Genesis 35:6-15
Jakob en zijn gevolg veilig te Beth-el gekomen zijnde, wordt ons hier gezegd wat daar voorviel.
I. Hij bouwde er een altaar, vers 7, en ongetwijfeld heeft hij er offeranden op geofferd, het tiende wellicht van zijn vee, volgens zijn gelofte: Ik zal U het tiende geven. Bij deze offeranden voegde hij lof en dank voor vorige goedertierenheden, inzonderheid die, welke het gezicht van die plaats weer levendig voor zijn geest bracht, en hij voegde er ook gebeden aan toe om de bestendiging van de gunst van God over hem en zijn gezin. En hij noemde de plaats, dat is: het altaar, El Beth-el, de God van Beth-el. Gelijk hij in dankbetuiging voor de eer, die God hem had aangedaan door hem Israël te noemen, God aanbad onder de naam van El-elohe Israël, zo aanbidt hij, in dankbetuiging voor de vroegere gunst van God over hem te Beth-el, de God van Beth-el, omdat God hem daar verschenen was. De troost, die de heiligen smaken in heilige inzettingen, is niet zozeer van Beth-el, het huis Gods, als van El-Beth-el, de God van het huis. De inzettingen zijn slechts lege dingen, als wij er God niet In ontmoeten.
II. Daar begroef hij Debora, Rebekka's voedster, vers 8. Wij hebben reden te geloven dat Jakob, nadat hij in Kanaän was teruggekomen en toen zijn gezin nabij Sichem woonde, zelf (en waarschijnlijk dikwijls), zijn vader Izaak te Hebron is gaan bezoeken. Rebekka was waarschijnlijk gestorven, maar haar oude voedster (van wie melding wordt gemaakt in Hoofdstuk 24:59) leefde nog, en Jakob nam haar in zijn gezin, om een gezellin te wezen voor zijn vrouwen, die van haar land waren, en een onderwijzeres voor zijn kinderen. Terwijl zij nu te Beth-el waren, stierf zij, en werd zozeer betreurd, dat de eik, waaronder zij begraven werd, Allon-Bachuth, de eik van het geween, genoemd werd. Oude dienstboden van een familie, die in hun tijd trouw en nuttig geweest zijn, moeten geëerd worden. Aan deze voedster werd na haren dood door Jakob's gezin eer aangedaan, hoewel zij niet aan hen verwant was, en of schoon zij oud was. In zulke gevallen moeten vroegere diensten herdacht worden. Wij weten niet waar de dood ons zal tegenkomen, misschien te Beth-el, het huis Gods. Zo laat ons dan altijd bereid wezen. Beproevingen in een gezin kunnen komen, ook wanneer een hervorming in het gezin plaatsheeft, en de godsdienst er hooggehouden wordt. Zo laat ons dan ons verheugen met ontzag.
III. Daar verscheen God hem, vers 9, om Zijn altaar te erkennen en te antwoorden op de naam, waarmee hij Hem genoemd had, de God van Beth-el, vers 7, en hem te vertroosten onder zijn beproeving, vers 8. God zal in den weg van de genade verschijnen aan hen, die op Hem wachten in den weg van de plicht.
1. Hier bevestigde Hij de verandering van zijn naam, vers 10. Tevoren werd die naam veranderd door de engel, die met hem worstelde, Hoofdstuk 32:28, en hier werd dit bevestigd door de goddelijke majesteit, of Shechina, die hem verscheen. Daar was het om hem te bemoedigen ten opzichte van zijn vrees voor Ezau, hier ten opzichte van zijn vrees voor de Kanaänieten. Wie zou iets vermogen tegen Israël, een vorst voor God? Het is beneden de waardigheid van hen, die aldus geëerd zijn, om het hoofd te laten hangen en zich aan wanhoop over te geven.
2. Hij vernieuwde en bevestigde het verbond met hem, bij de naam El-shaddai. Ik ben God de Almachtige, de algenoegzame God, vers 11, machtig om te bestemder tijd de belofte te vervullen, en intussen u te ondersteunen en in uw behoeften te voorzien. Er worden hem hier twee dingen beloofd, die wij tevoren reeds dikwijls gehad hebben.
a. Dat hij de vader zal zijn van een groot volk, groot in aantal: een menigte van volken zal uit u worden. Iedere stam van Israël was een natie, en alle twaalf samen een hoop van natiën. Groot in eer en macht, koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
b. Dat hij de heer zal zijn van een goed land, vers 12, voorgesteld door hen aan wie het beloofd was, Abraham en Izak, niet door de Kanaänieten, die het nu in bezit hadden. Het land, dat aan Abraham en Izak gegeven was, gaat nu als onvervreemdbaar erfdeel over aan Jakob en zijn zaad. Hij zal niet kinderen hebben zonder een bezitting, hetgeen dikwijls het geval is met de armen, en ook niet een bezitting zonder kinderen, hetgeen dikwijls de smart is van de rijken, maar hij zal beiden hebben. Deze twee beloften hadden een geestelijke betekenis, waarvan Jakob zelf, naar wij kunnen onderstellen, wel enig denkbeeld had, hoewel niet zo klaar en duidelijk als wij het nu hebben, want ongetwijfeld is Christus het beloofde Zaad en de hemel het beloofde land, de eerste is het fundament, de laatste de sluitsteen van al de gunsten van Gods
Toen voer Hij van hem, of van boven hem op in een zichtbare tentoonspreiding van heerlijkheid, die boven hem zweefde, terwijl Hij met hem sprak, vers 13. De lieflijkste gemeenschapsoefeningen van de heiligen met God in deze wereld zijn kort en voorbijgaand, komen spoedig tot een einde. Ons zien van God in de hemel zal eeuwig wezen, daar zullen wij voor altijd met de Heer wezen, hier is het zo niet.
IV. Daar heeft Jakob een gedenkteken hiervan opgericht, vers 14.
1. Hij stelde een opgericht teken. Toen hij naar Paddan-Aram ging, heeft hij de steen, die hem tot hoofdkussen had gediend, tot een gedenkteken opgericht. Dit kwam toen wèl overeen met zijn geringe toestand en zijn overhaaste vlucht, maar nu nam hij de tijd om een statiger monument op te richten, een dat meer onderscheidbaar en meer duurzaam was, en er waarschijnlijk die steen bij invoegende. Ten teken dat hij het als een heilig gedenkteken bedoelde van zijn gemeenschapsoefening met God, goot hij er olie en de andere bestanddelen van een drankoffer op. Zijn gelofte luidde: deze steen zal een huis van God wezen, dat is: zal opgericht worden ter ere van Hem, zoals huizen ter ere van hun bouwers, en hier volbrengt hij die gelofte, het aan God opdragende door het te zalven.
2. Hij bevestigde de naam, die hij tevoren aan de plaats gegeven had, vers 15. Beth-el, het huis van God. Toch heeft die plaats later de eer van haar naam verloren en werd Beth-aven, een huis van de ongerechtigheid want hier was het, dat Jerobeam een van zijn kalveren heeft opgericht. Het is ook voor de beste van de mensen niet mogelijk om de belijdenis, of ook maar den vorm, van godsdienst voor altijd aan een plaats te verbinden.