Psalm 78:9-39
In deze verzen:
I. Beschouwt de psalmist de bestraffingen van de Voorzienigheid, waaronder het volk van Israël was geweest, en die het zelf over zich gebracht had door trouwelooslijk te handelen met God, vers 9-11. De kinderen van Afrem, in welke stam Silo gelegen was, zijn, hoewel zij goed-gewapende boogschutters waren, omgekeerd ten dage des strijds. Dit schijnt te zien op de schandelijke nederlaag, die de Filistijnen hun hebben toegebracht in de dagen van Eli toen deze de ark hebben genomen, 1 Samuël 4:10,11. Daarvan begint de psalmist hier te spreken en na een lange uitweiding keert hij er toe terug, vers 61. Wel kon deze gebeurtenis aldus vers in het geheugen zijn in Davids tijd meer dan veertig jaren daarna, want de ark, die in die gedenkwaardige veldslag genomen was, is wel spoedig uit de gevangenschap uitgevoerd, maar niet uit haar afgelegen verblijfplaats tevoorschijn gebracht, voordat David haar van Kirjath Jearim naar zijn eigen stad heeft gebracht.
Merk op:
1. De schandelijke lafhartigheid van de kinderen Efraïms, die krijgshaftige stam, zo vermaard om zijn strijdbare helden, Jozua's stam. De kinderen van die stam, hoewel even goed als ooit gewapend, keerden om toen zij de vijand het hoofd moesten bieden. Krijgswapenen doen de mensen geen dienst zonder een krijgshaftige geest, en die is weg als God weggegaan is. Zonde maakt de mensen tot lafaards, ontneemt hun de moed.
2. De oorzaken van hun lafhartigheid, die niet minder schandelijk waren. Deze waren:
a. Een schandelijke verbreking van Gods wet en van hun verbond met Hem, vers 10, zij warend trouweloos en verraderlijk, want zij hielden Gods verbond niet, waren wederhorig en weerspannig, zoals zij in vers 8 beschreven zijn, want zij weigerden volstrekt en bepaald in Zijn weg te wandelen, en in werkelijkheid zeiden zij Hem in Zijn aangezicht dat zij niet door Hem geregeerd wilden worden.
b. Een schandelijke ondankbaarheid aan God voor de gunsten, die Hij hun bewezen had, zij vergaten Zijn daden en Zijn wonderen, Zijn wonderwerken, die zij hadden moeten bewonderen, vers 11. Ons vergeten van Gods daden is op de bodem van onze ongehoorzaamheid aan Zijn wetten.
II. Hieruit neemt hij aanleiding om precedenten te raadplegen, en dit te vergelijken met de zaak hunner vaderen, die even weinig acht sloegen op Gods zegeningen over hen, en ondankbaar waren jegens hun stichter en grote weldoener en dieswege onder Zijn misnoegen lagen. Het verhaal in deze verzen is zeer merkwaardig want het spreekt van een soort van worsteling tussen Gods goedheid en des mensen slechtheid, en hoe ten laatste de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
1. God heeft grote dingen gedaan voor Zijn volk Israël, toen Hij hen voor het eerst tot een volk had gevormd. Voor hun vaderen had Hij wonderen gedaan, ze niet alleen gedaan voor hun ogen, zodat zij ze zagen, maar tot hun behoeve, en zij waren zo vriendelijk en zo groot, dat men zou denken dat zij nooit vergeten konden worden. Wat hij in het land van Egypte voor hen gedaan heeft, wordt hier slechts even vermeld, vers 12, maar later wordt er opnieuw van gesproken, vers 43 Hier gaat hij voort om aan te tonen:
a. Hoe Hij een weg voor hen maakte door de Rode Zee, en hun de moed gaf om er door heen te gaan ofschoon de wateren boven hun hoofd stonden als een hoop, vers 13. Zie Jesaja 63:12,13, waar van God gezegd wordt, dat Hij hen als het ware bij de hand door de afgronden geleid heeft, opdat zij niet zouden struikelen.
