Psalm 37:1-6
Het onderricht, dat hier gegeven wordt, is zeer duidelijk, en er behoeft niet veel gezegd te worden om het te verklaren, maar wel is er zeer veel te doen om het in praktijk te brengen.
I. Wij worden hier gewaarschuwd tegen ontevredenheid wegens de voorspoed van boosdoeners, vers 1, Ontsteek u niet en benijd niet. Wij kunnen veronderstellen dat David dit in de eerste plaats tot zichzelf zegt, het predikt tot zijn eigen hart (als hij in zijn hart sprak op zijn leger) ter onderdrukking van de verdorven hartstochten, die hij daar werkende vond; en dan past hij het na in geschrifte ter onderrichting van anderen, die door eenzelfde verzoeking worden aangevallen. Datgene wordt het best aan anderen gepredikt en met de meeste waarschijnlijkheid van een goede uitslag, wat wij eerst aan onszelf gepredikt hebben.
1. Als wij de blik rondom ons richten dan zien wij de wereld vol boosdoeners en werkers van ongerechtigheid, die groeien en bloeien, hebben wat zij willen en doen wat zij willen, die zelf op hun gemak en in pracht leven, en macht hebben om hun, die hen omringen, kwaad te doen. Zo was het in David's tijd; en daarom moeten wij, indien het nog zo is, er ons niet over verwonderen, alsof dit iets nieuw of iets vreemds was.
2. Slaan wij de blik naar binnen, dan zien wij ons in verzoeking om ons deswege te ontsteken en nijdig te zijn op deze ergernissen en lasten, deze smetten en openbare plagen van deze aarde. Wij zijn geneigd ons te verbitteren tegen God, alsof Hij onvriendelijk was voor de wereld en onvriendelijk voor Zijn kerk, door zulke mensen te laten leven, voorspoed te laten hebben. Wij zijn geneigd ons te kwellen uit ergernis over hun welslagen in hun boze plannen, hun de vrijheid te benijden, die zij nemen om rijkdom te verkrijgen, wellicht door onwettige middelen, en in het zich toegeven in hun lusten, en te wensen dat wij het bedwang van ons geweten konden afschudden, om dan te doen zoals zij doen. Wij zijn in verzoeking te denken dat zij alleen de gelukkigen zijn, en neigen er naar om hen na te volgen, ons bij hen te voegen, ten einde te kunnen delen in hun gewin en van hun lekkernijen te eten, en dat is het, waartegen wij gewaarschuwd worden. Ontsteek u niet en benijd niet. Gemelijkheid en nijd zijn zonden, die zichzelf straffen, ze zijn de onrust des geestes en de verrotting van de beenderen; het is dus in vriendelijkheid voor ons, dat wij er tegen gewaarschuwd worden. Maar dit is nog niet alles want
3. Als wij met het oog des geloofs voorwaarts zien, dan zullen wij geen reden zien om de goddelozen hun voorspoed te benijden want hun verderf is nabij en zeer snel rijpen zij er voor, vers 2 Ze bloeien, maar als het gras en als de groene grasscheutjes, die niemand benijdt. Het bloeien van een godvruchtige is als van een vruchtbare boom, Psalm 1:3, maar dat van de goddeloze is als van gras en grasscheutjes, dat van zeer korten duur is.
a. Zij zullen spoedig verdorren. Uitwendige voorspoed is zeer vergankelijk, evenals het leven zelf, waartoe hij beperkt is.
b. Zij zullen spoediger door het oordeel Gods worden afgesneden. Hun triomf is van korte duur, maar hun wenen en weeklagen zal tot in eeuwigheid zijn.
II. Er wordt ons hier de raad gegeven om een leven te leiden van vertrouwen en welgevallen in God, en dat zal ons er voor bewaren om ons te ontsteken over de voorspoed van de boosdoeners. Als wij wel handelen ten opzichte van onze eigen ziel, dan zullen wij weinig reden zien om hen te benijden, die zo slecht handelen met de hun.
