij haren broeder toedroegen. Hoewel zijne bezitting zeer waarschijnlijk na zijn dood haar ten deel zou vallen, verlangden zij toch vurig, dat hij in het leven zou blijven. Zij toonden hare liefde voor hem nu hij ziek was, want een broeder is tegen de benauwdheid geboren , en dat is ene zuster ook. Wij moeten wenen met onze vrienden, als zij wenen, zowel als ons met hen verblijden als zij blijde zijn.
2. Haar eerbied en achting toonden voor onzen Heere Jezus, dien zij gaarne met al hare zorgen en noden bekend wilden maken en, gelijk Jeftha, al hare woorden voor Zijn aangezicht wilden uitspreken. Hoewel God al onze behoeften kent, al onze smarten en zorgen, wil Hij ze toch van ons weten, en wij eren Hem door ze Hem voor te leggen. De boodschap, die zij zonden, bestond uit weinig woorden, het was gene bede, geen verzoek, en nog minder was er iets eisends of dringends in de boodschap, zij bevatte slechts de mededeling van het feit, waarin echter een krachtig pleiten lag opgesloten: Heere! zie, dien Gij liefhebt, is ziek. Zij zeggen niet: dien wij liefhebben, maar dien Gij liefhebt. Onze grootste bemoediging in het gebed komt van God zelven, van Zijne genade. Zij zeggen niet: Heere, zie, die U liefheeft is ziek, maar dien Gij liefhebt, want: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad. Onze liefde tot Hem is niet der moeite waard om van te spreken, maar van de Zijne voor ons kan nooit genoeg worden gesproken. Er zijn sommigen onder de vrienden en volgelingen van den Heere Jezus, aan wie Hij een bijzondere liefde toedraagt, boven anderen. Onder de twaalven was er een, dien Jezus liefhad. Het is niets nieuws, dat zij, die door Christus worden bemind, ziek zijn: alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle anderen. Lichaamskwalen bestraffen het bederf en stellen de genadegaven van Gods volk op de proef. Als wij ziek zijn is het een grote vertroosting voor ons omringd te zijn van hen, die voor ons bidden. Wij zullen grotelijks bemoedigd worden in ons gebed voor hen, die ziek zijn, als wij grond hebben om te hopen, dat zij de zodanige zijn, die Christus liefheeft, en wij hebben reden om diegenen lief te hebben en voor hen te bidden, van wie wij reden hebben te geloven, dat Christus hen liefheeft.
III. Een bericht van de wijze, waarop Christus de tijding van de ziekte Zijns vriends ontvangen heeft.
1. Hij voorspelde de ziekte en het einde er van, en waarschijnlijk heeft Hij met den bode, die de tijding had meegebracht, ene boodschap teruggezonden om hen te ondersteunen terwijl Hij nog toefde om tot hen te komen. Hij voorspelt twee dingen:
a. "Deze ziekte is niet tot den dood." Zij was dodelijk, en is ook dodelijk gebleken, en ongetwijfeld is Lazarus ook vier dagen dood geweest. Maar dat was toch niet het doel, waartoe deze ziekte was gezonden. Zij kwam niet, zoals in een gewoon geval, als ene oproeping naar het graf, neen, er lag een hogere bedoeling in. Indien zij met dat doel ware gezonden, dan zou dit door zijne opstanding uit de doden teniet zijn gedaan. Het was niet de finale uitwerking dezer ziekte. Hij stierf, en toch kan gezegd worden, dat hij niet gestorven is, want van hetgeen niet altijd voortduurt kan men niet zeggen dat het gedaan is. De dood is een eeuwig vaarwel aan de wereld, het is de weg, waarvan wij niet zullen wederkeren, en in dien zin was deze ziekte niet tot den dood. Het graf was niet zijn langdurig tehuis, zijn eeuwig huis. Zo heeft Christus ook van het dochtertje van Jaïrus, dat Hij in het leven wilde terugroepen, gezegd: "Zij is niet dood." De ziekte der Godvruchtigen, hoe dreigend ook, is niet tot den dood, want zij is niet tot den eeuwigen dood. De dood des lichaams voor deze wereld is de geboorte der ziel in een andere wereld. Als wij of onze vrienden ziek zijn, dan laten wij onze voornaamste vertroosting hierin gelegen zijn, dat er hoop is op