Spreuken 16:8
Hier:
1. Wordt ondersteld dat een eerlijk Godvruchtige slechts weinig van de rijkdom van de wereld kan hebben, al de rechtvaardigen zijn niet rijk, dat iemand weinig kan hebben en toch eerlijk kan zijn, armoede is wel een verzoeking tot oneerlijkheid, Hoofdst. 30:9, maar geen onweerstaanbare. Een mens kan voor een wijle rijk worden door bedrog en verdrukking, kan veelheid van inkomsten hebben die verkregen zijn en behouden worden zonder recht, zonder er een gegronde aanspraak op te hebben, of er een goed gebruik van te maken.
2. Wordt beweerd dat een kleine bezitting waar men eerlijk aan gekomen is, waarmee iemand tevreden is, waar hij kalm en rustig van geniet, waarmee hij God dient met blijdschap, en waarvan hij een goed gebruik maakt, veel beter en veel kostbaarder is dan een grote bezitting, die op onrechtmatige wijze verkregen werd, onrechtmatig werd behouden en slecht werd besteed. Zij brengt een meer innerlijke voldoening mede, een betere reputatie bij allen die wijs en goed zijn, zij zal langer duren en groter voordeel opleveren in de grote dag als de mensen geoordeeld zullen worden, niet naar wat zij hadden, maar naar wat zij deden.