Psalm 73:1-14
Deze psalm heeft een ietwat plotseling begin: Toch is God Israël goed, zo heeft het de kanttekening. Hij had nagedacht over de voorspoed van de goddelozen, en terwijl hij aldus peinsde, brandde het vuur, sprak hij om zichzelf te bestraffen voor hetgeen hij had gedacht, Hoe dit nu zij, toch is God Israël goed." Hoewel goddeloze mensen vele van de gaven van Zijn milddadige voorzienigheid ontvangen, moeten wij toch erkennen dat Hij op bijzondere wijze Israël goed is, zij hebben gunsten van Hem, die anderen niet hebben.
De psalmist geeft een beschrijving van een verzoeking, door welke hij sterk was aangevallen namelijk de voorspoed van de goddelozen te benijden, een verzoeking, die zeer algemeen is en de genade van vele heiligen op de proef heeft gesteld. In zijn verhaal ervan:
I. Stelt hij in de eerste plaats het grote beginsel vast, waaraan hij besloten heeft vast te houden, en er niet van af te gaan terwijl hij handelt met deze verzoeking, vers 1. Toen Job in een dergelijke verzoeking kwam, heeft hij als zijn beginsel de alwetendheid Gods vastgesteld: "De tijden zijn voor van de Almachtige niet verborgen," Job 24:1. Jeremia's beginsel is de rechtvaardigheid Gods, "Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere, wanneer ik tegen U zou twisten," Jeremia 12:1. Habakuks beginsel is de heiligheid Gods: "Gij zijt te rein van ogen dan dat Gij het kwade zoudt zien," Habakuk 1:13. Dat van de psalmist hier is de goedheid Gods. Dat zijn waarheden, die niet aan het wankelen gebracht kunnen worden, en wij moeten besluiten er mee te leven en te sterven. Hoewel wij niet instaat zijn al de beschikkingen van Zijn voorzienigheid in overeenstemming er mee te brengen, moeten wij toch geloven dat zij er mee verenighaar zijn. Goede gedachten van God zullen ons versterken tegen vele van Satans verzoekingen. Immers is God goed, er waren vele gedachten in zijn hart opgekomen betreffende de beschikkingen van Gods voorzienigheid, maar dit woord bracht hem eindelijk tot vastheid en rust: Met dat al: God is goed, is Israël goed, diegenen, die rein van hart zijn. Diegenen zijn het Israël Gods, die rein van hart zijn, gereinigd door het bloed van Christus, gereinigd van de besmettingen van de zonde, en geheel en al toegewijd aan de eer en heerlijkheid Gods. Een oprecht hart is een rein hart, reinheid is waarheid in het binnenste. God, die allen goed is, is in bijzondere zin goed jegens Zijn kerk en Zijn volk, zoals Hij het was jegens Israël vanouds. God was Israël goed toen Hij hen verloste uit Egypte, hen in een verbond met zich opnam, hun Zijn wetten en inzettingen gaf, en in de onderscheidene beschikkingen van Zijn voorzienigheid over hen, evenzo is Hij goed allen, die rein van hart zijn. Wat er ook moge gebeuren, wij moeten er niet anders overdenken.
II. Hij komt er nu toe om te verhalen welk een schok het was voor zijn geloof in Gods onderscheidende goedheid jegens Israël, toen hij in de sterke verzoeking was om de voorspoed van de goddelozen te benijden, en dus te denken dat Gods Israël niet gelukkiger was dan andere mensen, en dat God niet vriendelijker is jegens Israël dan jegens anderen. Hij spreekt ervan alsof hij ternauwernood aan die verzoeking was ontkomen, er door overwonnen en ternedergeworpen te zijn, vers 2. "Maar mij aangaande, hoewel ik zo overtuigd was van Gods goedheid jegens Israël, waren mijn voeten toch bijna uitgeweken, de verzoeker had mij bijna doen vallen, mijn treden waren bijna uitgeschoten, ik had bijna mijn godsdienst opgegeven, mijn verwachtingen van weldadigheid er van verloren, want ik was nijdig op de dwazen." Het geloof, zelfs van krachtige gelovigen, kan soms droevig aan het wankelen worden gebracht en hun bijna falen. Er zijn stormen, waar de zwaarste en stevigste ankers haast niet tegen bestand zijn. Zij, die nooit geheel en al overwonnen zullen worden, zijn het soms toch bijna, en in hun eigen gevoel zijn. Menige kostelijke ziel, die in eeuwigheid zal leven, heeft eenmaal met grote moeite het leven behouden, was bijna ten verderve gebracht, er was slechts een schrede tussen haar en een noodlottige afval, en toch werd zij als een vuurbrand uit het vuur gerukt, hetgeen voor altijd de rijkdom van Gods genade zal groot maken in de volken, die zalig worden.
