Psalm 37:7-20
In deze verzen zien wij:
I. De voorafgaande geboden ingeprent, want wij zijn zo geneigd om ons te verontrusten door nodeloze, vruchteloze ontevredenheid en wantrouwen, dat het nodig is om gebod op gebod te hebben en regel op regel, ten einde ze te onderdekken en er ons tegen te wapenen.
1. Laat ons kalm en gerust zijn door geloof in God: "Rust in de Heere, en wacht geduldig op Hem, vers 7, wees tevreden met alles wat Hij doet en berust erin, want dat is het beste wat is, omdat het is wat God beschikt heeft en wees er wel van overtuigd, dat Hij nog alles zal doen medewerken ons ten goede, ofschoon wij niet weten hoe op wat wijze. Zwijg de Heere" zo is het in de grondtekst.
2. Niet met een somber, gemelijk stilzwijgen, maar met een onderworpen stilzwijgen. Een geduldig dragen van wat ons is opgelegd, en een geduldig verwachten van hetgeen verder voor ons bestemd is, is evenzeer ons belang als onze plicht; want het zal ons altijd gerust maken; en hiervoor pleiten rede en verstand, want het is een deugd maken van de noodzakelijkheid.
3. Laat ons niet ons verontrusten over wat wij zien in deze wereld ontsteek u niet over degene, wiens weg voorspoedig is; die, hoewel hij een slecht man is, toch voorspoed heeft, rijk en groot wordt in de wereld; neen, noch over hem, die met zijn macht en rijkdom kwaad doet, boze aanslagen ten uitvoer brengt tegen hen, die goed en Godvruchtig zijn, die zijn doel bereikt schijnt te hebben en hen terneer heeft geworpen. Indien uw hart zich daartegen verheft, zo zet uw dwaasheid terneer en laat af van toorn, vers 8, onderdruk de eerste beweging van ontevredenheid en afgunst, en koester deswege geen harde gedachten van God en Zijn voorzienigheid, wees niet toornig op iets, dat God doet, maar verlaat die grimmigheid; het is de ergste soort van toorn; "ontsteek u niet, immers niet om kwaad te doen. Benijd hun voorspoed niet opdat gij niet in verzoeking komt om het met hen eens te zijn, dezelfde middelen te gebruiken als zij om rijk te worden en tot hoog aanzien te komen, of wel om een wanhopig middel te baat te nemen om aan hen en hun macht te ontkomen." Een gemelijk, ontevreden gemoed ligt open voor vele verzoekingen, en zij, die er aan toegeven, zijn in gevaar van kwaad te doen.
II. Over de voorgaande redenen, ontleend aan het naderend verderf van de goddelozen in weerwil van hun voorspoed, en het wezenlijk geluk van de rechtvaardigen, in weerwil van hun beproevingen, wordt hier nog verder uitgeweid, en dezelfde zaken worden in een aangename verscheidenheid van uitdrukking herhaald.
Wij worden gewaarschuwd, vers 7, om de bozen zomin om hun wereldlijken voorspoed als om het welslagen van hun complotten tegen de rechtvaardigen te benijden. De redenen hier gegeven, betreffen onderscheidenlijk deze twee verzoekingen.
l. Godvruchtige mensen hebben geen reden om de wereldlijke voorspoed van goddeloze mensen te benijden, noch om er onrustig of verdrietig om te zijn.
