18. En die leeft, die het leven heeft in Zichzelf (
Johannes 5:26 Deuteronomium 32:40) en Ik ben dood geweest om de zonde van de wereld; en zie, Ik ben, om de wereld het leven te geven, levend in alle eeuwigheid (
Romeinen 6:9). Amen. a) En Ik heb, omdat de Vader Mij macht gegeven heeft over alle vlees (
Johannes 17:2), de sleutels van de hel, van het dodenrijk ("
Job 7:9 en van de dood. Ik heb de volle macht, zodat Ik uit het dodenrijk kan uitvoeren en daarentegen in de dood voor eeuwig kan zenden wie Ik wil, zonder dat iemand dit heenzenden kan weerstaan, of het uitvoeren zou kunnen verhinderen.
a) Johannes 12:14 Jeremia 22:22 Openbaring :7; 20:1
Hiermee is de eigenlijke voorstelling van de Heere, die met Vers 12 begon, gesloten; de verschillende trekken vinden wij vervolgens Hoofdstuk 2, 3 de zeven zendbrieven verdeeld terug. Te Efeze (Hoofdstuk 2:1) spreekt Hij, die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, die wandelt midden onder de zeven gouden kandelaren; te Smyrna (Hoofdstuk 2:8) spreekt de Eerste en de Laatste, die dood is geweest en levend is geworden; te Pergamus (Hoofdstuk 2:12) die het scherp tweesnijdend zwaard heeft; te Thyatire (Hoofdstuk 2:18) de Zoon van God, die ogen heeft als vuurvlammen en wiens voeten zijn als blinkend koper; te Sardis (Hoofdstuk 3:1) die de zeven geesten van God heeft en de zeven sterren; te Filadelfia (Hoofdstuk 3:7) de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent; en eindelijk te Laodicea (Hoofdstuk 3:14) de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het begin van de schepping van God. Terecht staat daarom daar een Amen.
Het gezicht van de Mensenzoon, die in het midden van de zeven kandelaren wandelt, is niet een afzonderlijk gezicht, dat slechts een enkele zaak aantoont, maar heeft een doorgaande en grondleggende betekenis voor het hele boek. Het stelt de Heere voor, zoals Hij in het midden van Zijn kerk tot haar ontwikkeling en volmaking werkt en zoals Hij hier wordt voorgesteld, wil Hij dat men Hem denkt door het hele boek en bij alles wat het bevat.
Vrees niet, zegt Jezus tot Zijn apostel; en Hij voegt erbij: Ik ben de Eerste en de Laatste. Voorwaar hier is meer dan goddelijkheid; hier is de Godheid zelf. Hier spreekt Hij, die, naar het Evangelie van hem, tot van wie Hij spreekt, "in den beginne was en bij God was en God was"; die ook in de dagen van Zijn vlees voor Zijn oren gezegd heeft "Ik en de Vader zijn Eén" en weer: "Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. Ik ben de Eerste en de Laatste. Het is hetzelfde alsof Hij zei: "de Eeuwige. " En van geen minder verheven betekenis is hetgeen Hij er bijvoegt "en die leeft", of zoals er eigenlijk staat de "levende". En met deze bijvoeging wil de Heiland hier niet zeggen, dat Hij op dit ogenblik leeft, maar Hij drukt met dat woord een natuurlijke en blijvende eigenschap van Zijn wezen uit. God is onder allen het Enige Wezen, dat zelfstandig en onafhankelijk het Leven, dat is het bewuste bedrijvige en zich mededelende Zijn bezit als eigenschap en niet als een gave. Als zodanig noemt Hem de Heilige Schrift "de levende God. " Ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen en Ik zal zeggen: "Ik leef in eeuwigheid! " spreekt de Heere in het lied van Mozes (Deuteronomium 32:40). Zelfs de naam Jehovah is in deze eigenschap gegrond. En volgens het verrukkelijk boek van de Openbaring brengen alle engelen, alle heiligen, alle wezens de driemaal heilige, de almachtige God heerlijkheid en eer en dankzegging toe, als die "die op de troon zit, en die in eeuwigheid leeft. " Zo zegt nu ook hier de Zoon van Zichzelf: "Ik ben de levende" in een zin, die een nieuw bewijs oplevert, dat allen Hem zoals de Vader moeten eren. En Hij laat erop volgen: "Ik ben dood geweest; " letterlijk en met nadruk: "En Ik was dood; en zie levend ben Ik in alle eeuwigheid. " Ook hier heeft dat "levend ben Ik" dezelfde kracht als het vroegere "Ik ben de Levende. " De verheerlijkte Christus wil niet slechts te kennen geven: "Nu ben Ik weer levend en blijf het van nu aan tot in eeuwigheid; " maar Hij laat de tijdelijke daad van Zijn liefde, dat Hij