1 Corinthiërs 3:21-23
Hier ontleent de apostel aan hetgeen hij zo-even gezegd heeft en aan de overweging dat zij allen gelijk belang bij al hun dienaren hebben, ene vermaning om hun leraren niet te overschatten. Niemand dan roeme op mensen, vers. 21.. Gij moet niet vergeten dat uwe dienaren mensen zijn, hun den eerbied bewijzen dien men alleen Gode schuldig is, hen aan het hoofd van partijen plaatsen, hen bovenmate achten en bewonderen, slaafs en willoos hun leiding volgen en hun voorschriften naleven, voornamelijk in tegenspraak met God en de ware leiding Zijns Heiligen Geestes. Menigeen is geneigd om de zegeningen Gods te verhinderen aan haar doel te beantwoorden. De dienst des Evangelies is een zeer nuttige en genaderijke instelling, getrouwe dienaren zijn een grote zegen voor elk volk, maar de dwaasheid en zwakheid der mensen maakt hetgeen in zichzelf een zegen is tot een ongeluk Zij verdelen zich in partijen met onderscheidene dienaren aan het hoofd, roemen in hun leidslieden, en worden door hen geleid ze weten zelf niet waarheen. Het enige middel om dit misbruik te voorkomen is bescheiden gedachten van ons zelven te hebben, en een recht gevoel van de algemene zwakheid van het menselijk verstand bij uitsluitend vertrouwen op de wijsheid Gods, sprekende in Zijn woord. Dienaren moeten niet met elkaar in mededinging gebracht worden. Alle getrouwe dienaren dienen den Heere en beogen hetzelfde doelwit. Zij werden aangesteld door Christus tot gemeen nut der kerk. Paulus, en Apollos, en Cefas, zij zijn allen uwe. De een moet niet tegenover den ander geplaatst worden, maar allen moeten gewaardeerd en gebruikt worden tot uw eigen geestelijk nut. Bij deze gelegenheid geeft hij ook een inventaris van de bezittingen der kerk, de geestelijke rijkdommen van den waren gelovige: Alles is het uwe, dienaren van elke rang, gewone en buitengewone. Ja, de gehele wereld is uwe. Wel zijn de heiligen niet de eigenaren van de wereld, maar deze staat hun ten dienste, zij hebben er zoveel van als de Oneindige wijsheid ziet dat hun nut is, en al wat ze hebben, bezitten zij met den goddelijken zegen. Het leven is uwe, zodat gij gelegenheid hebt om u voor te bereiden voor het leven in de hemelen, en de dood is uwe, opdat ge moogt gaan bezit nemen van dat hemelleven. Dat is een zalige boodschap, die u verbindt met het huis uws Vaders. De tegenwoordige dingen zijn uwe, voor uw onderstand op den weg, de toekomende dingen zijn uwe, om u te verrijken en te onthalen aan het einde uwer reize. Zo wij Christus toebehoren en Hem aanhangen, zijn alle dingen de onze en zijn wij daar zeker van. Alles is onze, tijd en eeuwigheid, aarde en hemel, leven en dood. Hij zal ons het goede niet onthouden, Psalm 84:12. Maar terzelfder tijd moeten wij in gedachten houden dat wij zijn van Christus, onderdanen van Zijn koninkrijk, Zijn eigendom. Hij is onze Heere, en wij moeten Zijne heerschappij erkennen, ons gewillig aan Zijne geboden onderwerpen, Zijn welbehagen doen, indien we wensen dat alle dingen ons ten goede komen. Alle dingen zijn onze, maar om geen andere reden dan omdat wij van Christus zijn. Buiten Hem hebben wij geen aanspraak op enig goed ding. Merk op: Zij, die in den tijd veilig en in de eeuwigheid gelukkig willen zijn, moeten Christus toebehoren.
En Christus is Gods. Hij is de Christus Gods, door God gezalfd, door Hem gezonden, om het ambt van Middelaar te vervullen en daarin tot Zijne eer werkzaam te zijn. Alle dingen behoren den gelovigen, opdat Christus de eer hebbe van Zijn kostbaar werk en God in alles de heerlijkheid ontvange. God, in Christus een zondige wereld met zich zelven verzoenende en de schatten Zijner genade aan een verzoende wereld uitdelende, dat is het kort-begrip en de inhoud van het Evangelie.