b. Hoe Hij hen voorzag van een gids om hen door de onbetreden paden van de woestijn heen te voeren, vers 14. Hij leidde hen stap voor stap, des daags een wolk, die hen ook beschutte tegen de hitte, en de gehele nacht met een licht des vuurs, dat misschien de lucht verwarmde, de nachtelijke duisternis tenminste minder schrikwekkend maakte, en misschien ook de wilde dieren op een afstand hield, Zacheria 2:5.
c. Hoe Hij hun leger voorzag van drinkwater in een dor en dorstig land, waar geen water was, niet door de flessen des hemels te openen, (dat zou een gewone wijze van doen zijn geweest) maar door een rots te openen, vers 15, 16. Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, die water opleverden, hoewel zij ze noch van de wolken boven, noch van de bronnen beneden konden ontvangen. Uit de droge en harde rots gaf Hij hun te drinken, niet gedistilleerd, droppel voor droppel als uit een distilleerkolf, maar in stromen, afdalende als rivieren, en als uit de grote afgronden. God geeft overvloedig en is rijk in genade, Hij geeft tijdig en soms doet Hij ons het gebrek aan zegeningen gevoelen opdat wij er te beter de waardij van leren kennen. Dit water, hetwelk God aan Israël gaf uit de rots was zoveel kostelijker, omdat het een geestelijke drank was en dat de rots Christus was.
2. Toen God aldus begon hen te zegenen, begonnen zij Hem te beledigen, vers 17, Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, nog meer dan in Egypte, hoewel zij daar slecht genoeg waren, Ezechiël 20:8. Zij verdroegen de ellende hunner slavernij beter dan de moeilijkheden van hun verlossing, en hebben nooit tegen hun aandrijvers gemurmureerd zoals zij tegen Mozes en Aaron gemurmureerd hebben, alsof zij "verlost waren om al deze gruwelen te doen," Jeremia 7:10. Gelijk soms de zonde oorzaak neemt door het gebod, zo neemt zij op andere tijden oorzaak door de verlossing om nog meer zondig te worden. Zij verbitterden de Allerhoogste, hoewel Hij de Allerhoogste is, en zij wisten niet tegen Hem opgewassen te zijn, verbitterden zij Hem toch en trotseerden zij zelfs Zijn gerechtigheid. En dat wel in de woestijn, waar Hij hen in Zijn macht had, en hun belang dus eiste om Hem te behagen, en waar Hij hun zoveel genade betoonde, en zij dus uit dankbaarheid verplicht waren Hem te behagen, en toch deden en zeiden zij daar wat zij wisten tergend voor Hem te zijn. Ze verzochten God in hun hart, vers 18. Hun zonde begon in hun hart en vandaar had zij haar boosaardigheid. "Altijd dwalen zij met het hart," Hebreeën 3:10. Aldus verzochten zij God, stelden Zijn geduld op de proef tot het uiterste, en zeiden zij feitelijk dat Hij hun maar Zijn ergst moest doen. Op tweeërlei wijs tergden en verbitterden zij Hem.
A. Door te vragen, of liever te eisen, hetgeen Hem niet had goedgedacht hun te geven, begerende spijze naar hun lust. God had hun spijs gegeven naar hun honger in het manna gezond, aangenaam voedsel, en dat wel in overvloed. Hij had hun spijs gegeven naar hun geloof, "van de koppen des leviathans, die Hij verpletterd had," Psalm 74:14. Maar dit alles hielp niet, zij moeten spijs hebben naar hun lust, lekkernijen en verscheidenheid van spijzen om aan hun weelderige lusten te voldoen. Niets is tergender voor God dan ontevredenheid met hetgeen ons toebeschikt is, en toegeven aan de begeerten van het vlees.
