Psalm 87:1-3
Sommigen houden de eerste woorden van de psalm voor een deel van het opschrift, het is een psalm, of lied, waarvan de heilige bergen het onderwerp zijn, de tempel, in Zion gebouwd op de berg Moria. Dat is de grondslag van de inhoud, het begin van de psalm. Of wij kunnen onderstellen dat de psalmist nu de tabernakel of tempel op het oog had, er de heerlijkheid van beschouwde, en toen eindelijk lucht gaf aan deze uitdrukking, die verwijst, niet naar wat hij tevoren had geschreven, maar naar hetgeen, waaraan hij heeft gedacht. Iedereen wist wat hij bedoelde, toen hij zo plotseling, zo opeens, zei: Zijn grondslag is op de bergen van de heiligheid.
Tot lof van de tempel worden hier drie dingen opgemerkt.
1. Dat hij gefondeerd was op de bergen van de heiligheid, vers 1. De kerk heeft een fondament, zodat zij niet kan verzinken, of wankelen. Christus zelf is er het fondament van, dat God gelegd heeft. Het Jeruzalem hierboven is een stad, die fondamenten heeft. Het fondament is op de bergen, het is hoog gebouwd, "de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, Jesaja 2:2. Het is stevig, solide gebouwd, de bergen zijn rotsachtig, en op een rots is de kerk gebouwd. De wereld is gegrond op de zeeën, Psalm 24:2, die aan voortdurende eb en vloed onderhevig zijn, en een zeer zwak fondament zijn, Babel was gebouwd in een vlakte, waar de grond verrot was, maar de kerk is gebouwd op de eeuwige bergen, de altoosdurende heuvelen, want eerder zullen de bergen wijken en de heuvelen wankelen, dan dat het verbond van Gods vrede teniet gedaan zal worden, en daarop is de kerk gebouwd, Jesaja 54:10. Het fondament is op de bergen van de heiligheid. Heiligheid is de kracht en vastigheid van de kerk, deze is het, die haar steunt en voor zinken bewaart, niet zozeer dat zij gebouwd is op bergen, als wel dat zij gebouwd is op bergen van de heiligheid, op de belofte van God, ter bevestiging waarvan Hij gezworen heeft bij Zijn heiligheid, op de heiligmaking des Geestes, die de zaligheid verzekert van al de heiligen.
2. Dat God er een bijzondere genegenheid voor heeft te kennen gegeven, vers 2. De Heere bemint de poorten van Zion, van de tempel van de huizen van de leer, (aldus de Chaldeer) boven alle woningen van Jakob, hetzij in Jeruzalem of overal elders in het land. Van Zion had God gezegd: "Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen." Daar ontmoette Hij zijn volk en sprak met hen, ontving hun hulde en toonde hun de tekenen van Zijn gunst, en uit dit alles kunnen wij afleiden hoezeer Hij deze poorten beminde. God heeft liefde voor de woningen van Jakob, heeft een genaderijk welgevallen aan Godsdienstige gezinnen, en neemt de aanbidding aan van hun huisgodsdienst. Meer nog bemint Hij de poorten van Zion, niet slechts meer dan sommige, maar meer dan alle woningen van Jakob. God werd in de woningen van Jakob aangebeden, en de Godsdienstoefening van het gezin is de plicht van het gezin, die volstrekt niet veronachtzaamd moet worden, maar als zij in mededinging komt met de openbare godsdienstoefening, dan moet aan deze de voorkeur worden gegeven.
3. Dat er veel van gesproken is in het woord van God, vers 3. Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Wij moeten over zaken en personen oordelen naar zij zich voordoen en naar de schatting ervan in en door de Schrift. Veel slechte dingen werden gesproken van de stad Gods door haar vijanden om haar gering en gehaat te maken, maar door Hem, wiens oordeel dies zijn wij zeker naar waarheid is, zijn er heerlijke dingen van gesproken. Van de tempel heeft God gezegd: "Mijne ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn. Ik heb dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn naam daar zij tot in eeuwigheid," 2 Kronieken 7:16. "Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Zion," Psalm 48:3. Dat zijn heerlijke dingen. Maar nog heerlijker dingen zijn gesproken van de Evangeliekerk, zij is de bruid van Christus, de gekochte door Zijn bloed, "een heilig volk, een verkregen volk, een koninklijk priesterdom, en de poorten van de hel zullen tegen haar niet overmogen." Laten wij ons voor de kerk van Christus niet schamen, ook niet in haar nederigste, geringste toestand, noch hunner, die er toebehoren, noch onze betrekking tot haar loochenen, al wordt die ons nog zozeer tot versmaadheid gerekend, daar zulke heerlijke dingen van haar gesproken zijn, en geen jota of tittel er van ter aarde zal vallen.