herstel, maar hierin kunnen wij teleurgesteld worden. Indien zij Christus toebehoren, laat dan het ergste geschieden: zij kunnen "van den tweeden dood niet beschadigd worden", en dus is de beschadiging van den eersten van geen groot belang. b. Maar ter heerlijkheid Gods, opdat er ene gelegenheid zij om Gods heerlijke macht te openbaren. De beproevingen der heiligen zijn bedoeld tot heerlijkheid Gods, opdat Hij gelegenheid hebbe hun gunst te betonen: want de lieflijkste en aandoenlijkste genadebewijzen zijn die, welke door benauwdheid en lijden tot ons komen. Laat dit ons verzoenen ook met de duisterste beschikkingen van Gods voorzienigheid, zij zijn allen tot heerlijkheid Gods: deze ziekte, dat verlies, of die teleurstelling is dit, en zo God verheerlijkt wordt, behoren wij tevreden te wezen, Leviticus 10:3. Het was tot heerlijkheid Gods, want het was, opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde, daar het Hem de gelegenheid gaf om dat glorierijk wonder te werken, namelijk hem op te wekken van de doden. Evenals tevoren de man blind was geboren, opdat Christus de ere zou hebben van hem te genezen, Hoofdstuk 9:3, zo moest Lazarus ziek worden en sterven, opdat Christus verheerlijkt zou worden als de Heere des levens. Laat dit hen, die Christus liefheeft, vertroosten onder al hun smarten en beproevingen, dat van die allen het doel is, dat de Zone Gods er door verheerlijkt zal worden, Zijne wijsheid, macht en goedheid verheerlijkt in hun ondersteuning en vertroosting, zie 2 Corinthiërs 12:9, 10.
2. Hij stelde Zijn bezoek aan den zieke uit, vers 5, 6. Zij hadden gepleit: "Heere, het is hij, dien Gij liefhebt," en het pleit wordt als juist erkend, vers 5, Jezus nu had Martha, en hare zuster, en Lazarus lief. Aldus worden de aanspraken des geloofs bekrachtigd in den hemel. Nu zou men denken, dat hierop zal volgen: Als Hij dan gehoord had, dat hij ziek was, maakte Hij zoveel mogelijk haast om tot hem te gaan. Indien Hij hen liefhad, dan was het nu de tijd om dit te tonen, door zich tot hen te spoeden, want Hij wist, dat zij Hem met ongeduld verwachtten. Maar Hij sloeg den tegenovergestelden weg in om Zijne liefde te tonen. Er wordt niet gezegd: Hij had hen lief, en toch vertoefde Hij tot hen te gaan, maar als Hij dan gehoord had, dat hij ziek was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.
a. Hij had hen lief, dat is: Hij had een hogen dunk van Martha en Maria, van hare wijsheid en genade, van haar geloof en hare lijdzaamheid boven anderen van Zijne discipelen, en daarom stelde Hij het uit om tot haar te gaan, teneinde haar op de proef te stellen, en opdat hare beproeving zou bevonden worden tot lof en eer.
b. Hij had hen lief, dat is: Hij was voornemens iets groots, iets buitengewoons voor hen te doen, een wonder voor hen te werken, zoals Hij nog voor geen Zijner vrienden gewerkt had, en daarom vertoefde Hij tot haar te komen, opdat Lazarus dood en begraven zou zijn als Hij kwam. Indien Christus terstond ware gekomen en de ziekte van Lazarus had genezen, dan zou Hij voor hem niet meer gedaan hebben, dan Hij voor velen gedaan had, indien Hij hem in het leven teruggeroepen had, nadat hij pas gestorven was, dan zou Hij voor hem niet meer gedaan hebben, dan Hij voor sommigen gedaan had, maar Zijne hulp zo lang uitstellende, had Hij gelegenheid om meer voor hem te doen, dan Hij voor iemand anders gedaan had. God heeft genaderijke bedoelingen zelfs in schijnbaar uitstellen of vertragen, Jesaja 54:7, 8, 49:14, enz. Christus' vrienden te Bethanië waren niet uit Zijne gedachten, hoewel Hij, toen Hij van hun beproeving en leed hoorde, zich niet terstond tot hen spoedde. Als het werk der verlossing, der geestelijke of tijdelijke, publieke of persoonlijke verlossing, tot stilstand is gekomen, dan is die stilstand toch slechts voor zekeren tijd, en-ieder ding is schoon op zijn tijd.
