Psalm 78:1-8
Deze verzen, die de inleiding bevatten tot deze geschiedenis, tonen aan dat de psalm beantwoordt aan het opschrift, hij is inderdaad Maschil, een psalm ter onderwijzing. Indien wij het onderricht, dat hij geeft, niet aannemen, dan is dit onze schuld.
I. De psalmist vraagt aandacht voor wat hij geschreven heeft, vers 1. O mijn volk, neemt mijn wet ter oren. Sommigen houden dit voor de woorden van de psalmist. David, als koning, of Asaf in zijn naam, als zijn staatssecretaris, of als secretaris van de lieflijke zanger Israëls, roept hier zijn volk op als het volk, dat onder zijn opzicht was gesteld, aan zijn zorg was toevertrouwd, om te horen naar zijn wet. Hij noemt zijn onderricht zijn wet of zijn edict, zodanig was deszelfs gebiedende kracht, elke goede waarheid, ontvangen in het licht en de liefde ervan, zal kracht van wet hebben voor het geweten, maar dat was niet alles: David was koning, en hij wilde zijn koninklijke macht aanwenden tot stichting van zijn volk. Indien God door Zijn genade grote mannen tot godvruchtige mannen maakt, dan zullen zij instaat zijn om meer goed te doen dan anderen, omdat hun woord wet zal zijn voor allen, die hen omringen, die dus gehoor moeten geven, moeten luisteren, want waartoe is de Goddelijke openbaring tot onze oren gebracht, indien wij er ons oor niet toe willen neigen, ons niet verootmoedigen, ons niet er toe verbinden om er naar te horen en er acht op te slaan? Of wel: de psalmist, een profeet zijnde, spreekt als Gods mond, en zo noemt hij hen mijn volk, en eist onderwerping aan hetgeen gezegd is als aan een wet. "Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt," Openbaring 2:7.
II. Er worden verscheidene redenen gegeven waarom wij naarstig moeten acht geven op hetgeen hier verhaald wordt.
1. De zaken, waarover gehandeld wordt, zijn van groot gewicht, verdienen aandacht en nadenken, vers 2. Ik zal mijn mond opendoen met spreuken, met hetgeen verheven en ongemeen maar zeer voortreffelijk is en onze aandacht ten volle waardig. Ik zal verborgenheden overvloedig uitstorten, die evenzeer uw aandacht eisen als de raadselen waarmee Oosterse vorsten en geleerden elkanders vernuft op de proef stelden. Het worden duistere gezegden genoemd, niet omdat zij moeilijk te verstaan zijn, maar omdat zij grotelijks bewonderd en zorgvuldig nagegaan moeten worden. Dit wordt gezegd vervuld te zijn in de gelijkenissen, die onze Heiland heeft voorgesteld, Mattheus 13:35 en die, evenals deze, voorstellingen waren van de staat van het koninkrijk Gods onder de mensen.
2. Het zijn de monumenten van de oudheid, duistere gezegden van oudsher, die onze vaders ons verteld hebben, vers 3. Het zijn dingen van ontwijfelbare zekerheid, wij hebben ze gehoord en geweten, en er kan aan de waarheid ervan niet getwijfeld worden. Het Evangelie van Lukas wordt genoemd "een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben, Lukas 1:1, dat zijn ook de dingen, die hier verhaald worden. De eer, die wij aan onze ouders en voorouders verschuldigd zijn, legt ons de plicht op om acht te geven op hetgeen onze vaders ons verteld hebben, en in zover het waar en goed schijnt te wezen, het met zoveel te meer eerbied te ontvangen en ter harte te nemen.
3. Zij moeten aan het nageslacht worden overgeleverd, en ons is de last opgedragen om dit met grote zorgvuldigheid te doen, vers 4, omdat onze vaders ze ons verteld hebben, zullen wij ze niet verbergen voor hun kinderen. Onze kinderen worden de hunne genoemd, want zij waren in zorg voor het zaad huns zaads en beschouwden het als het hunne. En als wij onze kinderen de kennis van God leren, dan betalen wij aan onze ouders iets van hetgeen wij hun verschuldigd zijn voor het onderwijs, dat wij van hen hebben ontvangen. Indien wij nu zelf geen kinderen hebben, dan moeten wij de dingen Gods vertellen aan hun kinderen, aan de kinderen van anderen. Onze zorg moet wezen voor het nageslacht in het algemeen, en niet alleen voor onze eigen nakomelingen, en voor het toekomende geslacht, voor de kinderen, die geboren zullen worden, zowel als voor het volgende opkomende geslacht, en de kinderen, die geboren zijn. Wat wij aan onze kinderen hebben over te leveren is niet alleen de kennis van talen, kunsten en wetenschappen, vrijheid en eigendom, maar inzonderheid de loffelijkheden des Heeren, en Zijn sterkte, blijkende in de wonderen, die Hij gedaan heeft. Onze grote zorg moet wezen om onze Godsdienst, het grote pand, dat ons toevertrouwd werd, zuiver en ongeschonden over te geven in de handen van hen, die ons opvolgen.
