Jakobus 5:1-11
De apostel wendt zich hier eerst tot de zondaren en daarna tot de heiligen.
I. Laat ons zien wat hij tot de zondaren zegt. We zien hier dat Jakobus op dezelfde wijze spreekt als zijn grote Meester: Wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg, Lukas 6:24. De rijken, wie deze woorden van waarschuwing gezonden werden, waren niet dezulken, die den Christelijken godsdienst beleden, maar de wereldse en ongelovige Joden, van welken hier gezegd wordt, dat zij veroordeeld en gedood hebben den rechtvaardigen, waartoe de Christenen de macht niet hadden. En ofschoon deze brief geschreven werd ter wille van de gelovigen, en voornamelijk aan hen gezonden werd, zo kan toch zeer wel ondersteld worden dat bij wijze van toespraak, dit tot de ongelovige Joden gericht werd. Zij wilden het Woord niet horen en daarom werd het geschreven opdat zij het zouden kunnen lezen. Men moet opmerken, dat in de inleiding van den brief deze niet gericht is, zoals de brieven van Paulus, aan de broederen in Christus, maar in het algemeen aan de twaalf stammen. En de begroeting is niet: genade en vrede van Christus, maar in het algemeen: groetenis 1:1. De armen onder de Joden namen het Evangelie aan en velen hunner geloofden, maar de rijken over het algemeen verwierpen het Christendom, werden verhard in hun ongeloof, en haatten en vervolgden hen, die in Christus geloofden. Tot deze verdrukkende, ongelovige, vervolgende rijke mensen richt de apostel zich in de eerste zes verzen.
1. Hij voorzegt hun de oordelen Gods, die over hen komen zouden, vers 1-3. Er zou ellende over hen komen, en wel zulke vreeslijke ellende, dat het enkele aanduiden daarvan genoeg was om hen te doen wenen en huilen, ellende, die zou voortkomen uit dezelfde dingen, waarin zij hun geluk stelden, en die ten slotte door diezelfde dingen vermeerderd zou worden, want die zouden tot hun zwaarste veroordeling zelven tegen hen getuigen. Daarom worden zij opgeroepen om deze zaak grondig door te denken, en te overwegen hoe zij eenmaal in het gericht voor God staan zullen. Welaan nu, gij rijken!
A. Gij kunt er van overtuigd zijn, dat deze verschrikkelijke onheilen u overkomen zullen, onheilen, die volstrekt niets van troost of ondersteuning in zich zullen bevatten, maar enkel ellende, ellende voor tijd en eeuwigheid, ellende in uitwendige droefenissen en in uw innerlijke gemoedsgesteldheid, ellende in deze wereld en in de hel. En er komt niet een of andere ellende over u, maar ellendigheden. De verwoesting van uw kerk en van uw volk is aanstaande, en daar zal een dag aanbreken, waarop geen rijkdommen den mens baten, omdat de goddelozen verwoest zullen worden.