IV. Zijn gesprek met de discipelen, toen Hij op het punt stond Zijne vrienden te Bethanië te gaan bezoeken, vers 7-16. Die samenspreking is zo vrij en gemeenzaam, dat zij bewijst wat Christus zegt: "Ik heb u vrienden genoemd." Hij spreekt met hen over twee dingen -Zijn eigen gevaar en Lazarus' dood.
1. Zijn eigen gevaar bij Zijn heengaan naar Judea, vers 7-10.
a. Wij hebben hier de kennisgeving van Christus aan Zijne discipelen van Zijn voornemen om naar Judea te gaan. Zijne discipelen waren de mannen van Zijn raad, en Hij zei tot hen: "Laat ons wederom naar Judea gaan," hoewel die van Judea zulk ene gunst onwaardig zijn. Aldus herhaalt Christus de aanbiedingen van Zijne genade aan hen, die ze zo dikwijls hadden afgewezen. Nu kan dit beschouwd worden als ene bedoeling Zijner liefde voor Zijne vrienden te Bethanië, wier smartelijke beproeving hem wèl bekend was, ofschoon zij Hem geen nieuwe boden gezonden hadden, want, hoewel afwezig naar het lichaam, was Hij in den geest toch tegenwoordig. Toen Hij wist dat hun nood tot het uiterste was gekomen, toen broeder en zusters een laatst afscheid van elkaar hadden genomen, toen zei Hij: "Laat ons naar Judea gaan." Christus zal opstaan ten gunste van Zijn volk, als de tijd om hun genadig te zijn, de bestemde tijd, is gekomen, en de tijd der grootste benauwdheid blijkt gewoonlijk die bestemde tijd te wezen-als onze verwachting verloren is en wij afgesneden zijn, dan zullen zij weten dat Ik de Heere ben, als Ik uwe graven zal hebben geopend, Ezechiël 37:11, 13. Laat dan, in de diepte der benauwdheid, dit ons uit de diepte der wanhoop houden, dat de uiterste nood van den mens de juiste gelegenheid is voor God om te helpen en te redden, Jehova-Jireh. Of als ene beproeving van den moed der discipelen, of zij Hem derwaarts durfden volgen, waar zij zo kort tevoren verschrikt waren geworden door een aanslag op het leven huns Meesters, dien zij beschouwden als mede een aanslag op hun eigen leven. Naar Judea te gaan, waar het zo gevaarlijk voor hen was, was een woord, dat hen op de proef stelde. Maar Christus zei niet: "Gaat gijlieden naar Judea, en Ik zal hier in ene schuilplaats blijven", neen, Laat ons gaan. Christus brengt Zijn volk nooit in gevaar, of Hij vergezelt hen, Hij is met hen, zelfs als zij in een dal der schaduw des doods gaan.
