Numeri 11:1-3
1. Hier is de zonde van het volk. Zij waren zich beklagende, vers 1. Er was een verborgen morren, een ontevredenheid onder hen, die voor het ogenblik nog niet in openlijke rebellie uitbrak. Maar hoe een grote hoop hout werd door dit kleine vuur niet aangestoken! Zij hadden voortreffelijke wetten en inzettingen van God ontvangen, maar toch, niet zodra waren zij van de berg Gods weggetrokken, of zij begonnen met God zelf te twisten. Zie hierin:
a. Het zondige van de zonde. die, oorzaak genomen hebbende door het gebod, hierdoor nog te meer tergend werd.
b. De krachteloosheid van de wet door het vlees, Romeinen 8:3. De wet heeft de zonde ontdekt, maar kon haar niet tenietdoen, zij heeft haar voor een tijd in bedwang gehouden, maar kon haar niet uitroeien. Zij waren zich beklagende. De uitleggers vragen waarover zij klaagden, en waarlijk, daar zij toch zoveel reden hadden om dankbaar te zijn, kan men zich met verbazing afvragen, wat hun een reden kon geven tot klagen, en wij kunnen denken dat zij, die klaagden, het niet onder elkaar eens waren over de oorzaak. Sommigen klaagden misschien omdat zij van de berg Sinai weggezonden waren, waar zij gedurende zo lange tijd hadden gerust, anderen omdat zij er niet eerder van weggezonden waren, sommigen klaagden over het weer, anderen over de wegen, sommigen hebben misschien gedacht dat een reis van drie dagen een te lange tocht was, anderen dat die mars niet lang genoeg was, daar zij er niet door in Kanaän gekomen waren. Als wij bedenken hoe hun leger geleid, bewaakt en lieflijk was gemaakt, welke goede levensmiddelen zij hadden, en welk goed gezelschap, hoe er voor hen gezorgd werd op hun tocht, opdat hun voeten niet zouden zwellen en hun klederen aan hen niet zouden verouderen, Deuteronomium 8:4, dan kunnen wij vragen: "Wat zou er meer kunnen gedaan zijn voor een volk om het hun aangenaam te maken?" En toch, zij waren zich beklagende. Zij, die een gemelijk, ontevreden humeur hebben, zullen altijd iets vinden, dat hun niet naar de zin is, al zijn de omstandigheden van hun uitwendigen toestand ook nog zo gunstig.
2. Gods rechtvaardige toorn over de belediging, die Hem door deze zonde werd aangedaan. De Heere hoorde het, hoewel het niet blijkt dat Mozes het hoorde. God kent de verborgen murmurering en ontevredenheid van het hart, al wordt die nog zo zorgvuldig voor de mensen verborgen gehouden. Wat Hij zag, mishaagde Hem. Zijn toorn ontstak. Hoewel God ons genadiglijk toelaat om tot Hem te klagen, als er oorzaak voor ons is, Psalm 142:3, is Zijn toorn toch terecht ontstoken, en neemt Hij het zeer euvel op, als wij zonder oorzaak over Hem klagen, zulk doen mishaagt ons in onze minderen.
3. Het oordeel, waarmee God hen kastijdde voor deze zonde. Het vuur des Heeren ontbrandde onder hen. Zulke vuurschichten uit de wolk, als die waardoor Nadab en Abihu gedood werden. Het vuur van hun toorn tegen God brandde in hun ziel, Psalm 39:4, en met recht hecht zich nu het vuur van Gods toorn aan hun lichaam. Wij hebben reeds verscheidene malen van hun murmureringen gelezen, nadat zij uit Egypte waren gegaan, Exodus 15, 16 en 17. Maar wij lezen van geen plaag, die wegens hun murmureren over hen gekomen is, zoals nu bij deze gelegenheid, want zij hadden nu grote ondervinding opgedaan van Gods zorg over hen, en daarom was hun wantrouwen zoveel te minder te verontschuldigen. Nu "werd" "een vuur ontstoken tegen Jakob," Psalm 78:21, maar om te tonen hoe ongaarne God tegen hen streed, hechtte dit vuur zich slechts aan hen, die in het uiterste van het leger waren. Zo kwamen Gods oordelen trapsgewijze over hen, opdat zij gewaarschuwd zouden wezen. 4. Hun roepen tot Mozes, die hun beproefde voorbidder was, vers 2. Als Hij hen doodde zo vraagden zij naar Hem, en wendden zij zich tot Mozes, opdat hij hun voorspraak zou zijn. Als wij klagen zonder er reden voor te hebben, dan is het rechtvaardig in God om ons reden tot klagen te geven. Zij, die Gods vrienden gering achten, als zij in voorspoed zijn, zullen hen gaarne tot hun vrienden hebben als zij zich in benauwdheid bevinden: Vader Abraham, zend Lazarus.
5. Het overmogen van Mozes' gebed voor hen. Mozes bad tot de Heere, ( hij was altijd bereid voor hen in de bres te staan teneinde Gods toorn af te wenden), God zag hem en zijn offer aan, en het vuur werd gedempt. Hieruit blijkt, dat God geen vermaak heeft in straffen, want als Hij Zijn twistzaak begonnen is, wordt Hij spoedig bewogen haar op te geven. Mozes was een van die helden, die door het geloof de kracht van het vuur hebben uitgeblust.
6. Een nieuwe naam, die hierop aan deze plaats werd gegeven, om de schande in gedachtenis te doen blijven van een murmurerend volk, en de eer van een rechtvaardig God werd die plaats Tab-era genoemd, dat is een branding, vers 3, opdat anderen zullen horen en vrezen, en zich laten waarschuwen om niet te zondigen, zoals zij gezondigd hebben, en gestraft worden, zoals zij gestraft werden, 1 Corinthiërs 10:10.