B. Door Zijn macht te wantrouwen, om hun te geven wat zij begeerden. Dit was in waarheid God verzoeken. Zij tartten Hem hun vlees te geven, en zo Hij het niet deed, dan zouden zij zeggen dat het was, omdat Hij het niet kon niet omdat Hij het niet goed voor hen oordeelde, vers 19. Zij spraken tegen God. Zij, die perken stelden aan Gods macht, spraken tegen Hem. Het was zo beledigend mogelijk voor God, dat zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? Zij hadden manna, maar zij vonden niet dat hun een tafel was toegericht, tenzij er gekookt en gebraden vlees op was, er een eerste, tweede en derde gerecht op kwam zoals in Egypte, waar zij vlees en vis hadden met de saus er bij, Exodus 16:3, Numeri 11:5, vleesschotels en fruit. Welk een onredelijk, onverzadelijk ding is weelde! Zo hoge gedachten hadden deze epicuristen van een welvoorziene tafel, dat zij waanden dat God zelf hun die in de woestijn niet kon geven, terwijl toch "al het gedierte des wouds en al het gevogelte van de bergen Zijner zijn," Psalm 50:10, 11. Hun ongeloof aan Gods macht was zoveel erger omdat zij terzelfder tijd erkenden dat Hij voor hen gedaan had hetgeen even groot was, vers 20. Zie, Hij heeft de rotssteen geslagen, dat er wateren uit vloeiden, waarvan zij en hun vee dronken. En wat is gemakkelijker: een tafel toe te richten in de woestijn, dat een rijk man doen kan, of water uit een rots te doen voortkomen, waartoe de grootste potentaat op aarde niet bij machte is? Nooit heeft ongeloof, hoewel het altijd onredelijk is, zo ongerijmd een vraag gedaan: "Kan Hij, die een rots tot stromen waters heeft doen smelten, ook brood geven?" Of kan Hij, die brood heeft gegeven, ook vlees bezorgen? Is er iets te moeilijk voor de Almacht? Wanneer de gewone krachten van de natuur eens overschreden zijn, dan heeft God Zijn arm ontbloot, en dan moeten wij tot de slotsom komen dat voor Hem niets onmogelijk is. Al is het nog zo iets groots, dat wij vragen, betaamt het ons toch te erkennen: Heere, zo Gij wilt, Gij kunt.
3. God was rechtvaardiglijk vertoornd over deze terging, en zeer misnoegd op hen, vers 21. Daarom hoorde de Heere, en werd verbolgen. God is getuige van al onze murmureringen en ons wantrouwen. Hij hoort ze en is zeer misnoegd er over. "Een vuur werd ontstoken tegen Jakob en toorn ging ook op tegen Israël," Numeri 11:1. Of, het kan ook verstaan worden van het vuur van Gods toorn, dat ontbrandde tegen Israël. Voor ongelovigen is God zelf een verterend vuur. Zij die niet willen geloven in de kracht van Gods genade, zullen de kracht gevoelen van Zijn gramschap, en zullen moeten erkennen dat het vreeslijk is om in Zijn handen te vallen. Nu wordt ons hier gezegd:
A. Waarom God zo vertoornd was over deze terging, vers 22. Omdat hieruit bleek dat zij in God niet geloofden, zij schonken geen geloof aan openbaring, die Hij van zichzelf aan hen gedaan had, want zij durfden zich niet aan Hem toevertrouwen, zij vertrouwden niet op zijn heil, dat Hij voor hen had begonnen te werken, want anders zouden zij de voortgang ervan niet aldus in twijfel hebben getrokken. Diegenen kunnen niet gezegd worden op Gods heil te vertrouwen als hun gelukzaligheid ten laatste, die het niet van zich kunnen verkrijgen om op Zijn voorzienigheid te vertrouwen voor het brood huns bescheiden deels op weg er heen. Wat hun ongeloof verzwaarde was de ervaring, die zij gehad hebben van de macht en goedheid van God, vers 23-25. Hij had hun onloochenbare bewijzen gegeven van Zijn macht, niet alleen op aarde beneden, maar in de hemel boven, daar Hij de wolken van boven gebood, als Degene, die ze geschapen heeft, ze in het aanzijn gebood