b. Het bezwaar, dat zij maken tegen de reis, vers 8, "De Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?" Hier herinneren zij Hem aan het gevaar, waaraan Hij zo kort geleden had blootgestaan. Christus' discipelen zijn geneigd om het lijden zwaarder op te nemen dan hun Meester het opneemt, en om beledigingen of aangedaan leed langer in het geheugen te bewaren. Hij had zich de belediging laten welgevallen, zij was afgedaan en vergeten, maar Zijne discipelen konden haar niet vergeten, nu onlangs, nun -nu, alsof het nog vandaag was, zochten zij U te stenigen. Hoewel het minstens twee maanden geleden was, stond het hun nog levendig voor den geest. Zij verwonderden er zich over dat Hij wederom derwaarts wilde gaan. "Zult Gij diegenen het voorrecht Uwer tegenwoordigheid schenken, die U uit hun landpalen hebben verdreven?" Christus' wegen in het voorbijzien van beledigingen zijn hoger dan onze wegen. "Zult Gij U blootstellen onder een volk, dat zo uiterst tegen U verwoed is? Gaat Gij wederom derwaarts, waar Gij zo slecht behandeld werd?" Hier tonen zij grote bekommernis voor de veiligheid huns Meesters, zoals Petrus toen hij zei: "Heere! wees U genadig! Indien Christus geneigd ware geweest het lijden van zich af te schuiven, het zou Hem aan geen vrienden ontbroken hebben om er Hem toe te bewegen, maar Hij had "Zijn mond opengedaan tot den Heere", en Hij kon niet, Hij wilde niet teruggaan. Maar bij die bezorgdheid voor Zijne veiligheid leggen de discipelen tevens, ten eerste, wantrouwen aan den dag in Zijne macht, alsof Hij zich zelven en hen thans niet even goed in Judea kon beschermen en beveiligen als Hij het vroeger gedaan had. Is Zijn arm verkort? Als wij bezorgd zijn om de belangen van Christus' kerk en koninkrijk in deze wereld, dan moeten wij toch kunnen rusten in de wijsheid en macht van den Heere Jezus, die Zijne schapen ook in het midden der wolven zal weten te beveiligen.
Ten tweede. Een geheime vrees van zelven te moeten lijden, want daarop rekenen zij, indien Hij lijdt. Als onze eigen belangen op de ene of andere wijze verbonden zijn aan die van het algemeen, dan denken wij allicht te ijveren voor den Heere der heirscharen, terwijl wij in werkelijkheid slechts ijveren voor onze bezittingen, ons aanzien, onze rust en onze veiligheid, en alzo het onze zoeken, onder schijn van hetgeen van Christus is, daarom is het ons zeer nodig om onze beginselen te toetsen, en ze te kunnen onderscheiden.
c. Christus' antwoord op deze tegenwerping, vers 9, 10. "Zijn er niet twaalf uren in den dag?" De Joden verdeelden iedere dag in twaalf uren, en maakten hun uren korter of langer, naar gelang de dagen korter of langer waren, zodat een uur voor hen het twaalfde gedeelte was van den tijd tussen zonsopgang en zonsondergang. Dat is het gevoelen van sommige Schriftverklaarders. Of wel, hun land veel zuidelijker gelegen zijnde dan het onze, was de duur van den dag bij hen veel dichter bij twaalf uren dan bij ons. De Goddelijke voorzienigheid heeft ons daglicht gegeven om bij te werken, en verlengt het tot een geschikten tijd, en, door elkaar gerekend, heeft ieder land even veel daglicht als nacht, en nog zoveel meer als het schemerlicht bedraagt. Des mensen leven is een dag, deze dag is verdeeld in verschillende leeftijden, toestanden en gelegenheden, zoals in langere of kortere uren, al naar God het verordineerd heeft, de gedachte hieraan moest ons niet slechts zeer ijverig maken ten opzichte van het werk des levens (in dien er twaalf uren in den dag zijn, dan behoren zij gewijd te zijn aan plichtsbetrachting, en geen er van mag verbeuzeld worden) maar