dood geweest is, krachtig uitkomen tegen deze onverliesbare eigenschap van Zijn bestaan; dat Hij, zoals de Vader, de van eeuwigheid tot eeuwigheid Levend is. De eeuwig Levende, die zelf het leven is en het leven in Zichzelf heeft (Johannes 1:4; 2:25; 14:6 mens geworden zijnde om de dood voor allen te smaken, is als zodanig metterdaad "gedood in het vlees. " Maar ook dit dood zijn bracht de schitterendste openbaring van Zijn leven aan het licht. Want Hij, wiens gestorven lichaam in het graf van Jozef van Arithmathea rustte, diens geest droeg ook in het dodenrijk de eeuwige bron van het leven in zich. Amen; zo is het. En hierdoor is Hij voor hen, voor wie Hij de dood gesmaakt heeft, het Leven en de Opstanding geworden. Ik heb, zegt ten slotte de verheerlijkte Christus tot de man, die als dood aan Zijn voeten ligt, maar op wie Hij Zijn rechterhand gelegd heeft en die niets te vrezen heeft, Ik heb de sleutels van het dodenrijk en van de dood. Als zei Hij: "Over dood en graf is Mijn macht onbeperkt; uit de dood, uit elke dood kan Ik tot het leven terugroepen. " Vrees niet: "Ik ben de Eerste en de Laatste. En de Levende en ik was dood en zie ik ben levend in alle eeuwigheid en Ik heb de sleutels van het dodenrijk en van de dood. Dit machtwoord van de Goddelijke, gepaard met de bemoedigende oplegging van de rechterhand, was wel geschikt om de als dood neergevallen Johannes te doen herleven, en zijn vrees weg te nemen. Nee, hij had niet te vrezen, maar "alleen te geloven. " De Heilige en Heerlijke was voor hem niet dan de Getrouwe, in het heden van Zijn heerlijkheid dezelfde voor hem als in het gisteren van het lijden en van Zijn vernedering; de Levende, die aan de Zijnen niet verschijnt om te doden, maar om leven uit te delen; de Opstanding en het Leven. Die in Hem gelooft, zal leven, al was hij ook gestorven. Sta op, Johannes! gord u aan en schrijf hetgeen u gezien heeft en horen zult. Maar niet voor Johannes alleen was dat woord gesproken. Van Patmos uit rolt het als een stem veler wateren over alle zeeën, alle landen van de aarde. Ja, niet zozeer van Patmos als uit de hemel, wordt het toegeroepen aan alle geslachten in alle eeuwen: Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste en de Levende en ik was dood en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. En ik heb de sleutels van het dodenrijk en van de dood. Machtwoord van de Verrezene, troostwoord voor sterfelijken, zoals wij allen zijn, schoon wij het vaak vergeten; zoals wij allen zijn en zonder zo'n troostwoord elkaar met vertwijfeling zouden moeten toeroepen. Helaas! deze aarde is een groot graf, dat niet ophoudt met verslinden. De dood heeft geheerst van Adam af tot heden toe; en heeft noch jeugd, noch deugd, noch schoonheid, noch beminnelijkheid, noch onmisbaarheid, noch grootheid onder de mensen ontzien. Het leven is een gestadige dood. En de mens uit een vrouw geboren, van onrust zat, van dagen kort, kan als zodanig in zijn waggelende banier wel niet anders schrijven dan: "Ik leef, maar zie, ik ga sterven. Ik ben een prooi voor graf en dood. " Het sterven, hoe men het ook bewimpelt, is een vreselijke zaak. Welke bloemen wij ook strooien, welke versiersels men ook aanbrengt op het graf, het is een donker en akelig verblijf. Vrijelijk noemt men de dood een slaap, het graf een rust; "daar houden de bozen op van beroering en daar rusten de vermoeiden van kracht; daar zijn de gebondenen tesamen in rust; zij horen de stem van de drijvers niet; de kleine en de grote is daar en de knecht vrij van zijn heer; " het is een slaap, het is een rust, waarnaar niemand in ernst verlangen kan, dan die ook op een ontwaken, op een nieuw leven en werken en gelukkiger dan het vorige hopen durft. Welnu, het is naar deze hoop, dat een stervend mensdom, als een enig man, smachtende grijpt en zich opheft. Het is deze hoop, die heidense wijsheid in haar beste, maar uiterste pogingen, het lichaam aan de groeve van de vertering prijs gevende, voor het edelste deel van de mensen nochtans tot zekerheid heeft pogen op te voeren. Het was deze hoop, die de godvruchtigen in Israël met moed, maar zonder blijdschap