B. De enkele aanduiding van zulke ellenden als aanstaande waren, was genoeg om hen te doen wenen en huilen. Rijke mensen zijn geneigd om tot zich zelven te zeggen, en menigeen is maar al te gereed om tot hen te zeggen: Eet, drinkt en weest vrolijk, maar God zegt: Weent en huilt! Er wordt niet gezegd: Weent en hebt berouw, want dat verwacht de apostel niet van hen. Zijn woord is veel meer aankondiging dan vermaning, maar: "Weent en huilt!" want als uw vonnis komt zal er niets anders zijn dan geween, en gehuil en knersing der tanden. Hun, die geleefd hebben als beesten, wordt aangezegd dat zij als beesten zullen huilen. Algemene onheilen zijn het pijnlijkst voor rijken, die in weelde leven, zich veilig gevoelen en zinnelijk zijn, en daarom zullen zij meer dan anderen wenen en huilen om de ellendigheden, die hun overkomen. C. Hun ellende zal voortspruiten uit dezelfde dingen, die hun geluk uitmaakten. Bederf, verval, roest en mot zal over al hun goede dingen komen. Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden, vers 2. Die dingen, waaraan gij nu onmatig gehecht zijt, zullen u dan ondraaglijk worden, zij zullen geen waarde en geen nut meer voor u hebben, integendeel: zij zullen u met vele smarten doorsteken, want:
D. Uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als vuur verteren, vers 3. Onwaardig gebruikte dingen worden dikwijls in de Schrift als getuigen tegen de godlozen voorgesteld, ook de onbezielde. Hemel, aarde, de stenen van het veld, de voortbrengselen van den grond, en hier de roest en het verderf van verkeerd verkregen en verkeerd-gebruikte schatten, die worden gezegd de getuigen tegen de goddelozen te zijn. Zij menen schatten op te hopen tegen de latere dagen, om daarvan in overvloed te kunnen leven in hun ouderdom, maar helaas, zij vergaderen alleen rijkdommen als een prooi voor anderen, gelijk den Joden al wat zij bezaten door de Romeinen afgenomen werd. Het zijn schatten, die ten laatste zullen blijken enkel schatten des toorns te zijn, in den dag der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. Dan zullen hun ongerechtigheden in de straf, die er op volgt, hun vlees als `t ware met vuur verteren. In de verwoesting van Jeruzalem verloren duizenden door vuur het leven, in het laatste oordeel zullen de goddelozen veroordeeld worden tot het eeuwige vuur, dat den duivel en zijnen engelen bereid is. De Heere verlost ons van het lot van boze rijke mensen, laat ons zorgen dat wij niet in hun zonden vallen. Dat moeten wij thans overwegen.
2. De apostel noemt op welke zonden het zijn, die zulke ellenden met zich brengen. Wie in zo ellendigen toestand vervalt, heeft dat zeker te danken aan enige zeer boosaardige misdaden.
A. Deze mensen worden van gierigheid beschuldigd. Zij kochten en bewaarden klederen tot er de mot in kwam en die ze verteerde, zij stapelden goud en zilver op tot er roest in ontstond en het invrat , maar de ongenade valt het zwaarst op hen, die nutteloos deze dingen ophoopten en bewaarden, tot ze bedorven en vergaan waren. God verleent ons aardse bezittingen opdat wij er Hem door zouden vereren en er nut mede doen, maar wanneer wij, in plaats daarvan, ze nutteloos opstapelen, uit zondige gehechtheid er aan, of uit wantrouwen van de Goddelijke Voorzienigheid, dan plegen wij een zware misdaad, en zal de roest en de mot, die de schatten verteerd hebben, eens tegen ons getuigen.
B. Een andere zonde, waarvan Jakobus deze mensen beschuldigt, is verdrukking. Ziet, de loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept enz, vers 4. Rijkdom geeft macht, en die rijk is, wordt verzocht om die macht te misbruiken en te onderdrukken degenen, die onder hem staan. Wij zien hier dat de rijken de armen in hun dienst gebruiken, want de rijken hebben evenveel behoefte aan den arbeid der armen als de armen aan het loon der rijken, en kunnen even weinig hen missen. Maar zij, dat niet in aanmerking nemende, verkortten het dagloon van de arbeiders, zij hadden de macht in handen en stelden waarschijnlijk aan de armen de voorwaarden zo hard mogelijk, en daarbij wilden zij niet eens het volle toekomende loon betalen. Dat is een schreeuwende zonde, een misdaad, die tot God om wraak roept. En hier wordt God genoemd de Heere Zebaoth, of de Heere der legerscharen, kurios sabaooth, een naam, die dikwijls in het Oude Testament gebruikt werd, wanneer Gods volk zonder verdediging was en bescherming behoefde tegen talrijke en machtige vijanden. De Heere der legerscharen, die al de heiren van schepselen tot Zijne beschikking heeft en elk hunner in zijn eigen plaats zet, hoort de verdrukten, wanneer zij roepen onder de wreedheid en onrechtvaardigheid van den verdrukker, en Hij zal bevel geven aan enige Zijner legerscharen, aan engelen, duivelen, stormen, andere ongelukken, of iets dergelijks, om de verongelijkten te wreken op hen, die zo onrechtvaardig en onbarmhartig hen behandelen. Laat ons tegen de zonde van onderdrukking en bedrog van de armen zeer op onze hoede zijn en er zelf den schijn van vermijden.