ook zeer gerust ten opzichte van de gevaren des levens, onze dag zal verlengd worden totdat ons werk afgedaan is, en ons getuigenis voleindigd. Dit past Christus toe op Zijn eigen geval, Hij toont aan waarom Hij naar Judea moet gaan, namelijk omdat Hij zeer blijkbaar daartoe geroepen wordt. Om dit duidelijk te maken, wijst Hij op de vertroosting en voldoening, die de mens in zich zelven gewaar wordt, als hij op den weg des plichts blijft, zoals hij in het algemeen door het Woord Gods wordt voorgeschreven, en in het bijzonder door Gods voorzienigheid wordt bepaald. "Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, " dat is: indien iemand zich streng aan zijn plicht houdt, en dien behartigt, en zich den wil Gods als zijn regel voor ogen stelt, met een onpartijdig acht geven op al de geboden Gods, dan aarzelt hij niet in zijn eigen gemoed, maar wandelende in oprechtheid, wandelt hij in zekerheid en met een heilig vertrouwen. Gelijk hij, die overdag zich niet stoot, maar gestadig en blijmoedig voortgaat op zijn weg, "overmits hij het licht dezer wereld ziet," en bij dat licht zijn weg ziet, die voor hem ligt, zo zal een Godvruchtige, zonder enigerlei zijdelingse zekerheid of slinkse bedoelingen, steunen op het Woord van God als zijn regel, en de ere Gods beschouwen als zijn doel, omdat hij die twee lichten ziet en er zijn oog op gericht houdt, en aldus heeft hij een trouwen gids in al zijne twijfelingen en een machtigen behoeder in al zijne gevaren, Psalm 119:6, Galaten 6:4. Waar Christus ook heenging, overal wandelde Hij in den dag, en dat zullen ook wij, indien wij Zijne voetstappen volgen. Hij wijst op de smart en het gevaar van den mens, die niet naar dezen regel wandelt, vers 10. Indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, dat is: Indien iemand wandelt naar het goeddunken van zijn eigen hart en naar den lust zijner ogen en de gewoonte dezer wereld, -indien hij met zijn vleselijk verstand te rade gaat, meer dan met den wil en de ere Gods, -dan valt hij in verzoekingen en strikken, dan is hij onderhevig aan ongerustheid en angst, dan siddert hij bij het ritselen van een blad, en vliedt waar niemand hem vervolgt, terwijl een oprechte de drilling der lans belacht, en niet vreest waar tienduizenden des volks zich rondom tegen hem zetten. (Zie Jesaja 33:14-16.) Hij stoot zich, overmits het licht niet in hem is, want licht in ons is voor onze zedelijke handelingen wat licht rondom ons voor onze natuurlijke handelingen is. Er is geen goed beginsel in hem, hij is niet oprecht: zijn oog is boos. Aldus rechtvaardigt Christus niet alleen Zijn gaan naar Judea, maar moedigt Hij Zijne discipelen aan om? met Hem te gaan en geen kwaad te vrezen.-. Er wordt hier door Christus en Zijne discipelen van den dood van Lazarus gesproken, vers 11-16, waar wij hebben:
a. De mededeling van Christus aan Zijne discipelen van den dood van Lazarus, waarbij Hij hun tevens te kennen geeft, dat Hij naar Judea ging om hem op te wekken, vers 11. Na Zijne discipelen voorbereid te hebben op dezen gevaarlijken tocht in een vijandelijk land, geeft Hij hun het duidelijk, onomwonden bericht van den dood van Lazarus, hoewel Hij er gene mededeling van had ontvangen: Onze vriend Lazarus slaapt. Zie hier hoe Christus een gelovige en den dood eens gelovigen noemt.
Ten eerste. Hij noemt een gelovige vriend: Onze vriend Lazarus. Er is een verbond van vriendschap tussen Christus en de gelovigen, en ene vriendschapsgenegenheid en gemeenschapsoefening, die er uit voortvloeit en door onzen Heere Jezus erkend zal worden, en die Hij zich niet schamen zal te erkennen.
