Mattheus 6:25-34
Er is schier gene zonde, waartegen onze Heere Jezus Zijne discipelen meer en ernstiger waarschuwt, of waartegen Hij hen met meer verscheidenheid van argumenten wapent, dan de zonde van verontrustende, verbijsterende, wantrouwende zorgen omtrent de dingen van dit leven, hetwelk een ongunstig teken is, dat zowel de schat, als het hart op de aarde is, vandaar dat Hij er zo uitvoerig over spreekt. Hier is:
I. Het verbod. Het is de raad en het gebod van den Heere Jezus, om niet bezorgd te zijn omtrent de dingen dezer wereld, Ik zeg u. Hij zegt het als onze Wetgever, en de Soeverein van ons hart, Hij zegt het als onze Trooster, en de Helper onzer blijdschap. Wat zegt Hij? Dit: en wie oren heeft om te horen, dat hij hore. Zijt niet bezorgd voor uw leven, noch voor uw lichaam, vers 25. Zijt niet bezorgd zeggende: Wat zullen wij eten? vers 31, en wederom, vers 34, Zijt niet bezorgd mê merimnate, Wees niet in zorge. Evenals tegen geveinsdheid wordt ook tegen wereldse zorgen, de waarschuwing drie maal herhaald, en toch is dit gene ijdele herhaling, gebod moet op gebod zijn en regel op regel, voor hetzelfde doel, en het is weinig genoeg. Het is ene zonde, die ons zo lichtelijk omringt. Het geeft te kennen, hoe liefelijk het is voor ons zelven, dat wij leven zonder bezorgd te zijn. Het is het herhaalde gebod van den Heere Jezus aan Zijne discipelen, dat zij hun eigen hart niet zullen verdelen en verscheuren door zorge omtrent deze wereld. Er is een denken betreffende de dingen van dit leven, dat niet slechts wettig, maar plichtmatig is, gelijk dat, hetwelk geprezen wordt in de deugdzame vrouw. Zie Prediker 27:23. Het is het woord, dat gebruikt wordt betreffende Paulus' zorge over de gemeenten, en Timotheus' zorge voor de zielen, 2 Corinthiërs 11:28, Filippenzen 2:20. Maar de gedachte, het bezorgd zijn, hier verboden, is:
1. Een verontrustend, kwellend bezorgd zijn, dat het hart her- en derwaarts voortdrijft en het in spanning houdt, dat onze blijdschap in God verstoort, en als een damp of nevel is op onze hoop in Hem, dat den slaap stoort, en ons verhindert in ons genieten van ons zelven, of van onze vrienden en van hetgeen God ons gegeven heeft.
2. Een mistrouwend, ongelovig bezorgd zijn. God heeft beloofd voor de Zijnen te voorzien in alles wat nodig is voor het leven en voor de Godzaligheid, het tegenwoordige leven, voedsel en deksel: gene lekkernijen, maar noodwendigheden. Hij heeft nooit gezegd: "zij zullen gastreren", maar "zij zullen gevoed worden". Ene bovenmatige zorg nu voor de toekomst, vrees voor gebrek aan deze noodwendigheden, komen voort uit ongeloof aan deze beloften, en aan de wijsheid en goedheid der Goddelijke Voorzienigheid, en dat is er het kwaad van. Wat betreft het onderhoud voor heden, wij mogen en moeten wettige middelen gebruiken om het te verkrijgen, want anders verzoeken wij God. Wij moeten naarstig zijn in ons beroep, en wijs overleg hebben, om onze uitgaven evenredig te doen zijn aan hetgeen wij bezitten, en wij moeten bidden om dagelijks brood, en zo alle andere middelen falen, dan moeten wij om hulp vragen aan hen, die in staat zijn haar te verlenen. Het was niet een van de besten der mensen, die zei: Te bedelen schaam ik mij, Lukas 16:3, gelijk hij dit wèl was, vers 21, die begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, maar voor de toekomst moeten wij onze zorge op God werpen, en niet bezorgd zijn, omdat dit wantrouwen schijnt van God, die weet te geven wat wij behoeven, als wij niet weten hoe het te verkrijgen. Laat onze ziel gerust zijn in Hem! Dit Godvruchtig onbezorgd zijn is hetzelfde als de slaap, dien Hij Zijn beminden geeft in tegenstelling met het zwoegen van den wereldling, Psalm 127:2. Let op de waarschuwingen: a. Zijt niet bezorgd voor uw leven. Leven is het grootste van onze belangen in deze wereld, Al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven, evenwel, zijt er niet bezorgd voor. Niet voor de voortduring er van, laat het aan God over om het te verlengen, of te verkorten, naar het Hem goeddunkt, mijne tijden zijn in Uwe hand, en zij zijn in ene goede hand. Niet voor de geriefelijkheden van dit leven, laat het aan God over om het, al naar het Hem behaagt, liefelijk, of bitter te maken. Wij moeten niet bezorgd zijn, neen, zelfs niet over het nodige onderhoud van dit leven, voedsel en kleding heeft God beloofd, en daarom kunnen wij ze met vertrouwen verwachten. Zegt niet: Wat zullen wij eten? Dat is de taal van iemand, die verlegen is, schier in vertwijfeling, terwijl wel vele Godvruchtige mensen het vooruitzicht hebben op weinig, zijn er toch slechts weinigen, die niet hebben wat zij op het ogenblik behoeven.
b. Zijt niet bezorgd tegen den morgen, voor de toekomst. Wees niet bezorgd voor de toekomst, hoe gij het volgende jaar zult leven, of als gij oud zijt, of over hetgeen gij nalaat. Gelijk wij ons niet moeten beroemen op den morgen, zo moeten wij ook niet bezorgd zijn voor den morgen, of over hetgeen dan gebeuren zal.