de donkere doodsvallei deed instappen, zeggende: "Op Uw zaligheid wacht ik, o Heere! " Maar de Christelijke Gemeente is van deze hoop niet slechts zeker, maar zij is ook helder en heerlijk. Zij gelooft niet slechts de onsterfelijkheid van de ziel, zij gelooft ook de opstanding van het lichaam; zij verwacht de volheerlijke herleving en herstelling van de hele mens. Want zij gelooft in een Verlosser die een volkomen Verlosser en een Verlosser, die in elke zin een Verloser is van de dood, omdat Hij het is van de zonde, die dood van de zielen, die het lichaam aan de verderfenis en de ziel aan de verdoemenis overlevert. Zij erkent die Verlosser als de eengeboren Zoon van God; als het Woord, dat in de beginne was, dat bij God was, dat God was, maar vlees geworden is; maar de mensheid heeft aangenomen omwille van de mensen. Zij heeft die Verlosser, in Zijn aangenomen mensheid "haar zonden in Zijn lichaam zien dragen" op het kruis. Hem haar dood zien sterven, maar ook die dood overwinnen in de opstanding uit de doden. Zij weet zich door Zijn liefde en haar geloof een met Hem, zodat zij voor zichzelf verwacht, wat zij met Hem ziet plaats hebben. Hij is haar Hoofd; zij is Zijn lichaam; het lichaam zal het hoofd volgen. Daarom betuigt zij met volle verzekering: "Zoals wij allen in Adam sterven, zo zullen wij ook in Christus allen levend gemaakt worden. En weer: "Zoals wij het beeld van de aardse gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen. " Nog wekken dood en graf soms onwillekeurige huiveringen bij haar op. Nog voelt zij soms zo diep haar overblijvende zonde en oneindige ongelijkheid aan Hem, naar wiens beeld zij hervormd wordt, dat zij voor de haar in de geest verschijnende gedaante van Zijn rechterlijke heerlijkheid met vrees en beven ter aarde valt. Maar Zijn rechterhand, de hand van Zijn macht, de hand van Zijn eeuwige Verlossersgetrouwheid legt Hij op haar hoofd; en in haar boezem weerklinkt Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste en de Levende. En Ik was dood en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. En Ik heb de sleutels van het dodenrijk en van de dood. Wat een voorrecht is het tot deze Gemeente te behoren! In gemeenschap met Hem, die niet dood geweest is dan om deze gemeenschap daar te stellen, in gemeenschap met Hem, de leeft, leeft in eeuwigheid, die het leven heeft in Zichzelf en mededeelt aan allen, die Zijn liefde tot Zich trekt, in gemeenschap met Hem van wie al de Zijnen leven en in eeuwigheid leven zullen. Wat een voorrecht, de dood in zichzelf tot overwinning verslonden te voelen, het graf niet dan open te zien; en sterven en herleven een en hetzelfde te mogen achten. Ja, de smart van de stervelings versmelt in de vreugde van de Christen. Gaapt het graf voor zijn voeten, Hij, die dood geweest is, roept hem tegen: Ik leef. Ontrust hem zijn zondig haar door Hem die leeft wordt hem toegefluisterd: Ik ben dood geweest. Behoren wij echt tot deze Gemeente, zijn wij zó waarachtige Christenen, dat deze vreugde ons waarachtig deel is, het bewijs daarvan zal zijn, dat het macht- en troostwoord van de Verlosser in ons hart een eigenaardige weergalm geeft. Want ook de Christen zegt, schoon in anderen zin: Ik ben dood geweest en zie, Ik leef in alle eeuwigheid. " In een andere zin. Echter in een zin, door de Heilige Schrift overal met de eigenlijke op het innigst verenigd. Want zoals van Jezus' dood voor zondaren bijna nooit gesproken wordt, of de zondaar wordt tevens gewezen op de noodzakelijkheid van een sterven, een inwendig sterven voor Christus, waardoor het afsterven aan de zonde bedoeld wordt, zo wordt ook zelden gesproken van Zijn opstanding uit de doden, of de belijder van Zijn naam wordt geroepen tot die inwendige opstanding tot een nieuw leven, die alleen het blijk is, dat deze Christus voor hem niet tevergeefs gestorven en de hoop gegrond is, dat Hij Hem ook in de opstanding van het lichaam, in het leven van de heerlijkheid volgen zal. Ik ben uw God, Ik ben de Eeuwige en de Onveranderlijke, Mijn liefde is en blijft tot u, wat kwaad kan u dan overkomen? Vrees niet, want Ik ben met u. Wees niet