te komen, Hij maakte het gebruik er van, dat Hem behaagde. Gewoonlijk dragen zij door hun regenbuien er toe bij dat de aarde koren voortbrengt, maar thans hebben zij, daar God het gebood, zelf koren doen nederkomen, weshalve dit hier hemels koren genoemd wordt, want de hemel kan het werk doen zonder de aarde, maar de aarde niet zonder de hemel. God, die de sleutelen van de wolken heeft, opende de deuren des hemels, dat is meer dan de "vensteren te openen," waarvan toch als van een grote zegen wordt gesproken, Maleachi 3:10. Aan allen, die door geloof en gebed vragen, zoeken en kloppen, zullen deze deuren te allen tijde geopend worden, want de God des hemels is rijk in barmhartigheid voor allen, die Hem aanroepen, Hij houdt niet slechts een goed huis, maar Hij houdt open huis. Terecht kon God het ten kwade duiden dat zij Hem wantrouwden, nu Hij zo goed en liefderijk voor hen is geweest, dat Hij op hen het manna regende om te eten, degelijk voedsel, dagelijks ter bestemder tijd, genoeg voor allen, genoeg voor ieder. De mens at engelenbrood, spijze zoals de engelen haar zouden eten als zij voedsel nodig hadden, en er dankbaar voor zouden zijn, of liever, zoals het door de dienst van de engelen gegeven werd, en (zoals de Chaldeer het leest) gelijk het van de woonstede van de engelen nederkwam. Iedereen, zelfs het minste kind van Israël, at dit brood van de machtigen, de zwakste maag kon het verteren, en toch was het zo voedzaam, dat het krachtig voedsel was voor sterke mannen, en hoewel het zo goed was, werden zij er toch niet in beperkt, werd het hun niet op bekrompen wijze verstrekt, want Hij zond hun teerkost tot verzadiging. Als zij weinig opzamelden, lag dit aan henzelf, en toch hadden zij ook dan geen gebrek, Exodus 16:18. Hoewel er in de dagelijkse voorziening, die God voor ons maakt en altijd voor ons gemaakt heeft van dat wij in de wereld kwamen, niet zo'n wonder gelegen is als hierin, is er toch niet minder goedertierenheid en genade in, en derhalve een grote verzwaring van ons wantrouwen van God.
B. Hoe Hij Zijn toorn over die terging te kennen gaf. Niet door hun te onthouden wat zij met zoveel onstuimigheid begeerden, maar door het hun toe te staan.
a. Twijfelden zij aan Zijn macht? Hij gaf hun spoedig het zeer merkbare bewijs dat Hij een tafel kon toerichten in de woestijn. Hoewel de winden schijnen te blazen waarheen zij willen, kon Hij toch, als Hem dit behaagde, hen tot spijsbezorgers maken om voorraad aan te brengen, vers 26. Hij dreef de oostenwind voort in de hemel, en voerde de zuidenwind aan door Zijn sterkte, hetzij een zuid-oostenwind, of een oostenwind, eerst om de kwakkelen aan te voeren van die zijde en toen een zuidenwind om er nog meer van aan te voeren uit die hoek, zodat Hij vlees op hen regende, en dat wel van de fijnste soort, geen rundvlees, maar wild gevogelte, en in grote overvloed, als stof, als zand van de zeeën, vers 27, zodat de geringste Israëliet er genoeg van kon hebben, en het kostte hun niets, neen niet eens de moeite om het van de bergen te halen, want Hij deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen, vers 28. Wij hebben het verhaal ervan in Numeri 11:31, 32. Zie hoe goed God is, zelfs voor de bozen en ondankbaren, en verwonder u dat Zijn goedheid hun slechtheid niet overwint. Zie hoe weinig reden wij hebben om over Gods liefde te oordelen naar gaven van Zijn milddadigheid zoals deze, lekkere brokskens zijn geen tekenen van Zijn bijzondere gunst. Christus heeft aan Zijn discipelen, die Hij liefhad, droog brood gegeven, maar aan Judas, die Hem verried, gaf Hij het brood, dat in de schotel (met saus) gedoopt was.