Zijne verborgenheid is met den oprechte. Zij, die door Christus als Zijne vrienden worden erkend, moeten ook door al Zijne discipelen als de hunnen erkend worden. Christus spreekt van Lazarus als van hun gemeenschappelijken vriend: Onze vriend. De dood zelfs kan den band van vriendschap tussen Christus en een gelovige niet verbreken. Lazarus is dood, maar hij is toch nog onze vriend. Ten tweede. Hij noemt den dood van een gelovige een slaap, hij slaapt. Het is goed om den dood met zulke benamingen aan te duiden, als die er toe kunnen bijdragen om hem ons meer gemeenzaam en minder schrikwekkend voor te stellen. De dood van Lazarus was in een bijzonderen zin een slaap, zoals die van het dochtertje van Jaïrus, omdat hij spoedig opgewekt zou worden, en daar wij er zeker van zijn ten laatsten dage van de doden te zullen opstaan, waarom zou dat dan zo groot een verschil uitmaken? En waarom zou de gelovige hoop op die opstanding ten eeuwigen leven het niet even gemakkelijk voor ons maken om het lichaam af te leggen en te sterven, als het ons is om onze klederen af te leggen en te gaan slapen? Als een goed Christen sterft, slaapt hij slechts, hij rust uit van zijn arbeid van den voorbijgeganen dag, en verkwikt zich voor den volgenden morgen. Ja de dood heeft dit voordeel boven den slaap, dat de slaap slechts een tijdelijk afbreken is van onze moeite en zorgen, terwijl de dood er voor goed een einde aan maakt. De ziel slaapt niet, maar wordt werkzamer, maar het lichaam slaapt zonder stoornis en zonder verschrikking. Voor de goddelozen is het graf een kerker, en de grafklederen zijn als de kluisters van een ter dood veroordeelden misdadiger, maar voor de Godvruchtigen is het een bed, en al zijne banden zijn als de zachte, donzige boeien van een rustigen slaap. Hoewel het lichaam bederft, zal het toch in den morgenstond verrijzen, alsof het geen verderf had gezien, het is slechts een afleggen onzer klederen om in orde gemaakt en versierd te worden voor onzen bruiloftsdag, den dag der kroning, waarvoor wij moeten verrijzen. (Zie Jesaja 57:2, 1 Thessalonicenzen 4:14. De Grieken noemden hun begraafplaatsen slaapzalen -koimêtêria. Hij geeft hun bijzondere wenken omtrent Zijn gunstige voornemens betreffende Lazarus: Maar Ik ga heen om hem uit den slaap op te wekken. Hij zou het hebben kunnen doen, terwijl Hij bleef waar Hij was, Hij, die een stervende op een afstand gezond maakte, Hoofdstuk 4:50, kon ook een dode op een afstand in het leven terugroepen, maar Hij wilde dit wonder eren door het te werken bij het graf: Ik ga heen om hem op te wekken. Evenals de slaap op den dood gelijkt, zo is ook iemands ontwaken uit den slaap, inzonderheid als hij bij zijn naam wordt genoemd, een beeld van de opstanding, Job 14:15, dat gij zoudt roepen. Niet zodra had Christus gezegd: Onze vriend slaapt, of Hij voegt er terstond bij: Ik ga heen om hem uit de slaap op te wekken. Als Christus aan Zijn volk zegt, hoe slecht de toestand is, dan laat Hij er hun onmiddellijk bij weten, hoe snel en hoe gemakkelijk Hij hem kan verbeteren. De mededeling van Christus aan Zijne discipelen, dat dit het was, wat Hij in Judea ging doen, kon er toe bijdragen om hun vrees weg te nemen om er met Hem te gaan. Hij ging niet voor een openbaar werk in den tempel, maar om een particulier bezoek af te leggen, dat Hem en hen minder aan gevaar zou blootstellen, het was daarbij om ene weldaad te bewijzen aan een gezin, waaraan zij allen verplichting hadden.
b. Hun verkeerd begrijpen van de mededeling en de vergissing, die zij er door begingen, vers 12, 13. Zij zeiden: Heere! indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden. Dit geeft te kennen a. Enige belangstelling voor hun vriend Lazarus, zij hoopten dat hij zou herstellen, soothêsetai -hij zal ditmaal voor sterven behoed worden. Waarschijnlijk hadden zij van den bode, die de tijding zijner ziekte had gebracht, begrepen dat een der gevaarlijkste verschijnselen zijner ziekte bestond in rusteloosheid, zodat hij niet kon slapen, en nu zij hoorden dat hij sliep, maakten zij er uit op, dat de koorts afnam en het ergste voorbij was. De slaap is dikwijls de medicijn der natuur en ene verlevendiging van haar zwakke, vermoeide krachten. Dat is waar van den slaap des doods, indien een vroom Christen alzo slaapt, dan zal hij gezond worden, gezonder dan hij hier geweest is. b. Een nog grotere belangstellende zorg voor hen zelven, want zij geven er mede te kennen, dat het dan nu onnodig was dat Christus tot hem zou gaan, en Hij zich zelven en hen niet aan gevaar behoefde bloot te stellen. "Indien hij slaapt, dan zal hij wel spoedig herstellen, en wij kunnen blijven waar wij zijn". Zo willen wij gaarne hopen, dat het goede werk, waartoe wij geroepen zijn, wel vanzelf gedaan zal worden, of door iemand anders, indien er aan het volbrengen er van gevaar verbonden is.
c. Deze hun vergissing hersteld, vers 13.