verbaasd, want ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u door de rechterhand van mijn gerechtigheid (Jesaja 41:10). Van Zijn Middelaarsambt. En die leef. Ho Tzoon. levende, Ik ben de levende God, die alles en ook u het leven gegeven heb en dat onderhoudt. En Ik ben dood geweest. Door Mijn dood heb Ik zonde en straf weggenomen. Ik ken en heb door ondervinding medelijden; daarom heb goede moed. En zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Ik heb de dood overwonnen door Mijn opstanding. Ik blijf levend in alle eeuwigheid tot uw hulp, Ik leef altijd om voor de Mijnen te bidden (Romeinen 8:34 Hebreeën 7:25). Ik heb de sleutels van de hel en van de dood. Sleutels betekenen macht en heerschappij (Jesaja 22:22). Na Zijn opstanding zei de Heere Jezus: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde; Ik heb macht om te doden en levend te maken, in de hel te werpen en in de hemel op te nemen; Ik ben de Vrijmachtige, niemand kan tot Mij zeggen, waarom doet U zo? Ik ben uw en u bent Mijn, Mijn macht is voor u; daarom bent welgemoed en vrees niet, niemand kan en zal u beschadigen. Tot deze heerlijke troostredenen werd gelegenheid gegeven door de bezwijking van Johannes; zij zijn niet gegeven voor Johannes alleen, maar om daardoor alle godzaligen te troosten en aan te moedigen. Jezus bevestigt Zijn zeggen met "amen" dat is: Ik ben die in waarheid en Ik zal Mij zeker zodanig bewijzen aan u en aan al Mijn uitverkorenen.
"Wat dunkt u van de Christus" wiens Zoon is Hij? " Al is die vraag reeds voor ruim achttien eeuwen gedaan, het antwoord is daarom nog ver van eenstemmig. Nog altijd strijden de meningen en staan bedenkingen tegenover bewijsgronden. Waar het geloof de Christus gesierd ziet met de kroon van de Godegelijkheid, rukt het ongeloof Hem die kroon van de schedel en weigert Hem iedere hogere eernaam, dan die van de Wijze van Nazareth, het voortreffelijkst Voorbeeld, het verhevenst Genie. Wij zullen de strijd van eeuwen hier niet in minuten beslissen, maar toch kunnen wij de gedachte niet weren, hoe verrassend de waarheid ons tegenstraalt, wanneer wij slechts een opmerkzame blik slaan op de geheimzinnige bladzijde van de Schrift, die wij zo-even herlazen. Zie, wij willen ons nu niet eenmaal beroepen op wat mensen, niet op wat Apostelen ons van de Christus hebben getuigd en gestaafd. Wij zwijgen zelfs van zo menig onvergetelijk woord, dat Hij zelf ter aanduiding van Zijn hemelse waardigheid in de dagen van Zijn vlees deed horen. Wij willen voor een ogenblik dat alles vergeten, alles, behalve het enkele tafereel van de tekst en u vragen, waarvoor u in gemoede Hem houden moet, die op zo'n wijze Zichzelf, beide in tekenen en in woorden, bekend maakt. Machtig is de Vader, wiens stem bij de grondvesting van de aarde de wateren schold en zij vloden en bij de stichting van het Oude Verbond in donders haar sprake deed horen; wie is Hij dan, die het ruisend loflied van de baren opeens doet verstommen en op de vleugels van het bazuingeluid Zijn woord op aarde laat dalen? Alwetend is de Vader, wiens blik de verste kreitsen van de schepping omvademt; wie is Hij dan, wiens vlammend oog de aarde doorwandeldt en tot in de diepste afgronden doordringt? Heilig is de Vader, bij wiens vlekkeloos licht de zon tot duisternis wordt en de engelen bezoedeld verschijnen: wie is Hij, die op Zijn Hoofd niet het brandmerk van de zonde, maar de sneeuwwitte haarlokken van de reinheid vertoont? Rechtvaardig is de Vader, wiens lippen verdelging aan de werker van de ongerechtigheid spellen; wie is dan Hij, uit wiens geopende mond het tweesnijdend lemmet van de vergelding u toeblinkt? Liefde is de Vader, die wondt om te helen en neerwerpt om vriendelijk op te richten; wie is Hij, die Zich uit het hemels heiligdom neerbuigt tot de eenzame strandbewoner en hem als welkomstgroet een vriendelijk "vrees niet" doet horen? Eeuwig is de Vader, die in oude dagen het woord "Ik ben de Eerste en de Laatste en behalve Mij is er geen God" tot Zijn profeten deed uitgaan; "wie, wie is Hij, die zonder vrees voor godslastering dat woord bijna letterlijk overneemt en zo verklaart, dat Hij