Er zijn twee dingen, waarvan wij de volledige en heldere kennis als erfgoed aan onze erfgenamen moeten nalaten.
A. De wet van God, want deze werd gegeven met de uitdrukkelijken last om haar naarstig aan hun kinderen te onderwijzen, vers 5. Hij heeft een getuigenis, of verbond, opgericht in Jakob en een wet gesteld in Israël. Hij gaf hun geboden en beloften, die Hij "hun gebood, dat ze hun kinderen zouden bekend maken," Deuteronomium 6:7, 20. De kerk van God moest niet zoals de geschiedschrijver van het Romeinse gemenebest zegt, "res unies aetatis een zaak voor één eeuw," wezen maar van het een geslacht tot het andere bewaard blijven, en daarom heeft God, gelijk Hij gezorgd heeft voor een opvolging van bedienaren van de Godsdienst in de stam van Levi en het huis van Aaron, ook bepaald dat ouders hun kinderen moeten onderwijzen in de kennis van Zijn wet, en als deze opgegroeid zijn, dan moeten zij opstaan om ze hun kinderen te vertellen, vers 6, opdat, als het ene geslacht van Gods dienstknechten en aanbidders voorbijgegaan is, een ander geslacht zal komen, en de kerk, evenals de aarde, zal staan in eeuwigheid, en Gods naam onder de mensen zal zijn als de dagen van de hemelen.
B. De wegen van Gods voorzienigheid met hen, beide in genade en oordeel. Het voorgaande schijnt om der wille hiervan vermeld te zijn. Daar God bevolen heeft dat Zijn wetten aan het nageslacht bekend gemaakt zullen worden, is het een vereiste dat met haar ook Zijn werken bekend gemaakt zullen worden -de vervulling van de beloften, gedaan aan de gehoorzamen, en de bedreigingen gericht tegen de ongehoorzamen. Laat deze verteld worden aan onze kinderen en kindskinderen.
a. Opdat zij aangemoedigd zullen worden om zich naar de wil van God te gedragen, vers 7. Opdat zij, niet vergetende de wonderen, die God in vroegere tijden gewrocht heeft, hun hoop op God zullen stellen, Zijn geboden zullen houden, zich Zijn gebod tot regel zullen stellen en Zijn verbond tot hun steun. Diegenen alleen kunnen met vertrouwen hopen op Gods heil, die er een gewetenszaak van maken om Zijn geboden te doen. De daden Gods, behoorlijk overdacht zijnde, zullen ons zeer versterken in ons besluit, beide om onze hoop op God te stellen en om Zijn geboden te bewaren, want Hij is machtig om ons in beide te helpen en te schragen.
b. Opdat zij gewaarschuwd zouden zijn om het voorbeeld hunner vaderen niet te volgen, vers 8. Dat zij niet zouden worden geluk hun vaders, een wederhorig en weerspannig geslacht. Zie hier: Ten eerste, wat het karakter hunner vaderen was, hoewel zij het zaad van Abraham waren, opgenomen in het verbond met God, en, voorzoveel wij weten, het enige belijdende volk, dat Hij toen had in de wereld, waren zij toch wederhorig en weerspannig, wandelden zij in tegenheid met God, in lijnrechte tegenspraak met Zijn wil. Wel beleden zij in betrekking tot Hem te staan, maar zij hebben hun hart niet gericht, hun hart was niet in hun verbintenis aan God, zij weren niet innig in hun aanbidding van Hem, en daarom was hun geest niet getrouw met God, maar bij alle gelegenheden van God afgegaan. Geveinsdheid is de grote weg naar de afval, zij, die hun hart niet richten, zullen niet getrouw zijn met God, maar zijn veranderlijk.
Ten tweede. Wat de last was aan de kinderen, dat zij niet moesten worden geluk hun vaders. Zij, die van slechte, goddeloze voorouders afstammen, zullen, indien zij slechts op het Woord en de daden Gods willen letten, reden genoeg zien om niet in hun voetstappen te treden. Het zal geen verontschuldiging zijn voor een ijdele wandel, dat hij van de vaderen is overgeleverd, 1 Petrus 1:18, want wat wij van hen weten, dat kwaad was, moet een waarschuwing voor ons wezen om bevreesd te zijn voor hetgeen verderfelijk was voor hen, zoals wij de handelingen zullen schuwen, die voor hun gezondheid en hun bezittingen verderflijk zijn geweest.