Jezus had gesproken van zijn dood. Zie hier: a. Hoe traag van begrip Christus' discipelen toen nog waren. Laat ons dus niet allen als ketters veroordelen, die den zin van sommige woorden van Christus misverstaan. Het is niet goed om de dwalingen onzer broederen te verzwaren, toch was dit een zeer grove vergissing, die zij gemakkelijk hadden kunnen voorkomen, zo zij zich slechts hadden herinnerd, hoe dikwijls de dood in het Oude Testament een slaap is genoemd. Als Christus in Schriftuurlijke taal tot hen sprak, hadden zij Hem behoren te verstaan. Daarenboven, het zou toch wel vreemd geklonken hebben voor hun Meester om een tweedaagse reis te ondernemen, alleen maar om een vriend uit een natuurlijken slaap op te wekken, dat ieder ander had kunnen doen. Wat Christus op zich neemt te doen, is, daarvan kunnen wij zeker zijn, iets groots en buitengewoons, een werk, dat Zijner waardig is. b. Hoe zorgvuldig de evangelist deze dwaling herstelt: Jezus had gesproken van zijn dood. Zij, die in een vreemde taal spreken, of beeldspraak gebruiken, moeten hieruit leren zich nader te verklaren, moeten bidden om hun gedachten zo duidelijk uit te drukken dat er geen misverstand kan plaatshebben.
d. De duidelijke en nadrukkelijke verklaring, die Jezus voor hen aflegde van den dood van Lazarus, en van Zijn besluit om naar Bethanië te gaan, vers 14, 15. Hij geeft hun kennis van den dood van Lazarus, wat Hij tevoren in duistere bewoordingen had gezegd, zegt Hij nu duidelijk en onomwonden: Lazarus is gestorven, vers 14. Christus neemt kennis van den dood Zijner heiligen, want die is kostelijk in Zijne ogen, Psalm 116:15, en het behaagt Hem niet, dat wij er geen acht op slaan of het niet ter harte nemen. Zie welk een medelijdende leraar Christus is, en hoe Hij zich neder buigt tot hen, die zich vergissen, en door Zijn verder spreken en doen de moeilijkheden, die voorafgingen, wegneemt door ze nader te verklaren. Hij zegt hun de reden, waarom Hij het zo lang had uitgesteld om hem te gaan zien. Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben. Indien Hij intijds daar ware geweest, Hij zou zijne ziekte hebben genezen en zijn dood hebben voorkomen, hetgeen den vrienden van Lazarus zeer troostrijk en lieflijk zou geweest zijn, maar dan zouden Zijne discipelen geen verder bewijs hebben gezien van Zijne macht, dan wat zij reeds dikwijls hadden gezien, en bijgevolg zou hun geloof niet zijn toegenomen, maar nu Hij heenging en hem opwekte uit de doden, en er velen tot het geloof in Hem gebracht werden, die tevoren niet in Hem hadden geloofd, vers 45, werd er zeer veel gedaan tot volmaking van hetgeen nog ontbrak in het geloof van hen, die toch wel reeds in Hem geloofden, en dat was het wat Christus beoogde: opdat gij geloven moogt. Hij besluit om nu naar Bethanië te gaan en Zijne discipelen mede te nemen. Laat ons tot hem gaan. Niet: "Laat ons tot zijne zusters gaan, om haar te vertroosten" (hetgeen het uiterste is wat wij doen kunnen) maar: Laat ons tot hem gaan: want Christus kan wonder doen aan de doden. De dood, die ons van al onze andere vrienden zal scheiden en ons van alle gemeenschap met hen zal afsnijden, kan ons niet scheiden van de liefde van Christus, noch ons buiten het bereik brengen van Zijne stem: Lazarus is gestorven, doch laat ons tot hem gaan, hoewel diegenen, die gezegd hadden: Indien hij slaapt, is het niet nodig tot hem te gaan, nu misschien bereid waren te zeggen: Indien hij gestorven is, dan is het doelloos om tot hem te gaan.