bestond eer de bergen geboren waren en de dood van al wat schepsel heet eindeloos overleven zal? Wie Hij is? stranden van Patmos, geef antwoord en meld ons Zijn driemaal heilige Naam! In de waarheid, die Hem gezien heeft, die heeft de Vader gezien en Hij en de Vader zijn één. De heerlijkste eigenschappen van de Godheid zijn hier binnen de lijst van een tafereel aanschouwelijk samengevat en in de Zoon des mensen op het klaarst te aanschouwen gegeven. Ja, al was de Evangelist niet reeds door zijn diepzinnige opvatting van Jezus' aardse verschijning de grootste getuige van Zijn waarachtige Godheid geweest, hij had het na deze openbaring van Zijn tweede leven moeten worden. Het is als wilde Jezus zelf met eigen hand iederen scheidsmuur doen instorten, die menselijke wijsheid of dwaasheid tussen Hem en de Vader vermetel optrekken dorst. Voorwaar, als het afgodisch is de Zoon te eren, zoals men de Vader eert, met deze bladzijde van de Openbaring n handen durf ik voor mij voor de vierschaar van de eeuwigheid komen, om op die aanklacht te antwoorden en allereerst U medeplichtig te noemen, U, Jezus van Nazareth, die met eigen hand Uw liefste discipel op dit noodlottig dwaalspoor geleid heeft! Ja, aan allen, die Christus slechts als de vlekkeloos volmaakte Mens, of als een heilige maar geschapen Hemelgeest huldigen, durf ik zonder aarzelen vragen: wat had de Heere nog meer van Zichzelf kunnen of moeten getuigen, als Hij echt was, wat u nog altijd betwijfele God boven alles te prijzen in eeuwigheid? Maar bewoonde de Zoon van God het ontoegankelijk licht vóór de bergen geboren waren, waartoe dan dat zevental luchters; en blinkt Zijn gelaat als de zon, waartoe dan die sterrenkrans, die Hij in Zijn rechterhand draagt? Die tekenen, doen de Heere ten tweede u kennen, als de priesterlijke Koning van het Godsrijk. Priester en Koning ten allen tijde waren die betrekkingen in Israël van elkaar gescheiden. Waar Uzzia, een anders godvruchtig vorst, de wierook op het altaar ontsteken wil, daar is levenslange melaatsheid de straf, die de vermetele treft. Eenmaal slechts, in overoude dagen, bezat Salem een vorst, versierd met deze dubbele kroon; het was Melchizedek, Abraham's geheimzinnige tijdgenoot, zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, priester en koning in enigheid van persoon en van rang. Hef uw ogen opwaarts en zie, want wat in het aardse Jeruzalem een uitzondering zonder wedergade was, heeft in het hemelse zonder ophouden plaats. In plaats van de tempel op Zion rees het geestelijk Godsgebouw van de gemeente van Christus, waaraan de Johannessen bouwden, zoals de Aholiabs en Bezaleëls aan de eerste tabernakel van de Heere. Ieder Christen is een schijnend licht in dat Godsgebouw en het zevental kandelaren roept het geheel van dat geslacht voor de geest, dat door het bloed van de Zoon van God is gekocht. Zoals de Israëlitische priester in het Heilige rondging, om toe te zien, dat de lampen niet kwijnden, zo verzorgt deze hemelse Priester de vlam van het innerlijke leven van de Zijnen door de olie van de Heilige Geest. Hij is geen werkeloos aanschouwer van wat er in Zijn gemeente gebeurt; niet zittend, maar wandelend tussen de kandelaren heeft Hij zich aan Johannes bekend gemaakt. Allen en alles slaat Hij gade met onfeilbaar nauwkeurige blik en weet onze werken en ziet onophoudelijk toe of onze vlam gevaar loopt van uitdoving, dan of zij helder schijnend de nevelen rondom ons verdrijft. Als Hij spreekt in Zijn tempel door Woord en Geest moeten alle stemmen verstommen en waar Hij stromen van levend water uitzendt over de dorre en dorstige aarde, daar ruisen die Godsrivieren straks op Zijn wenk tot aan de einden van de aarde. De Opzieners van de gemeente och of wij het minder vergaten Hij heeft ze onder Zijn oog als hier het zevental sterren en weet het, wie als dwaalsterren flikkeren en wie als de morgenster een vriendelijk schijnsel verspreiden. Hij draagt ze en steunt hun zwakheid met Zijn machtige arm, zoals Hij hier dat zevental in Zijn sterke hand had gegrepen en geen enkele wordt in eeuwigheid uitgedoofd, die blinkt ter ere van Hem. Zo droeg nooit