Spreuken 24:19-20
1. Hier herhaalt hij de waarschuwing, die hij tevoren gegeven heeft tegen het benijden van de genoegens en de voorspoed van goddelozen in hun goddeloze wegen. Dit haalt hij aan van zijn vader David, Psalm 37:1. Wij moeten ons in geen geval ontsteken of ons beroeren, wat het ook zij, wat God doet in Zijn voorzienigheid en hoe het ook indruist tegen ons gevoel, tegen onze belangen en verwachtingen, wij moeten erin berusten. Zelfs hetgeen ons smart of grieft, moet ons niet ontsteken, en ook moet ons oog niet boos zijn tegen iemand, omdat God goed is. Zijn wij wijzer of rechtvaardiger dan Hij? Als goddelozen voorspoedig zijn, dan moeten wij daarom niet geneigd wezen om te doen zoals zij doen.
2. Hij geeft een reden voor deze waarschuwing, ontleend aan het einde van de weg, waarop de goddelozen wandelen. Benijd hun voorspoed niet, want:
a. Er is geen waar geluk in, de kwade zal geen beloning hebben, zijn voorspoed dient slechts voor zijn tegenwoordig bestaan, dat is al het goed, dat hij te verwachten heeft, er is hem geen weggelegd in de wereld van de vergelding, hij heeft zijn loon weg, Mattheus 6:1.2. Hij zal er geen hebben. Diegenen zijn niet te benijden, die hun deel hebben in dit leven en het moeten overleven, Psalm 17:14.
b. Er is geen duurzaamheid in hun lamp die wel helder brandt, maar weldra zal zij uitgeblust worden, en een einde gemaakt worden aan hun welvaart, Job 21:17, Psalm 37:1, 2.