1 Samuël 4:10-11
Hier is een kort bericht van de uitslag van deze krijg.
I. Israël werd geslagen, het leger verstrooid en op de vlucht gedreven, zich niet, zoals tevoren, terugtrekkende in het kamp, vers 2, toen zij hoopten zich weer te herstellen, maar ieder keerde terug naar zijn tent, zocht zo goed mogelijk naar zijn eigen huis te komen, er aan wanhopende om nog weerstand te kunnen bieden, en dertig duizend man waren gesneuveld, vers 10. Israël moest het onderspit delven.
1. Hoewel zij voor een goede zaak streden, het volk van God waren, en de Filistijnen onbesneden waren, zij waren opgestaan ter noodzakelijke verdediging van hun rechten en vrijheden tegen de aanvallers er van, hadden zij toch geen voorspoed, want hun Rotssteen had hen verkocht. Dikwijls lijdt een goede zaak om de wille van de slechte mensen, die haar voorstaan.
2. Hoewel zij meer vertrouwen hadden. Zij juichten, terwijl de Filistijnen beefden, en toch zal, als het Gode behaagt het aldus te verordineren, van de Filistijnen vrees in gejuich verkeren, en Israëls juichtoon in klaagzangen.
3. Hoewel zij de ark Gods bij zich hadden. Uitwendige voorrechten zullen hen niet beveiligen, die er misbruik van maken en er niet naar leven. De ark in het leger zal niets aan zijn sterkte toevoegen, als er een Achan in is.
II.De ark zelf werd door de Filistijnen genomen en Hofni en Pinehas, die er zich waarschijnlijk dichtbij hielden, en toen zij in gevaar was, zich ver gewaagd hebben ter harer verdediging, omdat zij er hun inkomsten door hadden, werden beide gedood, vers 11.
Naar deze treurige gebeurtenis verwijst de psalmist Psalm 78:61, 64. "Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders. Hun priesters vielen door het zwaard".
1. De dood van de priesters was, hun slecht karakter in aanmerking genomen, geen groot verlies voor Israël, maar hij was een schrikkelijk oordeel over het huis van Eli. Het woord, dat God had gesproken, werd er in vervuld, Hoofdstuk 2:34. Dit zal u een teken zijn, een voorproef van de bedreigde oordelen, uw beide zonen zullen op een dag sterven, en zo zal al de menigte uws huizes sterven, mannen geworden zijnde, vers 33. Indien Eli zijn plicht gedaan had, en hen "als onreinen van het priesterdom geweerd had", Nehemia 7:64, zij zouden wellicht in het leven gebleven zijn, al was het de ook in oneer, maar nu neemt God zelf het werk in handen, en jaagt hen door het zwaard van de onbesnedenen de wereld uit, de Heere is bekend geworden, Hij heeft recht gedaan. Het is waar, het zwaard verteert de een zowel als de ander, maar deze werden door het zwaard opgewacht, getekend zijnde voor de wraak. Zij waren buiten hun plaats, wat hadden zij in het leger te doen? Als de mensen de weg huns plichts verlaten, dan sluiten zij zich buiten Gods bescherming. Maar dit was niet alles, zij hadden de ark verraden door haar in gevaar te brengen zonder daar volmacht van God toe te hebben, en dit heeft de maat hunner ongerechtigheid vol doen worden. Maar: 2. Het nemen van de ark was een zeer zwaar oordeel over Israël, en een onmiskenbaar teken van Gods ongenoegen tegen hen. Nu wordt hun hun dwaasheid getoond van op hun uitwendige voorrechten te vertrouwen, als zij ze door hun goddeloosheid verbeurd hebben, en zich in re beelden dat de ark hen zou redden, als God hen had verlaten. Nu kunnen zij met groot leedwezen nadenken over hun roekeloosheid en vermetelheid in het brengen van de ark in het leger en haar aldus aan gevaar bloot te stellen, en vurig wensen, dat zij haar gelaten hadden, waar God haar had gevestigd. Nu zijn wij er van overtuigd, dat God zich door geen ijdele, dwaze mensen de wet laat stellen, en dat Hij ons wel aan de ark gebonden heeft, maar er zichzelf niet aan heeft gebonden, doch haar veeleer in de handen van Zijn gezworen vijanden zal overgeven, dan haar te laten ontheiligen door Zijn valse vrienden en hun bijgeloof te steunen. Laat niemand denken zich tegen de toorn Gods te kunnen beschutten onder de dekmantel van een uitwendige belijdenis, want er zullen in de buitenste duisternis uitgeworpen worden, die "in Christus' tegenwoordigheid hebben gegeten en gedronken".