de Hogepriester in Israël van God eigen volk op het hart, als deze Hemelhogepriester waakt en zorg draagt voor hen, voor wie Hij inging in het binnenste heiligdom van God. Hun getal en hun toestand, hun nood en gevaar, het hopen en vrezen, het is alles naakt en geopend voor Hem en geen vijandelijke hand grijpt een van de kandelaars aan, zonder dat Hij met het zwaard van Zijn mond die bozen neer kan vellen. Verwondert u niet, dat u rondom dat gouden zevental geen hoge muren gebouwd ziet: de tempel van deze hemelse Priester is zonder perken of grenzen. De Priester is Koning daarnaast: getuigt het achtbaar kleed en het vorstelijk borstsieraad, waarmee Johannes Hem zag. Dat rijksgebied, aanvankelijk bevestigd, waar de gemeente van Christus geplant is, heeft de schone bestemming om alle rijken van de aarde tot één Monarchie te verheffen. En wilt u de gesteldheid van dat rijk, zoals het zich nog heden vertoont, leren kennen, slaat op het zevental gemeenten het oog, hier door Jezus zelf genoemd en aanschouwt het welgelijkend beeld van geheel het Godsrijk op aarde. Hier dat Efeze, dat de eerste liefde verlaat, terwijl het aan de waarheid getrouw blijft, is het niet uw beeld, u, die van de genade van God bent verachterd? Daar dat Smyrna, dat rijk is te midden van gevaren en armoe; is het niet uw maagschap, vriend van de Heere, die schatten voor de hemel vergadert? Ginds dat Sardis, door mensen gezocht bij de levenden, door de Heere geteld bij de doden; herkent u uzelf niet, zorgeloze, die aan de oever van de eeuwigheid sluimert? Elders maar genoeg, ik laat het aan u zelf over, de wedergade van de zeven gemeenten rondom u en in uzelf te vinden. En nu, aan die allen gedacht, die aan alle oorden van de aarde op een van die zeven gelijken; het cijfer van de miljoenen er bijgevoegd, die reeds daarboven de kronen neerwerpen aan de voeten van deze eeuwige Koning; op die schaar het oog geslagen, die nog moeten toegebracht worden om zich voor deze scepter van de vrede te buigen u kunt wel de grenzen van uw denkvermogen, maar niet van Jezus' rijksgebied vinden val dan als Johannes, niet in bange verschrikking, maar in sprakeloze aanbidding voor de voeten van de Koning neer! Nee, slaat u althans de blikken dankend ten hemel, Christenen onder ons, want in uw Heer aanschouwt u, ten derde, de trouwe Vriend van Zijn dienaren. Nog eens de bukken naar Patmos, maar nu niet slechts op Jezus, ook op Johannes het oog. Oppervlakkig schijnt onze beschouwing te dalen, waar zij van de wereldtroon zich tot een stip op de wereldkaart wendt en toch, zij stijgt in zeker opzicht. Is het groot op de troon te regeren, groter is het, van die zetel van de eer met eigen vorstelijke hand balsem in de pijnlijkste wonde te storten. En ziedaar, wat Hij nog onophoudelijk doet. Ja, eens had Johannes in Jezus' schoot aan de blijde Paasdis gelegen, maar tussen dat uur van zoete vertrouwelijkheid en deze dag van heilige verrukking van de Geest ligt een opstandings- en hemelvaartsmorgen. Hoog op de wereldtroon heerst de Christus en ziet van jaar tot jaar het verblijf van de verlosten met nieuwe bewoners bevolken; laag in het stof van de vergetelheid ligt Johannes neer en ziet van dag tot dag het pad van de ballingschap met nieuwe doornen begroeid. Nu, meent u, zal de Heere van de hemel en van de aarde toch iets belangrijkers te doen hebben, dan Zich met die matte grijsaard bezig te houden, wiens leven voor het Godsrijk even onvruchtbaar geworden is als de barre rots, die hem draagt? O u, die zo spreekt, hoe weinig kent u uw Christus. Alles is rondom, niets is in Hem veranderd. In die borst, van hemels leven doorstroomd, tintelt nog hetzelfde gevoel voor de vriend, als toen Hij hem eenmaal Zijn moeder ter erfenis naliet; het oog, dat de banen van de sterren berekent, volgt de zwerver op zijn vreugdeloos spoor; de hand, die de heerschersstaf draagt, legt zich met oude vertrouwelijkheid de oude vriend op de schouder. Terwijl Johannes denkt aan zijn vorige werkkring, weegt zijn Zender een schoner taak voor Hem af; en ontvangt hij een bijna dodende schok, het is een schok, die hem straks ten nieuwe leven doet