C. Een andere zonde, hier genoemd, is zinnelijkheid en wellust. Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde en wellusten gevolgd, vers 5. God verbiedt ons niet ons te vermaken, maar in de genoegens te leven alsof er niets anders voor ons te doen ware, is een zeer beledigende zonde, en dat te doen op de aarde, waar wij slechts gasten en vreemdelingen zijn, waar wij slechts korten tijd vertoeven, en waar wij ons voor de eeuwigheid behoren voor te bereiden, is een zeer verzwarende zonde van de wereldsgezindheid. De weelde maakt de mensen wellustig, zoals blijkt uit Hosea 13:6. Daarna zijn zij, naar dat hunlieder weide was, zat geworden, als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven, daarom hebben zij Mij vergeten. Wellust en weelde zijn gewoonlijk de gevolgen van groten overvloed, het is moeilijk voor de mensen om uitgebreide bezittingen te hebben en zich niet te veel te dompelen in vleselijke en zinnelijke genoegens. Gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slachting, gij leeft alsof elke dag een dag van dankoffers of feestmalen ware, en daardoor zijn uw harten met vet omtogen en gevoed tot verstomping, luiheid, hoogmoed en ongevoeligheid voor de behoeften en droefenissen van anderen. Misschien zeggen sommigen: Welk kwaad steekt er in een weelderig leven, wanneer de mensen maar niet boven hun geldelijke kracht gaan? Hoe? Is het geen kwaad, wanneer iemand zijn buik tot zijn god maakt, om alles aan dien god te geven in plaats van over te vloeien in daden van weldadigheid en medelijden? Is het geen kwaad, wanneer men zich zelven ongeschikt maakt om voor het welzijn van zijn eigen ziel te zorgen, door alle begeerlijkheden van het lichaam te voldoen? Zeker: datgene wat de vlammen over Sodom bracht en de ellende zal brengen over de rijken, wie hier aangezegd wordt dat zij zullen wenen en huilen, moet wel een ontzettend misdrijf zijn. Hoogmoed, ijdelheid en oververzadiging van brood, zijn hetzelfde als leven in vermaken, wellustig zijn en het hart voeden als in een dag van slachting.
D. Nog een zonde wordt dezen rijken verweten, en wel vervolging. Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardigen, en hij wederstaat u niet, vers 6. Dit vervult de maat hunner zonden. Zij verdrukten en handelden zeer onrechtvaardig om hun goederen te vermeerderen, wanneer zij rijk geworden waren, leefden zij wellustig en zinnelijk, totdat zij alle gevoel voor de droefenissen van anderen verloren hadden, en daarna vervolgden en doodden zij hen zonder wroeging. Zij gaven voor werkelijk zeer nuttig te handelen, zij veroordeelden alvorens zij doodden, maar onrechtvaardige vervolgingen, welken schonen schijn zij ook mogen aannemen, zullen door God meegerekend worden, wanneer Hij het onschuldig bloed zal wreken, even goed als doodslag en moord. Merk hier op: De rechtvaardigen kunnen veroordeeld en gedood worden. Maar merk ook op: Zulk lijden en zich zonder tegenstand onderwerpen aan het onrechtvaardig vonnis van de verdrukkers wordt door God opgemerkt ter ere van de lijders en tot schande van de vervolgers. Gewoonlijk toont zulk gedrag dat oordelen aanstaande zijn, en wij kunnen er zeker van zijn dat de dag der vergelding komen zal, om de lijdzaamheid der verdrukten te belonen en het geweld der verdrukkers te breken. Zover hetgeen tot de zondaren gezegd wordt.
II. Hieraan is toegevoegd een woord aan de heiligen. Sommigen keuren het af en veroordelen deze wijze van prediken, wanneer dienaren in hun toepassingen een woord tot de zondaren en een woord tot de heiligen richten, maar aan de wijze, waarop de apostel hier handelt, kunnen wij zien dat dit juist de rechte manier is om het woord der waarheid te snijden. Door hetgeen gezegd werd omtrent goddeloze en verdrukkende rijken, kwam er goede gelegenheid om Gods bedroefde volk troost aan te bieden. Weest daarom lijdzaam, aangezien God zulke ellendigheden over de goddelozen zal doen komen, moet gij toezien wat uw plicht is en daardoor u laten bemoedigen.