Hier zijn drie uitnemende voorschriften, door welke wij ons moeten laten besturen, en om er kracht aan bij te zetten, drie dierbare beloften waarop wij kunnen steunen.
1. Wij moeten in de weg van de plicht God tot onze hoop maken, dan zullen wij een aangenaam bestaan hebben in deze wereld, vers 3.
2. Er wordt geëist dat wij op de Heere vertrouwen en het goede doen, ons op Hem zullen verlaten, en ons naar Hem zullen schikken.
a. Het godsdienstig leven is grotelijks gelegen in een gelovig steunen op God, op Zijn gunst Zijn voorzienigheid, Zijn belofte, Zijn genade en een vlijtige zorg om Hem te dienen in ons geslacht overeenkomstig Zijn wil. Wij moeten niet denken op God te vertrouwen en dan te leven naar ons eigen goeddunken, naar onze eigen begeerte en zin; neen, het is niet op God vertrouwen, maar Hem verzoeken, indien wij niet nauwgezet onze plicht jegens Hem betrachten; en wij moeten er evenmin aan denken om goed te doen en dan op onszelf te betrouwen, op onze eigen gerechtigheid en kracht; neen, wij moeten beide op de Heere vertrouwen en het goede doen. En dan:
b. Is ons beloofd dat wij in deze wereld verzorgd zullen worden, voorzien zullen worden van hetgeen ons nodig is: Zo zult gij wonen in het land en voorzeker gevoed worden, vers 3. Hij zegt niet: "Zo zult gij bevordering verkrijgen, in een paleis wonen en op feestmaaltijden onthaald worden." Dat is niet nodig, het leven van de mens bestaat niet in de overvloed van deze dingen; maar: "Gij zult een plaats hebben om in te wonen, en dat wel in het land, in Kanaän, het dal van het gericht, en gij zult het brood uws bescheiden deels hebben." Dat is meer dan wij verdienen, het is zoveel als waarvoor een goed man een verdrag zal aangaan, Genesis 28:20, en het is genoeg voor iemand, die naar de hemel gaat. Gij zult een vestiging hebben, een rustige vestiging, en een onderhoud, een goed en gerieflijk onderhoud. Gij zult waarlijk gevoed worden; sommigen lezen het: gij zult gevoed worden door geloof, zoals de rechtvaardigen gezegd worden door het geloof te leven, en het is goed te leven op het geloof, te leven op de beloften. Gij zult voorzeker gevoed worden, zoals Elia in de hongersnood, met hetgeen u nodig heeft." God zelf is een herder, een voedsterheer voor allen, die op Hem vertrouwen, Psalm 23; 1.
2. Wij moeten God stellen tot de verlustiging van ons hart, en dan zullen wij de begeerte hebben van ons hart, vers 4, wij moeten niet alleen op Hem steunen, maar ons in Hem vertroosten. Wij moeten blij zijn dat er een God is, dat Hij er een is zoals Hij zich aan ons heeft geopenbaard, en dat Hij onze God is in het verbond. Wij moeten ons verlustigen in Zijn schoonheid, goedheid en liefderijkheid; onze ziel moet tot Hem weerkeren als tot haar rust en haar deel in eeuwigheid. Verzadigd zijnde van Zijn goedertierenheid, moeten wij er tevreden mee zijn, en Hem tot de God van de blijdschap onzer verheuging maken, Psalm 43:4 Er werd ons geboden goed te doen, en daarop volgt nu dit gebod van ons te verlustigen in de Heere, dat evenzeer een voorrecht als een plicht is. Als wij er nauwgezet naar streven om God te gehoorzamen, dan kunnen wij de lieflijkheid hebben van ons in Hem te verlustigen. En zelfs aan deze aangename plicht van ons te verlustigen in God is een belofte verbonden, die zeer rijk en kostelijk is, genoeg om de zwaarste dienst te betonen: Hij zal u geven de begeerten van uw hart. Hij heeft niet beloofd al de lusten van het vlees te bevredigen, aan al de grillen van de verbeelding te voldoen, maar al de begeerten van ons hart te geven, al de verlangens van de vernieuwde, geheiligde ziel. Wat is de begeerte van het hart van een godvruchtige? Het is deze: God te kennen en lief te hebben, voor God te leven Hem te behagen en zich in Hem te verblijden.