rijzen. O ziel, zie hier, Christenen, van wie de Heere voor verlaten, treurende, bijna bezwijkende discipelen is! Nee, Zijn hart is van de aarde niet afgetrokken, al heeft Zijn voet de aarde verlaten; en onverbrekelijk als de band, die Hem met Johannes verenigde, is Zijn familieband met allen, die Hem in onverderfelijkheid liefhebben. Het enig onderscheid is, dat dit vleselijk oog Hem niet ziet en hoeveel is er toch tussen hemel en aarde, dat bijna zei ik tastbaar bestaat, al kan onze grove, zinnelijke blik het niet meten! De dienstknecht van Elisa siddert bij de aanblik van vijandelijke benden en wagens. "Heere, dat zijn ogen geopend worden", zo bidt de Godsman gelovig en hij, die straks droomde van gevaar, aanschouwt legioenen van God op de heuvelen en dankt voor een Engelenwacht. Dienstknecht van Christus, als uw oog door hoger vinger werd aangeraakt, hoe talloze keer zou u Christus aanschouwen, de eens doorboorde hand zegenend over u uitgestrekt, om uw bezwijkende krachten te schragen en het hoofd van hemelheerlijkheid blinkend, vriendelijk tot u overgebogen, om u een "vrees niet" te doen horen. "Als uw oog werd aangeraakt" maar waartoe ook een ontsluiting van het lichamelijk oog? Laat het geloofsoog slechts helder zijn en u zult de Heere overal nabij en met u aanschouwen. Wat klagen wij arme dwazen, dat de hemel zover van de aarde en de Meester zo wijd van de discipel verwijderd is? Dringt niet de zon in onze kamer, al staat zij of miljoenen mijlen afstand te schijnen en kan er geen rechtstreekse, persoonlijke gemeenschap tussen de Heere en Zijn gelovigen zijn, al is Hij hoog boven lucht en wolken gezeteld? Nee Christenen, waar zelfs een Patmos Hem niet te donker en te ruw was, om er Zijn licht en kracht te doen dalen, daar nimmer, nooit geklaagd: mijn weg is voor de Heere verborgen! Wat klaagtoon daar binnen, wat wanklank daar buiten moet niet verstommen, waar de hemelstem klinkt "Ik ben de Eerste en de Laatste en die tot in eeuwigheid leef! " En die Levensvorst gestorven! Ja, nu voelen wij pas echt wat diepte er schuilt in het woord, zoals het letterlijk luidt "die leef en Ik ben een dode geworden". Maar nu noemen wij ook met dubbele ingenomenheid de vierde eernaam, waarop Patmos Hem recht geeft en aanspraak: Christus, de machtige overwinnaar van de dood. Nee, de Heere schaamt het Zich niet wat zeg ik, Hij telt het onder de onvergetelijkste herinneringen, die Hij van hier naar de hemeltroon meenam, dat Hij als een dode in het stof van de aarde gerust heeft. Maar Hij kan er ook met vreugde op staren; want nooit was een zegepraal van de dood voorbode van een meer ontzettende nederlaag. Zie, voordat de krijgsknechten met uitgestrekte knots de kruisheuvel optraden om het gemarteld gebeente te breken, was de laatste vijand reeds onzichtbaar genaderd aan het middelste kruis, om zijn scherpe prikkel Gods Zoon in het hart te boren. Het stout bestaan is gelukt, de tweede Adam geeft als de zwakste van Adams zonen de geest, maar o wonder boven wonder de prikkel breekt in de pijnlijke wond, die hij opent; het zwaard van de doodsengel zwicht bij de beslissendste slag, die het slaat. Evenmin als de overste van deze wereld heeft de dood iets aan de prooi, die hij velt; want zondeloos is de Christus en de prikkel van de dood is de zonde. Al zijn macht wordt uitgeput op het ogenblik, dat zij ten top schijnt gestegen; daar breekt het derde morgenlicht aan en de verstompte prikkel wordt de geweldenaar uit de handen gerukt! Christus verrijst en nu wat draagt Hij in die handen, die de kluisters van het graf van elkaar rukten, zoals Simson de touwen, waarmee men hem slapend omspande, als spinrag vaneen scheurde! In Zijn hand liggen "de sleutels van het graf (van de hel) en van de dood". De dood wordt als het ware opgesloten in de eigen kerker, die hij voor de gelovigen bouwde en daar wacht de getemde dwingeland in deemoedige houding de bevelen van zijn Overwinnaar en Heer. Wel blijft voor het uitwendige zijn geweld nog heersen en woeden, maar die ontbinding van de Christen, dat is de dood niet, op de zonde bedreigd, met de dodende sikkel gewapend en door een eeuwigheid