Genesis 5:21-24
De berichten lopen hier over verscheidene geslachten, zonder dat er iets merkwaardigs in voorkomt, of enigerlei verscheidenheid in valt op te merken behalve in de namen en getallen. Maar eindelijk wordt melding gemaakt van een man, die men niet zo voorbij kan gaan, maar van wie zeer bijzonder nota genomen moet worden, en dat is Henoch, de zevende van Adam. De overigen hebben, naar wij mogen onderstellen, goed en Godvruchtig geleefd en gehandeld, maar hij heeft hen allen overtroffen, hij was de schitterendste ster van de patriarchale tijd. Het is slechts weinig dat ons van hem wordt meegedeeld, maar dat weinige is genoeg om zijn naam groot te maken, groter dan de naam van de andere Henoch, naar wie een stad genoemd werd. Betreffende hem zijn hier twee dingen.
I. Zijn Godvruchtige wandel in deze wereld, waarvan twee maal wordt gesproken, vers 22 Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalah gewonnen had, en wederom in vers 24, Henoch dan wandelde met God.
Merk op:
1. De aard van zijn Godsdienst, de richting en het doel van zijn wandel. Hij wandelde met God, hetgeen te kennen geeft:
a. Ware Godsdienst. Wat is Godzaligheid anders dan een wandelen met God? De goddelozen zijn zonder God in de wereld, zij wandelen in tegenheid met Hem, maar de Godvruchtigen wandelen met God, hetgeen onderstelt verzoening met God, want "zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?" Amos 3:3, en het sluit alle delen en voorbeelden in van een Godvruchtig, rechtvaardig en sober leven. Met God te wandelen is zich God geduriglijk voor te stellen, en te handelen als degenen, die steeds onder Zijn oog zijn. Het is een leven te leiden van gemeenschap met God, zowel in Zijn inzettingen als in Zijn leiding, het is in al onze handelingen Gods woord te maken tot onze regel, en Zijn heerlijkheid tot ons doel. Het is om het tot ons voortdurend zorgen en streven te maken, in alle dingen God te behagen, en Hem nergens in te mishagen of te beledigen. Het is ons te schikken naar Zijn wil, in te stemmen met Zijn bedoelingen, medearbeiders met Hem te zijn, het is navolgers Gods te zijn, als geliefde kinderen.
b. Uitnemende Godsdienst. Hij was volstrekt dood voor deze wereld, hij heeft niet slechts, zoals alle Godvruchtige mensen, naar God gewandeld, maar met God gewandeld, alsof hij reeds in de hemel was. Hij leefde boven de maatstaf, niet slechts van andere mensen, maar van andere heiligen, niet slechts goed in slechte tijden, maar als de beste in goede tijden.
c. Grote ijver om de Godsdienst te bevorderen onder anderen. Het ambt eens priesters te volbrengen wordt "een wandelen voor Gods aangezicht" genoemd, 1 Samuël 2:30, 35, zie ook Zacheria 3:7. Het schijnt, dat Henoch een priester des allerhoogsten Gods is geweest, en, evenals Noach, van wie ook gezegd werd dat hij met God wandelde, was hij een prediker van de gerechtigheid, en heeft hij Christus' wederkomst geprofeteerd, Judas: 14 Ziet, de Heere komt met tienduizenden van Zijn heiligen. Inplaats nu van te zeggen: Henoch leefde, zegt de Heilige Geest: Henoch wandelde met God. Dit was zijn levenswerk, zijn gestadige zorg en streven, terwijl anderen leefden voor zichzelf en voor de wereld, leefde hij voor God. Het was ook de blijdschap en de steun zijns levens, gemeenschap met God was hem meer en beter dan het leven. "Het leven is mij Christus," Filippenzen 1:21. 2. De dagtekening van zijn Godsdienst. In vers 21 wordt gezegd: Hij leefde vijf en zestig jaar en hij gewon Methusalah, maar in vers 22 hij wandelde met God, nadat hij Methusalah gewonnen had, hetgeen te kennen geeft, dat hij niet voor omstreeks deze tijd uitgemunt heeft in vroomheid en Godsvrucht. Eerst wandelde hij als andere mensen. Grote heiligen komen trapsgewijze tot hun uitnemendheid.
3. De voortduur van zijn Godsdienst. Hij wandelde met God drie honderd jaren, zolang als hij in de wereld bleef. De geveinsde zal niet altijd bidden, maar de ware heilige, die uit beginsel handelt en de Godsdienst tot zijn keus maakt, zal volharden tot het einde en met God wandelen zolang als hij leeft, als die hoopt om tot in eeuwigheid met Hem te leven, Psalm 104:33.
II. Zijn glorierijke verplaatsing naar een betere wereld. Evenals hij niet gelijk de overigen geleefd heeft, zo is hij ook niet gelijk de overigen gestorven, vers 24. Hij was niet meer, want God nam hem weg.
a. Hij was niet langer in deze wereld. Het was niet het einde van zijn bestaan, maar van zijn bestaan hier. Hij werd niet gevonden, zoals de apostel het naar de LXX verklaart, niet gevonden door zijn vrienden, die hem zochten, zoals de kinderen van de profeten Elia zochten, 2 Koningen 2:17, niet gevonden door zijn vijanden, die naar sommigen denken, hem zochten, om hem in hun woede tegen hem vanwege zijn uitnemende Godsvrucht ter dood te brengen, zoals blijkt uit zijn profetie, dat er vele goddelozen waren, die harde woorden spraken en, waarschijnlijk harde dingen deden tegen Gods volk, Judas: 15. Maar God heeft Henoch voor hen verborgen, niet onder de hemel, maar in de hemel.
b. God nam hem, door de dienst van de engelen, met lichaam en ziel tot zich in het hemelse paradijs, zoals Hij later Elia tot zich heeft genomen. Hij was veranderd, zoals die heiligen veranderd zullen worden, die bij Christus' wederkomst levend zullen gevonden worden. Telkenmale als een Godvruchtige sterft, neemt God hem tot zich, haalt Hij hem van hier en ontvangt hem bij zich in de hemel. Betreffende Henoch voegt de apostel er bij, "dat hij voor zijn wegneming getuigenis heeft gehad, dat hij Gode behaagde," en dit was het goede getuigenis, dat hij had verkregen.
Met God wandelen is Gode welbehaaglijk. Wij kunnen niet anders met God wandelen op Hem welbehaaglijke wijze, dan door het geloof. God zelf zal hen eren, die door het geloof aldus met Hem wandelen. Hij zal hen thans erkennen, en op de grote dag voor engelen en mensen voor hen getuigen, zij, die dit getuigenis niet gehad hebben voor hun wegneming zullen het toch daarna hebben. Zij, wier wandel in de wereld in waarheid heilig is, zullen hun wegneming uit de wereld in waarheid gelukkig en zalig bevinden. Henochs wegneming was niet slechts een bewijs voor het geloof aan de werkelijkheid van een toekomende staat en van de mogelijkheid van het bestaan des lichaams in heerlijkheid in die staat, maar het was ook een bemoediging voor allen, die met God wandelen, om te hopen, dat zij voor eeuwig bij Hem zullen zijn. Uitnemende Godsvrucht zal gekroond worden met uitnemende eer.