A. Omdat de voorspoed van de goddelozen spoedig voorbij zal zijn, vers 9, de boosdoeners zullen uitgeroeid worden door de een of anderen plotselingen slag van de Goddelijke gerechtigheid in het midden van hun voorspoed, wat zij door zonde verkregen hebben, zal niet alleen van hen wegvloeien, maar zij zullen er zelf mee weggevoerd worden, Job 20:28. Zie het einde van deze mensen, Psalm 73:17, hoe duur hun onrechtmatig gewin hun te staan zal komen, en gij zult verre zijn van ben te benijden, of om lotgemeen met hen te willen wezen, vers l0. Nog een weinig en de goddelozen zullen niet zijn, zullen niet zijn wat zij nu zijn, "hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting," Psalm 73:19 Heb een weinig geduld, want "de Rechter staat voor de deur," Jakobus 5:8, 9 Matig uw hartstocht, want "de Heere is nabij," Filippenzen . 4:5. En het zal een algeheel verderf zijn, hij en de zijnen zullen uitgeroeid worden, "de toekomstige dag zal hem wortel noch tak laten," Maleachi 4:1 Gij zult acht nemen op zijn plaats, waar hij kort geleden nog zo'n groot aanzien had, maar zij zal er niet wezen, gij zult haar niet vinden, hij zal niets van waarde, niets dat eervol is, achterlaten. Naar dezelfde strekking is vers 20, de goddelozen zullen vergaan, hun dood is hun verderf, omdat hij een einde maakt aan al hun blijdschap, en een overgang is tot eindeloze rampzaligheid. Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven; maar rampzalig, voor eeuwig rampzalig zijn de doden, die in hun zonden sterven. De goddelozen zijn de vijanden des Heren, als de zodanige maken diegenen zich, die niet willen dat Hij koning over hen zij, en als de zodanige zal Hij met hen afrekenen; zij zullen verdwijnen als het kostelijkste van de lammeren, met de rook zullen zij verdwijnen. Hun voorspoed, die hun zinnelijkheid streelt, is als het ver van de lammeren, waar geen vastheid in is, en als hun verderf komt, dan zullen zij vallen als slachtoffers van de gerechtigheid Gods en verteerd worden, zoals het ver van de offers op het altaar verteerd werd, vanwaar het in rook opging. De dag van de wrake Gods over de goddelozen wordt voorgesteld "als een offer van het smeer van de nieren van de rammen," Jesaja 34:6, want Hij zal geëerd worden door het verderf van Zijn vijanden, zoals Hij het was door de offers veroordeelde zondaren zijn offers, Markus 9:49 Dit is een goede reden, waarom wij hun voorspoed niet moeten benijden; terwijl zij zo ten volle verzadigd worden, worden zij slechts ver tegen de dag van de offerande, zij worden "geweid als een lam in het ruime veld," Hosea 4-16, en hoe voorspoediger zij zijn, des te meer zal God geëerd worden in hun val.
B. Omdat de toestand van de rechtvaardigen zelfs in dit leven, in alle opzichten beter is en meer begerenswaardig dan die van de goddelozen vers 16. In het algemeen: het weinige, dat de rechtvaardige heeft van de eer, de rijkdom en het genoegen van deze wereld, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
Merk op:
a. De rijkdom van de wereld is door de voorzienigheid Gods zo verdeeld, dat het dikwijls het lot is van Godvruchtige mensen, om er slechts weinig van te hebben, terwijl goddelozen er overvloed van hebben; want aldus wilde God ons tonen dat de dingen van deze wereld niet de beste dingen zijn, want indien zij het weten, dan zouden diegenen er het meeste van hebben die de besten zijn en het dierbaarst zijn aan God.
b. Dat het weinige van een Godvruchtige in werkelijkheid beter is dan het vele van een goddeloze; zie Spreuken 15:16, 17; 16:8, 28:6 . De bezitting van een Godvruchtige, hoe klein ook, is beter dan de bezitting van een goddeloze, hoe groot ook, want zij komt uit een betere hand, uit een hand van bijzondere liefde, en niet slechts uit de hand van de gewone, van de algemene voorzienigheid; zij wordt bezeten door een beter recht, God geeft het hun door belofte, Galaten 3:18; zij is de hun krachtens hun betrekking tot Christus, die de erfgenaam is van alle dingen; en zij wordt beter gebruikt, zij wordt hun geheiligd door de zegen van God; "de reinen zijn alle dingen rein," Titus 1:15. Een weinig, waarmee God geëerd en gediend wordt, is beter dan veel, dat voor Baäl bereid wordt of voor een lage lust wordt gebruikt.
De beloften, hier gedaan aan de rechtvaardigen, verzekeren hun zo'n geluk, dat zij de voorspoed van de boosdoeners niet behoeven te benijden. Laat hen tot hun vertroosting weten:
Ten eerste. Dat zij de aarde erfelijk zullen bezitten, zoveel ervan als de oneindige Wijsheid goed voor hen acht; zij hebben de belofte "van het tegenwoordige leven", 1 Timotheus 4:8 Indien geheel de aarde nodig was om hen gelukkig te maken, zij zouden haar hebben. Alles is van hen, zelfs de wereld, en "de tegenwoordige dingen zowel als de toekomende dingen," 1 Corinthiërs 3:21, Zij hebben ze door erfenis, volgens een onbetwistbaar en eerbaar recht, niet slechts door toelating of oogluiking. Soms gebeurt het dat, als boosdoeners uitgeroeid worden, de rechtvaardige beërven wat zij verzameld hadden, "het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd," Spreuken 13:22 Deze belofte wordt hier gedaan:
1. Aan hen, die een leven van geloof leiden, vers 9, die de Heere verwachten als afhangelingen van Hem, die alles van Hem verwachten hun smekingen tot Hem richten, zullen de aarde erfelijk bezitten, als een teken van Zijn tegenwoordige gunst over hen en een onderpand van betere dingen, die voor hen bestemd zijn in de andere wereld. God is een goede meester, die goed en overvloedig voorziet niet alleen voor Zijn werkende dienstknechten, maar ook voor Zijn wachtende dienstknechten.