van jammer gevolgd. Sterven wordt inslapen voor de discipel van de Heere; inslapen wordt ontwaken tot hoger levensontwikkeling; aan al wie één is met Christus wordt door het geloof een nieuwe een hemelse levenskiem in het hart gelegd, die de dood niet vernietigen, maar slechts ontbolsteren kan. Eeuwig leeft reeds hier wie gelooft en wat voor hem in de taal van de aarde sterven genoemd wordt, het heet in de taal van de hemel voor de laatste maal geboren te worden. Iedere ziel, die aan het geweld van de zonde door de kracht van de Levensvorst wordt onttrokken, is tevens een parel, die ontvalt aan de handen van de dood, al schijnt hij er zijn kroon mee te sieren. En eenmaal aan het einde van de eeuwen, als alle vijandschap volkomen teniet gedaan is en de Koning van het Godsrijk al Zijn onderdanen voor Zijn ogen verzamelt, dan wordt één oude, trouwe dienaar gemist en de blijde treurmare klinkt, de dood heeft de doodsnik gegeven. In zijn plaats toont de Levensvorst aan Zijn verlosten een sleutel en herhaalt nog eenmaal het woord: deze bewaart het graf van de dood! Dageraad van de onsterfelijkheid, wat toeft u aan de kimmen te rijzen? Of zou die nooit genaken? Het ongeloof zegt het en beweert, dat het Christendom even spoorloos van de aarde verdwijnen zal, als het hemellicht van Patmos, dat de rotsen op die dag van de Heere met hoger tinten gekleurd had. Maar eer wij het geloven, nog eens het oog op die klip en in Christus ten slotte de Heere en Rechter van de toekomst aanschouwd! Of heeft u het woord niet verstaan: "Schrijf hetgeen u gezien heeft en hetgeen is en hetgeen geschieden zal na deze? " Zo lag dan de tijd in zijn drievoudige afmeting, het verleden, tegenwoordige, toekomende, geopend en naakt voor die ogen, die als vuurstralen gloeiden. Hoe het boek van de toekomst later aan diezelfde hand werd toevertrouwd, die hier Johannes' schrik deed bedaren, het is u bekend. Maar al wist u ook dat nog niet eenmaal, u heeft u slechts de verschijning van dat uur te vertegenwoordigen en daartegenover al de macht van de wereld te plaatsen, om vrees voor hoop te zien wijken. Het gouden beeld van de wereldrijken, dat Daniël zag waaruit zijn zijn voeten samengesteld? Uit leem met ijzer vermengd: vergankelijkheid kleeft het meest krachtige en bestendige aan. Christus' voeten zijn aan blinkend koper gelijk, dat in de oven beproefd is, maar nooit bezweken: zulke voeten kunnen wel de tegenstander verpletteren, maar nooit krachteloos wankelen. De onreine mond van de wereld wat doet hij onophoudelijk horen? Wanklanken, lasteringen, woedende opstandskreten. Christus' mond draagt een tweesnijdend zwaard, dat alle vijanden velt, die zich door het tweesnijdend zwaard met wonden lieten tot genezing van de ziel. Het aangezicht van de wereld wat toont het? Vlekken van de zonde, sporen van de smart, brandmerken van de schande. Christus' gelaat blinkt als de zon in haar kracht zeker, voor die glans moeten eenmaal alle nevelen vluchten. Wat over de zeven gouden kandelaren en de zeven sterren beschikt is, Hij voorziet, Hij gehengt, Hij bestuurt het en het einde is altijd, dat de kandelaren, na tijdelijke verplaatsing, helderder branden en de sterren, na korte verduistering, heerlijker blinken. Ja, het uur komt en de tijd was reeds vóór achttien eeuwen nabij, dat Hij zichtbaar op de wolken zal terugkomen, zoals Hij zichtbaar op Patmos verscheen, nu niet meer door een Johannes, maar door alle geslachten van de aarde gezien, die over Hem rouw zullen bedrijven. Dan is voor deze aarde de laatste dag van de Heere gekomen en andermaal klinkt de bazuin maar nu de bazuin van de Archangel: "O alle u doden, kom tot het oordeel! " Voor dat vlammend oog worden alle boeken geopend; voor dat lange kleed worden de hemelen weggerold als een afgesleten gewaad; voor die blinkende voeten zal al wat ademt, gedwongen of vrij moeten knielen. En als dan aller lot voor eeuwig beslist is, dan zal nogmaals een stem als die van vele wateren opgaan, maar nu om het lied te herhalen: "Hallelujah, de eer en de heerlijkheid en de kracht zij de Heere onze God, want Zijn oordelen zijn getrouw en rechtvaardig! "