Numeri 11:31-35
God had Zijn belofte aan Mozes vervuld, Hij had hem helpers gegeven voor de regering, en hiermede Zijn macht bewezen over de geesten van de mensen, door Zijn Geest. Hier vervult Hij Zijn belofte aan het volk, door hun vlees te geven, en daarmee bewees Hij Zijn macht over de mindere schepselen, en Zijn heerschappij in het rijk van de natuur.
Merk op:
1. Hoe aan het volk overvloed van vlees werd gegeven, vers 31. Een wind (een zuidoostenwind, zoals blijkt uit Psalm 78:26) voerde kwakkelen aan. Het is onzeker wat soort van dieren het waren, de psalmist noemt ze gevleugeld gevogelte. De geleerde bisschop Patrick is geneigd om zich te verenigen met het gevoelen van sommige hedendaagse schrijvers, die denken dat het sprinkhanen waren een smakelijke spijze, welbekend in die streken, te meer, omdat zij door een wind werden aangevoerd, in hopen op de grond lagen, en in de zon gedroogd werden tot gebruik. Wat zij nu ook waren, zij beantwoordden aan het doel, zij dienden om een maand lang aan Israël een feestmaal te bezorgen, zo'n toegevend Vader was God voor Zijn weerstrevend gezin. Sprinkhanen, die een plaag waren voor het vruchtbare Egypte, daar zij vruchten en groenten verslonden, waren een zegen in de dorre woestijn, daar zij nu zelf tot voedsel dienden.
2. Hoe gulzig zij waren op dit vlees, dat God hun zond, met onverzaadbaren eetlust vlogen zij op de buit, geen acht slaande op wat Mozes hun van Gods wege had gezegd, dat zij er oververzadigd van zullen worden, vers 32 Twee dagen en een nacht waren zij bezig met vlees te verzamelen, totdat ieder hoofd van een gezin op zijn minst tien homers tehuis bracht (dat was tien ezelsvrachten). David verlangde naar water uit de bronput van Bethlehem, maar toen hij het had, wilde hij het niet drinken, omdat het met levensgevaar verkregen was, veel meer reden hadden deze Israëlieten om dit vlees te weigeren, dat verkregen was door murmurering, en dat hun naar zij goed konden bemerken aan hetgeen Mozes gezegd had, in toorn was gegeven. Maar zij, die zich onder de macht bevinden van een vleselijken zin, willen hun lusten bevredigd zien, al is het ook tot verderf van hun kostelijke ziel.
3. Hoe duur zij hun maaltijden betaalden toen het tot afrekening kwam, vers 33. De Heere sloeg het volk met een zeer grote plaag, de een of andere lichaamskrankheid, waarschijnlijk wel het gevolg van oververzadiging, die aan velen hunner het leven kostte, en dat zullen wel de aanvoerders geweest zijn in de rebellie. God geeft dikwijls de begeerten van de zondaren in toorn tegen hen, terwijl Hij de begeerten van Zijn volk afwijst in liefde. "Hij gaf hun wat zij begeerden," "maar henzelf deed Hij wegteren," Psalm 106:15. Door al wat tot hen gezegd was, "waren zij nog niet" "vervreemd van hun lust," en daarom, "als hun spijs nog in hun mond" "was, ging Gods toorn tegen hen op," Psalm 78:30, 31. Wij hebben reden te vrezen dat, als wij verkrijgen wat wij zo onstuimig begeerd hebben, het op de een of andere wijze een verdriet en kruis voor ons zal worden. God heeft eerst voor hen voorzien, en hen toen met een plaag bezocht:
a. Om de roem van Zijn macht hoog te houden, opdat er niet gezegd zou worden: "Hij zou hen niet gedood hebben, indien Hij bij machte ware geweest hen te voldoen." En:
b. Om ons de betekenis te tonen van de voorspoed van de goddelozen, het is hun toebereiding voor het verderf, zij worden gemest als een os voor de slachtbank. Eindelijk. De gedachtenis hiervan wordt bewaard in de naam, die aan deze plaats gegeven is, vers 34. Mozes noemde haar Kibroth Thaäva, de graven van de berusten, of van de lust. En het zou kostelijk geweest zijn, indien deze graven van Israël berusten gebleken hadden de graven te zijn van Israëls lust. De waarschuwing was bestemd om het alzo te doen zijn, maar zij had die uitwerking niet, want er volgt in Psalm 78:"Boven dit alles zondigden zij nog."