b. Hebben zij Zijn gerechtigheid getrotseerd, en roemden zij dat zij hun zin hadden gekregen? Die kwakkelen zijn hun duur te staan gekomen, want hoewel Hij hun hun lust toebracht, waren zij nog niet vervreemd van hun lust, vers 29, 30. Hun begeerte was onverzadelijk, zij waren zat, maar niet tevreden, want zij wisten niet wat zij wilden, dat is de aard van de lust, hij is met niets tevreden, en hoe meer er aan wordt toegegeven, hoe meer hij wil hebben. Zij, die zich toegeven in hun lusten, zullen er nooit van vervreemd worden. Of het geeft te kennen dat Gods milddadigheid hen niet beschaamd maakte over hun ondankbaar lusten, zoals geschied zou zijn indien er nog eerbesef in hen was overgebleven. Maar wat was er het gevolg van? Hun spijs was nog in hun mond, als een lekker broksken onder de tong gehouden, als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, vers 31, hen, die het weelderigst en vermetelst waren. Zie Numeri 11:33, 34. Zij werden gemest als schapen tot stichting, de slachter neemt de vetsten het eerst. Wij kunnen onderstellen dat er sommige vrome, vergenoegde Israëlieten waren, die met mate van de kwakkelen gegeten hebben en er geen schade van ondervonden hebben, want het was niet de spijs, die hen vergiftigde, maar hun eigen lusten. Laat epicuristen en zinnelijke lieden hier hun oordeel lezen, het einde van hen, "die van de buik een god maken, is verderf," Filipp. 3:19. De voorspoed van de zotten zal hen verderven, en hun verderf zal zoveel groter zijn.
4. De oordelen Gods hebben hen niet verbeterd, en evenmin als Zijn het doel bereikt vers 32. Boven dit alles zondigden zij nog zij murmureerden en twistten met God en Mozes evenveel als ooit tevoren. "God was verbolgen en sloeg hen, evenwel gingen zij afkerig henen in de weg huns harten," Jesaja 57:17, zij geloofden niet door Zijn wonderen. Hoewel Zijn daden van de gerechtigheid even grote wonderen waren en even grote bewijzen van Zijn macht als Zijn daden van genade, hebben zij toch niet bij hen uitgewerkt dat zij God vreesden, noch hen er van overtuigd dat het van het grootste belang voor hen was om Hem tot hun vriend te maken. Die harten zijn wel zeer verhard, die noch vertederd worden door Gods genade, noch verbroken worden door Zijn oordelen.
5. Daar zij volhardden in hun zonden, ging God voort met Zijn oordelen, maar het waren oordelen van een andere aard, die niet plotseling, maar langzaam werkten. Hij strafte hen thans niet met zulke hevige ziekten, als die was, welke hun vetsten doodde, maar met een langwijlige kwaal, vers 33. Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid in de woestijn, en hun jaren in moeite. Door een onherroepelijk vonnis waren zij veroordeeld om acht en dertig moeizame jaren in de woestijn door te brengen, die inderdaad verteerd werden in ijdelheid, want in al die jaren waren zij geen stap nader bij Kanaän gekomen, maar teruggedreven, en zo hebben zij heen en weer gedwaald als in een doolhof, en geen enkele slag geslagen voor de verovering ervan. En niet alleen in ijdelheid, maar in moeite want hun dode lichamen waren veroordeeld om in de woestijn te vallen, en daar zijn zij ook allen, behalve Jozua en Kaleb, omgekomen. Zij, die nog zondigen, moeten verwachten nog in moeite te zijn. En de reden, waarom wij onze dagen in zoveel ijdelheid en moeite doorbrengen, en met zo weinig nut, is dat wij niet leven door geloof.
6. Onder deze bestraffingen beleden zij berouw, maar zij waren er niet hartelijk, niet oprecht in.
a. Hun belijdenis was zeer schoonschijnend, vers 34, 35. Als Hij hen doodde, of veroordeelde om gedood te worden, zo vroegen zij naar Hem, zij beleden hun schuld en vroegen om vergeving. Toen sommigen gedood werden, hebben anderen in verschrikking tot God geroepen om genade, en beloofd dat zij zich zouden beteren, goed en gehoorzaam zouden zijn, zij keerden weer en zuchten God vroeg. Zo zou men gedacht hebben dat zij werkelijk begeerden Hem te vinden. En zij wendden dit voor, omdat zij, hoe zij het tevoren ook vergeten hadden, thans gedachten dat God hun rotssteen was, en daarom wilden zij, nu zij Hem nodig hadden, de toevlucht tot Hem nemen en bij Hem schuilen, en nu gedachten zij dat de hoge God hun verlosser was, die hen uit Egypte had uitgevoerd, en tot wie zij dus met vrijmoedigheid konden komen. Beproevingen worden gezonden om ons God te doen gedenken als onze rotssteen en onze verlosser, want in voorspoed zijn wij maar al te licht geneigd Hem te vergeten.
