Spreuken 28:6
1. Hier wordt verondersteld dat een man kan wandelen in zijn oprechtheid, en toch arm kan zijn in deze wereld, hetgeen een verzoeking is tot oneerlijkheid, en die verzoeking toch kan weerstaan, zodat hij in zijn oprechtheid blijft wandelen, en ook dat iemand verkeerd van wegen kan zijn, beledigend voor God en de mensen, en toch rijk zijn, en aldus grote verplichtingen en zeer vele gelegenheden heeft om goed te doen, meer toch verkeerd van wegen is, en zeer veel kwaad doet.
2. Tegenover een blinde wereld wordt het als een paradox verkondigd, dat een eerlijk, godvruchtig, arm man beter is dan een goddeloos rijk man, een beter karakter heeft, in betere toestand is, meer genot en lieflijkheid smaakt, een groter zegen is voor de wereld, en veel meer eer en achting waardig is. Het is niet alleen zeker dat zijn toestand beter zal wezen bij de dood, maar ook beter is in het leven. Toen aan Aristoteles door een rijk man zijn armoede verweten werd, antwoordde hij: "Uw rijkdom doet u meer kwaad dan mijn armoede mij doet."