1. Vervult uw plicht. Zijt lankmoedig, vers 7, versterkt uwe harten, vers 8, zucht niet tegen elkaar, broeders, vers 9. Let wel op de betekenis van deze drie uitdrukkingen.
A. Weest lankmoedig. Draagt uw droefenissen zonder murmureren, de u aangedane onrechtvaardigheden zonder wraakzucht, en ofschoon God niet onmiddellijk voor u moge optreden, wacht niettemin op Hem. Het gezicht is voor een bestemden tijd, het zal niet liegen, daarom verwacht het. Nog een weinig tijds en Hij, die te komen staat, zal komen en niet vertoeven. Laat uw geduld zich uitstrekken tot lankmoedigheid, makrothumêsate. Wanneer wij ons werk gedaan hebben, moeten wij lankmoedig op de beloning wachten. Het geduld van den Christen is niet eenvoudig een bukken voor nooddwang, zoals het geduld van de wijsgeren was, het is een nederig toestemmen in de wijsheid Gods en in Zijn wil, met het oog op de toekomstige beloning.
Weest lankmoedig tot de toekomst des Heeren. En omdat dit de les is, die de Christenen leren moeten, ofschoon ze hard en moeilijk is, wordt ze herhaald in vers 8 :Weest gij ook lankmoedig.
B. Versterkt uwe harten. Laat uw geloof krachtig zijn, zonder weifeling, laat uw betrachten van het goede standvastig en voortdurend zijn, zonder vermoeidheid, laat uw beslistheid voor God en den hemel wel gevestigd zijn, ten spijt van alle lijden en verzoeking. De voorspoed van de bozen en de droefenissen der rechtvaardigen zijn ten allen tijde een zeer grote beproeving geweest voor het geloof van Gods volk. Asaf zegt ons dat zijne voeten bijna waren uitgeweken en zijn treden bijkans uitgeschoten, ziende der goddelozen vrede, Psalm 73:2, 3. Sommigen van de Christenen, aan wie Jakobus schreef, waren wellicht in dezelfde geslingerde gemoedsgesteldheid, en daarom worden zij opgeroepen om hun harten te versterken. Geloof en lankmoedigheid zullen het hart versterken.
C. Zucht niet tegenover elkaar, mê stenuzete, dat is kreunt niet tegen elkaar. Maakt het elkaar niet moeilijk met murmurerend kreunen bij hetgeen u overkomt, en kreunt niet wantrouwend over hetgeen misschien nog volgen zal, kreunt ook niet wraaklustig tegen de werktuigen van uw lijden, en evenmin wangunstig tegen hen, wie zulke droefheid bespaard bleef, maakt het uzelven, en anderen, en elkaar niet moeilijk door met uw kreunen en zuchten elkaar te bedroeven. "Het komt mij voor", zegt Dr. Manton, "dat de apostel hier het oog heeft op de wederkerige beledigingen en vitterijen, waarmee de Christenen van die tijden elkaar bedroefden onder de namen van besnedenen en onbesnedenen, en elkaar reden tot zuchten gaven, zodat zij niet enkel zuchtten onder de onderdrukkingen van hun rijke vervolgers, maar ook onder de onrechtvaardigheden van velen hunner broederen, alhoewel die met hen hetzelfde heilige geloof beleden". Zij, die in het midden van gemeenschappelijke vijanden en daardoor in gelijke bedroevende omstandigheden zijn, hebben vooral te zorgen dat zij elkaar niet beledigen of doen zuchten, anders zullen er over hen zowel als over de anderen oordelen komen, en hoe meer zulk zuchten de overhand verkrijgt, des te meer toont het dat de oordelen aanstaande zijn.
2. Ziet welke aanmoediging hier den Christenen gegeven wordt om lankmoedig te zijn, hun harten te versterken en niet tegen elkaar te zuchten. A. Let op het voorbeeld van den landman.