b. Zij waren niet oprecht in hun belijdenis, vers 36, 37. Zij vleiden Hem met hun mond, alsof zij dachten door schone woorden Hem te bewegen het vonnis te herroepen en het oordeel weg te nemen, met het stille voornemen om hun woord te breken als het gevaar voorbij was. "Zij hebben zich niet bekeerd met hen gehele hart, maar valselijk", Jeremia. 3:10. Al hun betuigingen, gebeden en beloften werden hun op de pijnbank afgeperst, het was duidelijk dat zij niet meenden wat zij zeiden, want zij bleven er niet bij, zij ontdooiden in de zon, maar bevroren in de schaduw, zij hebben God slechts gelogen met hun tong, want hun hart was niet recht met Hem, zoals bleek in de uitkomst, want zij waren niet getrouw in Zijn verbond. Zij waren niet oprecht in hun verbetering, want zij waren niet getrouw, en door te denken dat zij aldus de hart doorgrondenden God konden bedriegen, hebben zij Hem evenzeer beledigd als door alles wat zij tegen Hem gesproken hadden.
7. Hierop heeft God in ontferming over hen de oordelen doen ophouden, die bedreigd en ten dele uitgevoerd waren, vers 38, 39. Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid. Men zou gedacht hebben dat die geveinsde bekering de maat hunner ongerechtigheid vol zou doen worden. Wat kon tergender zijn dan aldus de heilige God te liegen, dan aldus "een deel van de prijs terug te houden" het voornaamste deel? Handelingen 5:3. En toch, Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, in zover dat Hij hen niet verdierf, hen niet uitroeide, om geen volk te zijn, zoals Hij rechtvaardiglijk had kunnen doen, maar spaarde hun leven, totdat zij een ander geslacht opgebracht hadden, dat in het beloofde land zou ingaan. "Verderf ze niet, want daar is een zegen in", Jesaja 65:8. Dikwijls wendde Hij Zijn toorn af, want Hij is meester van Zijn toorn, en wekte Zijn gehele grimmigheid niet op, om met hen te handelen naar zij het verdienden. En waarom deed Hij het niet? Niet omdat hun verderf enigerlei verlies voor Hem geweest zou zijn maar,
a. Omdat Hij barmhartig was, en, toen Hij ging verderven, "werd al Zijn berouw tezamen ontstoken," en Hij zei: "Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël?" Hosea 11:8.
b. Omdat, hoewel zij niet gedachten dat Hij hun rotssteen was, Hij gedacht dat zij vlees waren. Hij nam in aanmerking de verdorvenheid van hun natuur, die hen tot kwaad neigde, en het behaagde Hem om dat als een verontschuldiging te gebruiken om hen te sparen, hoewel het in werkelijkheid geen verontschuldiging was voor hun zonde, Genesis 6:3. Hij nam de zwakheid en broosheid hunner natuur in aanmerking, en hoe gemakkelijk het zou zijn hen te verpletteren. Zij zijn als een wind, die heengaat en niet wederkeert. Zij kunnen spoedig weggenomen worden, maar als zij weggegaan zijn, dan zijn zij onherroepelijk weg, en wat zal er dan van het verbond met Abraham worden? Zij zijn vlees, zij zijn wind, en daarnaar kan men gemakkelijk redeneren dat zij rechtvaardiglijk en terstond uitgeroeid kunnen worden er zou niets aan worden verloren, maar Gods redenering is hier vlak tegenover, Hij zal hen niet verderven, want de ware reden is: Hij is vol van ontferming, vers 38.