e. Hoe Thomas zijne medediscipelen opwekt om hun Meester te vergezellen, vers 16. Thomas dan, genaamd Didymus. Thomas in het Hebreeuws, en Didymus in het Grieks, betekent een tweeling, van Rebekka wordt gezegd: er waren tweelingen in haren buik, en daar is het woord Thomim. Waarschijnlijk is Thomas een van tweelingen geweest. Hij zei tot zijne medediscipelen (die waarschijnlijk elkaar met vreze en bezorgdheid hebben aangezien, toen Christus zo beslist zei: Laat ons tot hem gaan,) met grote kloekmoedigheid: Laat ons ook gaan, opdat wij met hem sterven, met hem, dat is: Met Lazarus, die nu gestorven is. Zo wordt het door sommige Schriftverklaarders opgevat. Lazarus was een dierbare, liefhebbende vriend geweest van Christus en van Zijne discipelen, en Thomas was wellicht bijzonder met hem bevriend. Indien hij nu gestorven is, zegt hij, zo laat ons ook gaan en met hem sterven. Want: Ten eerste. "Indien wij hem overleven, dan weten wij niet, hoe wij zonder hem zullen kunnen leven." Lazarus had hun waarschijnlijk menige goeden dienst bewezen, had hen beschut, voorzien in hun behoeften, en was hun tot ogen geweest, en nu hij was heengegaan, hadden zij niemand, die even alzo gemoed was. "En dus," zegt hij, "zou het ons goed zijn, om maar met hem te sterven". Zo zijn wij soms maar al te gereed, om te denken, dat ons leven geheel en al opgaat in het leven van sommigen, die ons dierbaar waren, maar God zal ons leren te leven en getroost te leven in Hem, als diegenen zijn heengegaan, zonder wie wij dachten niet te kunnen leven. Maar dit is niet alles. Ten tweede. "Als wij sterven, dan hopen wij gelukkig, zalig te zijn met hem". Hij gelooft zo vast aan ene zaligheid na den dood, en hij heeft zulk een goede hoop door genade op hun eigen deel, en op Lazarus' deel aan die zaligheid, dat hij gaarne bereid is, om met zijne medediscipelen heen te gaan en met hem te sterven. Het is beter te sterven, en met onze Christelijke vrienden heen te gaan naar die wereld, welke verrijkt wordt door hun komst, dan achter te blijven in ene wereld, die verarmd is door hun heengaan. Hoe meer van onze vrienden derwaarts overgebracht zijn, hoe minder koorden er zijn, die ons aan deze wereld binden, en hoe meer om ons hart hemelwaarts te trekken. Hoe lieflijk spreekt de Godvruchtige van het sterven, alsof het slechts een zich ontkleden was om zich ter ruste te begeven! Of: "Laat ons heengaan en met onzen Meester sterven, die zich nu blootstelt aan den dood door naar Judea te gaan", en dat is, geloof ik, hier bedoeld. "Indien Hij zich in gevaar wil begeven, zo laat ook ons heengaan en Zijn lot delen, overeenkomstig het bevel, dat wij hebben ontvangen: Volg Mij. Thomas wist zoveel van de kwaadwilligheid der Joden tegen Jezus, en den raad Gods Hem betreffende, waarvan Hij hun zo dikwijls had gesproken, dat het geen vreemde onderstelling was, dat Hij nu zou sterven. En nu toont Thomas: Ten eerste. Een Godvruchtige bereidwilligheid om met Christus te sterven, voortvloeiende uit een sterke genegenheid voor Hem, hoewel, gelijk later bleek, zijn geloof zwak was, Hoofdstuk 14:5, 20:25. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, Ruth 1:17. Ten tweede. Een vurige begeerte om zijne medediscipelen tot een zelfde gemoedsstemming te helpen komen: "Laat ons gaan, laat ons allen gaan en met Hem sterven. Indien zij Hem stenigen, laat hen ons stenigen, wie zou zulk een Meester willen overleven?" Zo behoren Christenen in moeilijke tijden elkaar te bezielen. Een iegelijk onzer kan zeggen: Laat ons met Hem sterven. De gedachte aan het sterven van onzen Heere Jezus, moet ons bereid en gewillig maken om te sterven als God ons roept.