Laat ons nu de loop van de verzoeking van de psalmist nagaan, wat het was, waarmee hij verzocht werd, en wat hij in verzoeking kwam om te doen.
A. Hij zag dat dwaze, goddeloze mensen soms zeer veel uitwendige voorspoed hebben. Hij zag met smart van de goddeloze vrede, vers 3, van de goddeloze voorspoed. Goddelozen zijn in werkelijkheid dwazen, zij handelen tegen rede en verstand en tegen hun belang, en toch ziet de toeschouwer hun voorspoed.
a. Zij schijnen het allerkleinste deel te hebben van de moeilijkheden en rampen des levens vers 5. Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, zelfs als wijze en godvruchtige mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd, zij schijnen als door een bijzonder voorrecht vrijgesteld te zijn van het gewone en algemeen lot van smart en verdriet. Als ze soms kleine moeilijkheden ondervinden, dan betekenen die toch niets in vergelijking met wat anderen hebben te verduren, die kleinere zondaars maar grotere lijders zijn.
b. Zij schijnen het grootste deel te hebben van de genoegens en gerieflijkheden van dit leven. Zij leven op hun gemak, baden zich in genot, zodat hun ogen uitpuilen van vet, vers 7. Zie wat de overdaad is van genot, het matig gebruik ervan verheldert de ogen, maar zij, die zich bovenmate toegeven in zingenot, hebben ogen, die uitpuilen. Epicuristen zijn in werkelijkheid hun eigen pijnigers, doordat zij de natuur geweld aandoen onder schijn en voorgeven van haar te bevredigen. En wel kunnen zij zich ten volle verzadigen, die meer hebben dan het hart kan begeren, vers 7, meer dan zijzelf ooit dachten te zullen hebben. Zij hebben tenminste meer dan een nederig, rustig, tevreden hart kan begeren, maar niet zoveel als zijzelf mensen. Er zijn velen, die zeer veel van dit leven in hun handen hebben meer niets van het andere leven in hun hart. Zij zijn goddeloos, leven zonder de vreze en de aanbidding van God. en toch zijn zij voorspoedig, gaan zij vooruit in de wereld, en zijn niet slechts rijk, maar zij vermenigvuldigen het vermogen, vers 12. Men beschouwt hen als welvarende mensen, terwijl anderen veel moeite hebben om te houden wat zij bezitten voegen zij er nog altijd meer aan toe, meer macht, meer eer, meer genot, door in rijkdom toe te nemen. Zij zijn de voorspoedigen van de eeuw, zo lezen het sommigen.
c. Hun einde schijnt in vrede te zijn. Daarvan wordt het eerst gesproken, omdat het het vreemdste van alles is, want vrede in het sterven heeft men altijd het bijzonder voorrecht van de godvruchtige geacht, Psalm 37:37, maar naar de uiterlijke schijn is het ook dikwijls het deel van de goddelozen, vers 4, daar zijn geen banden tot hun dood toe. Zij worden door geen gewelddadige dood weggeraakt, zij zijn dwaas, en toch sterven zij niet als dwazen, "want hun handen zijn niet gebonden, en hun voeten niet in boeien gedaan" 2 Samuël 3:33, 34. Zij worden door geen ontijdige dood weggenomen, zoals de vruchten van de boom gerukt worden voordat zij rijp zijn, maar zij worden er aan gelaten totdat zij van ouderdom er vanzelf afvallen. Zij sterven niet aan zware en pijnlijke ziekte, er zijn geen felle pijnen, geen benauwdheden in hun sterven, maar hun kracht blijft hun ten laatste toe bij, zodat zij zich nauwelijks voelen sterven. Zij behoren tot degenen, die sterven in de kracht van hun volkomenheid, daar zij geheel stil en gerust zijn, niet tot hen, die "sterven met een bittere ziel, en niet van het goede hebben gegeten," Job 21:23, 25. Ja zij zijn niet gebonden door de verschrikkingen van het geweten in hun stervensure, zij worden noch beangstigd door de herinnering aan hun zonden, noch door het vooruitzicht op hun rampzaligheid, maar sterven gerust. Wij kunnen niet oordelen over de staat van de mensen aan de andere kant van de dood, hetzij naar de wijze van hun sterven of naar hun gemoedsstemming in hun sterven. De mensen kunnen sterven als lammeren, en toch hun plaats hebben onder de bokken.