2. Aan hen, die een rustig en vreedzaam leven leiden, vers 11. De zachtmoedigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Zij zijn het minst in gevaar om geschaad en gestoord te worden in het bezit van hetgeen zij hebben, en zij hebben de meeste voldoening in zichzelf, en bijgevolg het lieflijkst genot van de aangename dingen van het leven. Onze Heiland heeft dit tot een Evangeliebelofte gemaakt en een bevestiging van Zijn zaligspreking over de zachtmoedigen, Mattheus 5:5
Ten tweede. Dat zij zich zullen verlustigen over groten vrede, vers 11. Misschien hebben zij geen grote rijkdom om er zich in te verlustigen, maar zij hebben wat beter is: grote vrede, innerlijke vrede en gemoedsrust, vrede met God, en dan vrede in God, de grote vrede, die zij hebben, die Gods wet beminnen en "geen aanstoot hebben," Psalm 119:165; die veelheid van vrede, die in het koninkrijk van Christus is, Psalm 72:7; die vrede, die de wereld niet geven kan, Joh 14:27, en de goddelozen niet hebben, Jesaja 57:21 Daarin zullen zij zich verlustigen; terwijl zij die grote rijkdom hebben, er slechts in bekommernis en zorg over zijn, maar er weinig genot of verlustiging in hebben.
Ten derde. Dat God hun dagen kent, vers 18 Hij neemt bijzonder nota van hen, van alles wat zij doen en van alles wat met hen gebeurt. Hij houdt rekening van de dagen van hun dienst, en geen enkele werkdag zal onbeloond blijven en van de dagen van hun tijden, opdat zij ook voor deze beloond zullen worden. Hij kent hun goede dagen en heeft een welbehagen in hun voorspoed; Hij kent hun bewolkte, donkere dagen, de dagen van hun beproeving, en hun kracht zal zijn als hun dagen.
Ten vierde. Dat hun erfenis in eeuwigheid zal blijven. Hun tijd op aarde wordt gerekend meer dagen en die zijn spoedig geteld. God neemt er kennis van en geeft hun de zegeningen van iedere dag op zijn dag; maar het was nooit bedoeld dat hun erfdeel beperkt zou zijn binnen de grenzen van die dagen, neen die moet het deel zijn van een onsterfelijke ziel, en moet dus zolang duren als deze duurt, en zal gelijklopend zijn met de langste lijn van de eeuwigheid zelf. Hun erfenis zal in eeuwigheid blijven, niet hun erfdeel in de aarde, maar de onverderflijke, onvervreemdbare erfenis, die voor hen bewaard is in de hemelen. Zij, die zeker zijn van een eeuwige erfenis in de andere wereld, hebben geen reden om de bozen hun vergankelijke bezittingen en voorbijgaande genoegens in deze wereld te benijden.
Ten vijfde. Dat het hun in de slechtste tijden zal welgaan, vers 19. Zij zullen niet beschaamd worden in hun hoop en vertrouwen op God, noch in hun belijdenis van de Godsdienst, want de vertroosting daarvan zal hun tot een wezenlijke steun zijn in kwade tijden. Als anderen kwijnen, het hoofd laten hangen, zullen zij vol van blijdschap en vertrouwen het hoofd opheffen; zelfs in dagen van hongersnood, wanneer anderen om hen heen van honger omkomen, zullen zij verzadigd worden, zoals Elia verzadigd is geworden. Op de ene of andere wijze zal God in het brood huns bescheiden deels voorzien, of hun een hart geven dat ook zonder dat tevreden is, zodat, als zij hard gedrukt en hongerig zijn, zij toch niet, zoals de goddelozen, "toornig zullen zijn en vloeken op hun koning en hun God," Jesaja 8:21, meer zich verblijden in God als de God van hun heil, zelfs als "de vijgenboom niet bloeit," Habakuk 3:17, 18
Godvruchtige mensen hebben geen reden om zich te verbitteren over het succes nu en dan van de plannen van de bozen tegen de rechtvaardigen, als is het ook dat zij sommige van hun boze plannen volvoeren, waardoor wij vrezen dat zij hun doel zullen bereiken en ze allen tot stand zullen brengen, dan moeten wij ons toch niet dermate kwellen en bedroeven, dat wij er aan denken om nu alles maar als verloren op te geven. Want:
A. Hun aanslagen zijn hun schande, vers 12, 13 Het is waar: de goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen de rechtvaardige, er is een ingewortelde vijandschap in het zaad van de boze tegen het rechtvaardige zaad, hun doel is om, zo zij kunnen, hun rechtvaardigheid te vernietigen, en, indien dat mislukt henzelf te verdelgen. Met dit doel voor ogen zijn zij met zeer veel gevloekte list en behendigheid zij bedenken listige aanslagen tegen de rechtvaardige en van gevloekte ijver en woede tewerk gegaan, zij knarsen over hem met hun tanden, zo begerig zijn zij om, als zij het in hun macht krijgen, hen op te eten, en zo vol van toorn en woede zijn zij, omdat het niet in hun macht is. Maar door dit alles maken zij zich slechts bespottelijk, "Die in de hemel zetelt lacht, de Heere spot met hen" Psalm 2:4 Zij zijn hoogmoedig en onbeschaamd, maar God zal verachting over hen uitstorten, Hij is niet slechts misnoegd op hen, maar Hij veracht hen en al hun doen als ijdel en vruchteloos, en hun boosaardigheid als machteloos en in een keten, want Hij ziet dat hun dag komt, dat is:
a. De dag van Gods afrekening, de dag van de openbaring van Zijn gerechtigheid, die nu nog omfloerst en verduisterd schijnt te zijn. De mensen hebben thans hun dag: dit is "uw ure en de macht der duisternis," Lukas 22:53 Maar weldra zal God Zijn dag hebben, een dag van vergelding, een dag, waarin alles terecht zal gezet worden en datgene bespottelijk zal zijn, wat nu voor groot en heerlijk gehouden wordt. Het is een kleine zaak om van de mensen geoordeeld te worden, 1 Corinthiërs 4:3, Gods dag zal een beslissend oordeel geven. b. De dag van hun verderf, de dag van de goddelozen, de dag, bepaald voor zijn val, die dag komt, hetgeen uitstel aanduidt, hij is nog niet gekomen, maar gewis, hij zal komen. Het gelovig vooruitzicht op die dag zal de jonkvrouw, de dochter Zions, instaat stellen om de woede van haar vijanden te verachten en "hen te bespotten," Jesaja 37:22
B. Hun streven zal hun verderf zijn, vers 14, 15 Zie hier:
a. Hoe wreed ze zijn in hun plannen tegen godvruchtige mensen. Zij bereiden werktuigen des doods, het zwaard en de boog, met niets minder zijn zij tevreden; zij jagen de kostelijke ziel, wat zij bedoelen is: neer te vellen en te doden, het is het bloed van de heiligen, waarnaar zij dorsten. Zij gaan zeer ver in hun plan en het is op het punt van volvoerd te worden; zij hebben het zwaard getrokken en de boog gespannen, en al deze militaire toebereidselen worden gemaakt tegen de hulpelozen, de armen en nooddruftigen. Dit toont dat zij zeer lafhartig zijn. Tegen de schuldelozen, die oprecht van weg zijn, die ten nooit getergd of geprikkeld hebben hen niet beledigd of geschaad hebben, hen noch iemand anders. Dit toont dat zij zeer slecht, zeer goddeloos zijn. De oprechtheid zelf zal geen beschutting zijn tegen hun boosaardigheid. Maar,
b. Zie hoe rechtvaardig hun boosaardigheid op hun eigen hoofd neerkomt: hun zwaard zal in hunlieder hart gaan, waarin de bewaring ligt opgesloten van de rechtvaardigen tegen hun boosaardigheid, en het vullen van de maat van hun eigen ongerechtigheid er door. Soms blijkt hetgeen zij tegen hun argeloze naasten hebben bedacht, op hun eigen verderf uit te lopen. in elk geval zal Gods zwaard, dat zij door hun tergingen tegen zichzelf getrokken hebben, hun hun doodwonde toebrengen.
C. Zij, die niet plotseling afgesneden worden zullen echter zo machteloos worden gemaakt om nog verder kwaad te doen, dat de belangen van de kerk afdoend beveiligd zullen zijn: hun bogen zullen verbroken worden, vers 15, de werktuigen van hun wreedheid zullen falen, en zij zullen diegenen verliezen, die zij tot werktuigen gemaakt hebben om hun bloeddorstige doeleinden te dienen, ja meer: hun armen zullen verbroken worden, zodat zij niet instaat zullen zijn om met hun ondernemingen voort te gaan. Maar de Heere ondersteunt de rechtvaardigen zodat zij noch wegzinken onder de zwaarte van hun beproevingen, noch verpletterd worden door het geweld van hun vijanden. Hij ondersteunt hen, beide in hun oprechtheid en in hun voorspoed; en zij, die aldus door de rots van de eeuwen ondersteund, hebben geen reden om aan de bozen de steun van hun gebroken rietstaven te benijden.