3 Wij moeten God maken tot onze gids; ons in alles aan Zijn leiding en beschikking onderwerpen, dan zullen al onze zaken, zelfs die het meest ingewikkeld of in verwarring schijnen te zijn, goed uitkomen, vers 5, 6
A. De plicht is zeer gemakkelijk, en als wij hem goed doen, zullen wij er rust door hebben. "Wentel uw weg op de Heere," Spreuken 16:3; Psalm 55:23 "Werp uw last op de Heere;" de last van uw zorgen, 1 Petrus 5:7 wij moeten hem afwentelen van onszelf, zodat wij ons niet kwellen en angstig maken over toekomstige gebeurtenissen, Mattheus 6:25, ons niet bekommeren vanwege het berekenen van de middelen, of ten opzichte van de verwachting van het doel, maar het alles aan God overgeven, het aan Hem overlaten om door Zijn wijze en goede voorzienigheid al onze zaken te regelen en in goede orde te brengen naar het Hem behaagt. "Openbaar uw weg aan de Heere;" zo hebben het de LXX, dat is: Spreid in het gebed uw zaak en al uw zorgen er over uit voor de Heere; zoals Jeftha al "zijn woorden sprak voor het aangezicht des Heren te Mizpa", Richteren 11:11; en vertrouw dan op Hem om haar tot een goed einde te brengen, in de volle overtuiging dat alles goed is wat God doet." Wij moeten onze plicht doen dat moet onze zorg wezen en dan de uitkomst aan God overlaten; zit stil "en zie hoe de zaak zal vallen," Ruth 3:18. Wij moeten de voorzienigheid volgen, niet dwingen; de oneindige wijsheid onderschrijven in hetgeen zij doet, haar niet voorschrijven wat zij doen moet.
B. De belofte is zeer lieflijk.
a. In het algemeen. Hij zal het maken, wat het ook zij, dat gij op Hem gewenteld en Hem overgegeven hebt, indien al niet naar uw berekening, dan toch naar uw genoegen, uw voldoening. Hij zal middelen vinden om u te redden uit uw benauwdheid, uw vrees te voorkomen, uw voornemen tot stand te brengen tot uw genoegen en uw tevredenheid.
b. In het bijzonder. Hij zal zorg dragen voor uw eer en uw goede naam, u redden uit uw moeilijkheden, niet slechts op voor u aangename wijze, maar met ere. Hij zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als de middag, vers 6, dat is: "Hij zal het doen blijken, dat gij een eerlijk man zijt, en dat is eer genoeg"
Ten eerste. Hierin ligt opgesloten dat de gerechtigheid en het recht van Godvruchtige mensen voor een tijd omfloerst, verduisterd kunnen zijn, hetzij door merkwaardige bestraffingen van de voorzienigheid (Jobs grote beproevingen verduisterden zijn gerechtigheid), of door de boosaardige afkeuringen en verwijtingen van mensen, die hen bij slechte namen noemen, welke zij volstrekt niet verdienen, en hun dingen ten laste leggen, waarvan zij niets weten.
Ten tweede. Er is beloofd dat God te bestemder tijd de smaad, waaronder zij liggen, van hen zal afwentelen, hun onschuld aan het licht zal brengen, en hun gerechtigheid zal doen voortkomen tot hun eer, misschien reeds in deze wereld, op zijn laatst in de grote dag, Mattheus 13:43 Als wij zorgen een goed geweten te bewaren, dan kunnen wij het aan God overlaten om te zorgen voor onze goeden naam.