B. Hij zag dat zij van hun uitwendige voorspoed een zeer slecht gebruik maakten, en er door verhard werden in hun goddeloosheid, hetgeen de verzoeking, waarin hij was om er zich door te laten verbitteren, zeer versterkte. Indien het hun enig goed had gedaan, indien het hen minder tergend had gemaakt voor God, of minder verdrukkend voor de mens, dan zou het hem nooit hebben geërgerd, maar het had een geheel tegenovergestelde uitwerking op hen.
a. Het maakte hen zeer hooghartig en trots omdat zij gerust en op hun gemak leefden, daarom omringt hen de hovaardij als een keten vers 6. Zij tonen zich aan allen, die hen aanzien, als opgeblazen van hoogmoed op hun voorspoed, zoals mensen pronken met hun sieraden, "Israëls hovaardij zal in zijn aangezicht getuigen," Hosea 5:5, Jesaja 3:9. Hoogmoed ligt op hun keten, of halssnoer, zo leest Dr. Hammond het. Er steekt geen kwaad in om een keten, of halssnoer, te dragen, maar als de hoogmoed haar vastmaakt, als zij gedragen wordt om een ijdelen zin te bevredigen, dan houdt zij op een sieraad te zijn. Het is niet zozeer wat het kleed is (hoewel wij daar toch regelen voor hebben, 1 Timotheus 2:9), als wat het beginsel is, dat het aandoet, en wat de gezindheid is, waarmee het gedragen wordt. En gelijk de hoogmoed van de zondaren openbaar wordt in hun kledij, zo blijkt hij ook in hun spreken. Zij spreken uit de hoogte, vers 8, zij "spreken opgeblazen ijdelheid," 2 Petrus 2:18, snoevende op zichzelf en met minachting neerziende op allen, die hen omringen. Uit de overvloed van de hoogmoed, die in hun hart is, kunnen zij niet anders dan grootspreken.
b. Het maakte hen verdrukkend voor hun arme naburen, vers 6. Het geweld bedekt hen als een gewaad. Wat zij door bedrog en verdrukking verkregen hebben, behouden en vermeerderen zij door dezelfde goddeloze methoden, en bekommeren zich niet om het nadeel, dat zij anderen toebrengen, noch deinzen zij terug om geweld te gebruiken, om zich te verrijken en in aanzien toe te nemen. Zij zijn verdorven, vers 8, zoals de reuzen, de zondaren van de oude wereld, toen "de aarde vervuld was met wrevel," Genesis 6, 11, 13. Zij bekommeren zich niet om het kwaad, dat zij doen, hetzij om de wille van kwaad doen, of om er hun voordeel mee te doen. Zij spreken booslijk van verdrukking, zij verdrukken en rechtvaardigen er zich in, zij die goed spreken van zonde, spreken er booslijk van. Zij zijn verdorven, dat is: versmolten, opgelost in genietingen en weelderigheid, (zo verstaan het sommigen), en dan spotten zij, spreken zij booslijk, zij bekommeren er zich niet om, dat zij iemand wonden met de giftige pijlen van de laster, uit de hoogte spreken zij verdrukking.
c. Het maakt hen onbeschoft in hun houding en gedrag tegenover God en de mens, vers 9. Zij heffen hun mond tegen de hemel, ontzien zich niet om God zelf en Zijn eer te smaden, trotseren Hem, Zijn macht en gerechtigheid. Zij kunnen met hun handen de hemel niet bereiken om Gods troon te doen wankelen, anders zouden zij het doen, maar nu tonen zij hun kwaadwilligheid door hun mond tegen de hemel te zetten. Ook wandelt hun tong op de aarde, zij nemen de vrijheid om allen, die hun in de weg komen, te beledigen. Niemands grootheid of goedheid kan hem beveiligen tegen de gesel van een kwaadaardige tong, zij scheppen er een hoogmoedig behagen in om geheel het mensdom te bespotten, ze zijn de pest van hun land, zij vrezen God niet en ontzien geen mens.
d. In dit alles zijn zij zeer atheïstisch en Godslasterlijk. Zij zouden niet zo goddeloos kunnen zijn, indien zij niet geleerd hadden te zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? vers 11. Zo ver waren zij van de kennis te begeren van God, die hun al het goed, dat zij hadden, heeft gegeven, en hen geleerd zou hebben om het goed te gebruiken, dat zij niet wilden geloven, dat God kennis nam van hun goddeloosheid, hen ooit ter verantwoording zou roepen. Alsof Hij, omdat Hij de Allerhoogste is, hen niet kon of niet wilde zien, Job Z2:12, 13. Terwijl Hij, omdat Hij de Allerhoogste is, kennis kan en zal nemen van al de kinderen van de mensen, van alles wat zij doen, of zeggen, of denken. Welk een belediging is het voor de God van oneindige kennis, van wie alle wetenschap is, om te vragen: is er wetenschap in Hem? Wel mag hij zeggen: Zie, deze zijn goddeloos, vers 12.