Hij verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen. Wanneer gij uw koren in den akker gezaaid hebt, wacht ge verscheidene maanden naar den vroegen en den spaden regen, en zijt zeer gewillig om op de vruchten van uw arbeid tot den oogsttijd te wachten. En moet dat u niet leren een weinig storm te doorstaan en gedurende een jaargetijde geduldig te zijn, wanneer gij een koninkrijk en eeuwige gelukzaligheid verwacht? Ziet hoe hij wacht op een oogst van koren, zult gij dan niet wachten op een kroon der heerlijkheid? En indien gij geroepen wordt om een weinig langer te wachten dan de landman, is het dan niet op iets dat onvergelijkelijk groter en kostbaarder is?
B. Denkt er bovendien aan hoe kort wellicht uw wachttijd zal zijn. De toekomst des Heeren genaakt, vers 8. Ziet, de Rechter staat voor de deur, vers 9. Wordt niet ongeduldig, twist niet met elkaar, de grote Rechter, die alles terecht zal brengen, die de bozen straffen en de goeden belonen zal, is op de komst, gij kunt Hem reeds bemerken als iemand, die gereed staat om aan te kloppen. De komst des Heeren om de goddeloze Joden te straffen was toen zeer nabij, toen Jakobus dezen brief schreef. En wanneer het geduld en de andere deugden van Zijn volk op buitengewone wijze beproefd worden, moet de zekerheid van Christus' komst als Rechter, en de nabijheid daarvan, de harten versterken. De Rechter is nu nog veel naderbij gekomen in de eeuwen, die tussen het schrijven van dezen brief en onzen tijd liggen, en daarom moeten deze vertroostingen voor ons des te meer uitwerking hebben.
C. Het gevaar van veroordeeld te zullen worden, wanneer de Rechter verschenen is, moet ons aanvuren om de ons voorgelegde plichten te vervullen. Zucht niet tegen elkaar, opdat gij niet veroordeeld wordt. Knorrigheid en ontevredenheid stellen ons bloot aan het rechtvaardig oordeel Gods, en wij brengen door ons murmureren, wantrouwend en naijverig kreunen en zuchten, meer onheilen over ons zelven dan wij vermoeden. Indien wij deze zonden vermijden en geduldig zijn onder onze beproevingen, zal God ons niet veroordelen. Laat dit ons bemoedigen.
D. Wij worden tot lankmoedigheid aangespoord door het voorbeeld der profeten, vers 10. Neemt tot een voorbeeld des lijdens en der lankmoedigheid de profeten, die in den naam des Heeren gesproken hebben. De profeten, op welken God de grootste eer legde en dien Hij de uitnemendste gunsten schonk, werden het meest bedroefd. En indien wij bedenken dat de beste mensen de hardste behandeling ondervonden in de wereld, moeten wij daardoor met onze droefenissen verzoend worden. Merk verder op: Zij, die de grootste voorbeelden van lijden en droefenis waren, zijn ook de beste en grootste voorbeelden van lankmoedigheid geweest: de droefenis werkt lijdzaamheid. En daarom zegt Jakobus dat alle gelovigen daarnaar rekenen: Wij houden hen gelukzalig, die verdragen, wij beschouwen rechtvaardige en lankmoedige lijders als de gelukkigste mensen. (Zie Hoofdstuk 1:2-12.)
E. Job wordt ook voorgesteld als een voorbeeld van bemoediging voor de bedroefden.
Gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord en gij hebt het einde des Heeren gezien, vers 11. Het geval van Job is een toonbeeld van een verscheidenheid van zeer zware ellenden, maar onder dat alles kon hij God danken en over het algemeen was hij lijdzaam en nederig. En hoe was het einde? Waarlijk. God toonde hem door en na al die dingen duidelijk, dat de Heere is zeer barmhartig en van grote goedertierenheid. De beste wijze om onze droefenissen te dragen is op het einde te zien, en het medelijden Gods is zo groot, dat Hij niet zal vertragen er een einde aan te maken wanneer Hij er Zijn doel mede bereikt heeft. Zijn ingewanden zijn jegens hen bewogen terwijl zij lijden en Zijn goedheid wordt hun daarna getoond. Laat ons God dienen en onze beproevingen verdragen als dezulken, die geloven dat het einde alles kronen zal.