C. Hij nam waar dat, terwijl de goddelozen aldus voorspoedig waren in hun goddeloosheid en door hun voorspoed nog goddelozer werden gemaakt, Godvruchtige mensen in grote nood en benauwdheid waren, en hij zelf in het bijzonder, waardoor de verzoeking om met God te twisten nog zeer versterkt werd.
a. Hij zag om zich heen en bemerkte dat velen van Gods volk in grote verbijstering waren, vers 10, Omdat de goddelozen zo snel, stoutmoedig, zo vermetel zijn, keert zich Zijn volk hiertoe, zij bevinden zich in dezelfde verlegenheid als die, waarin ik mij bevind, zij weten niet wat zij er van zeggen moeten, evenmin als ik het weet te meer daar voor hen wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt. Zij moeten niet slechts uit de bittere beker drinken, zij moeten hem tot de bodem toe ledigen, opdat geen droppel van die onaangename drank voor hen verloren zal gaan, hun gespaard zal worden, worden de wateren voor hen uitgedrukt, opdat zij de droesem des bekers zullen hebben. Zij storten overvloedige tranen als zij de goddelozen God horen lasteren, zoals David gedaan heeft, Psalm 119:136. Dat zijn de wateren, die hun worden uitgedrukt.
b. Hij zag op zichzelf en bespeurde dat hij onder het voortdurend misnoegen Gods lag, terwijl de goddelozen zich koesterden in de zonneschijn van Zijn vriendelijkheid, vers 14. Wat mij betreft," zegt hij, "de gehele dag ben ik geplaagd, nu eens door deze en dan weer door een andere beproeving, en mijn bestraffing is er alle morgens, even geregeld als de morgen aanbreekt." Zijn beproevingen waren groot, hij werd bestraft, gekastijd en geplaagd zonder tussenpoos, de gehele dag. Dit, dacht hij, was zeer hard, terwijl zij, die God lasterden, in voorspoed waren, was hij, die God aanbad, onder zo zware beproeving Hij sprak met diep gevoel toen hij van zijn eigen benauwdheid sprak, men kan tegen het gevoel niet twisten, behalve door het geloof.
D. Uit dit alles ontstond de sterke verzoeking om maar met alle Godsdienst te breken er niets meer van doen mee te willen hebben.
a. Sommigen, die de voorspoed van de goddelozen zagen en hem vergeleken met de beproevingen van de rechtvaardigen, waren in verzoeking om de Voorzienigheid te loochenen, en te denken dat God de aarde had verlaten. In die zin nemen sommigen vers 11. Zelfs onder Gods belijdend volk zijn er sommigen, die zeggen "Hoe zou God het weten? De dingen zijn aan de blinde fortuin overgelaten, maar niet door een alziend God beschikt." Bij een dusdanige opmerking hebben sommigen van de heidenen gevraagd: quis putet esse Deos? Wie zal nog geloven dat er goden zijn?
b. Hoewel de voeten van de psalmist niet zover waren uitgeweken, dat hij Gods alwetendheid in twijfel trok, was hij toch wel in verzoeking om te twijfelen aan het voordeel van de Godsdienst, en te zeggen: Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en heb ik zonder enig nut mijn handen in onschuld gewassen, vers 13. Zie hier wat het is om Godsdienstig te zijn: het is ons hart te reinigen, in de eerste plaats door berouw en wedergeboorte, en dan onze handen te wassen in onschuld door een algemeens verbetering van ons leven. Het is niet tevergeefs om dit te doen, niet tevergeefs om God te dienen en Zijn inzettingen waar te nemen, maar Godvruchtige mensen waren soms in de verzoeking om te zeggen: Het is tevergeefs," en "de Godsdienst is iets, waar men niet mee wint," omdat zij de voorspoed van de goddelozen gezien hebben. Maar hoe de zaak ons thans ook moge toeschijnen, als de reinen van hart, deze zaligen, God zullen zien, Mattheus 5:8, dan zullen zij niet zeggen dat zij hun hart niet tevergeefs gezuiverd hebben.