II. De redenen om aan het verbod kracht bij te zetten. Men zou denken, dat het gebod van Christus genoeg was om ons te weerhouden van die dwaze zonde van ontrustende, wantrouwende bezorgdheid, behalve nog de vrede en rust van onze eigene ziel, die er zo na bij betrokken zijn, maar om te tonen hoe zeer Christus' hart er op gezet is, en welk een welbehagen Hij heeft in hen, die op Zijne goedertierenheid hopen, wordt het gebod door de krachtigste argumenten gesteund. Als wij ons slechts door ons verstand laten leiden, dan zullen wij ons gewis van deze doornen ontlasten. Om ons te bevrijden van angstige gedachten en ze te verdrijven, geeft Christus ons hier troostrijke gedachten aan de hand, opdat wij er van vervuld zouden worden. Het zal de moeite lonen om met ons hart zo te redeneren, dat het die ontrustende zorgen opgeeft, en wij er ons over schamen. Door ene juiste redenering kunnen zij verzwakt worden, maar het is alleen door een werkzaam geloof, dat zij overwonnen kunnen worden. Bedenkt dus:
1. Is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? vers 25. Ja, ongetwijfeld, zegt Hij, die reden had de wezenlijke waardij der tegenwoordige dingen te verstaan, want Hij heeft ze gemaakt, Hij onderhoudt ze, en onderhoudt ons door die dingen, de zaak spreekt voor zich zelf. Ons leven is een grotere zegening dan ons onderhoud. Het is waar, het leven kan niet zonder levensonderhoud bestaan, maar het voedsel en de kleding, die hier voorgesteld worden als van mindere waarde dan het leven en het lichaam, zijn van dien aard, dat zij tot sieraad en verlustiging dienen, want het is daaromtrent, dat wij zo licht bezorgd worden. Voedsel en kleding zijn middelen tot onderhoud van het leven, en het doel is edeler en voortreffelijker dan de middelen. Het fijnste voedsel en de fraaiste klederen zijn van de aarde, maar het leven is de adem Gods. Het leven is het licht der mensen, voedsel is slechts de olie, die dat licht voedt, zodat het verschil tussen rijken en armen zeer gering is, daar zij in de belangrijkste zaken gelijk zijn, en slechts in het mindere, het ondergeschikte verschillen. Dit moedigt ons aan om op God te betrouwen voor voedsel en kleding, en ons aldus te ontlasten van alle verbijsterende zorgen er voor. God heeft ons het leven en het lichaam gegeven, het was ene daad van macht, het was ene daad van gunst, het geschiedde zonder onze zorge, wat kan Hij niet voor ons doen, die dat deed? -Wat zal Hij niet voor ons doen? Indien wij zorgen voor onze ziel en de eeuwigheid, die meer zijn dan het lichaam en deszelfs leven, dan kunnen wij het Gode overlaten ons van voedsel en kleding te voorzien, die minder zijn. God heeft tot nu toe ons leven onderhouden, indien het soms door brood en water was, dan heeft dit toch aan het doel beantwoord, Hij heeft ons beschermd en ons bij het leven behouden. Hij, die ons behoedt tegen het kwaad, waaraan wij zijn blootgesteld, zal ons voorzien van het goede, dat wij nodig hebben. Indien het Hem behaagde ons te doden ons te laten verhongeren, Hij zou niet zo dikwijls Zijnen engelen van ons hebben bevolen om ons te bewaren.
2. Aanziet de vogelen des hemels, en aanmerkt de lelies des velds. Hier is een argument, ontleend aan Gods gewone voorzienigheid voor Zijne mindere schepselen, en hun afhankelijkheid, naar hun aard, van deze voorzienigheid. Het ziet er fraai uit voor den mens, als hij ter schole wordt gezonden bij de vogelen des hemels, dat die hem moeten leren! Job 12:7, 8.
a. Aanziet de vogelen, en leert op God te vertrouwen voor voedsel, vers 26, en ontrust u niet door de gedachte wat gij zult eten. Let op Gods voorzienigheid over hen. Ziet hen aan en ontvangt lering. Er zijn verschillende soorten van vogels: zij zijn talrijk, sommigen er van roofgierig, maar allen worden zij gevoed, en wel met spijze, die geschikt voor hen is. Het is zeldzaam, dat een van hen omkomt uit gebrek aan voedsel, zelfs in den winter, en er is niet weinig nodig om ze het gehele jaar door te voeden. Naarmate de vogels minder dienstbaar zijn aan den mens, zijn zij ook het minst onder zijne zorge, de mens voedt zich dikwijls met hen, maar zelden worden zij door hem gevoed. Toch worden zij gevoed, hoe, weten wij niet, en sommigen er van het best in het ruwste weer, en het is uw hemelse Vader, die ze voedt, Hij kent al het gevogelte der bergen, beter dan gij de vogelen aan uwe eigene schuurdeur kent, Psalm 50:11. Geen musje komt neer op den grond om een graankorrel op te pikken, of het is door de voorzienigheid Gods, die zich ook over de geringste schepselen uitstrekt. Maar wat hier inzonderheid opgemerkt wordt, is, dat zij zonder enigerlei zorg of plan van hem zelven gevoed worden. Zij zaaien niet, noch maaien zij, noch verzamelen zij in de schuren. Wèl doen dit de mier en de bij, en die worden ons als voorbeeld gesteld van voorzienige zorg en vlijt, maar de vogelen des hemels doen dit niet. Zij verzamelen niet zelf voorraad voor de toekomst, en toch, iedere dag, even zeker als de dag komt, komt ook voorraad van voedsel voor hen, en hun ogen wachten op God, dien groten en goeden Huishouder, die aan alle vlees spijze geeft. Laat dit u bemoedigen om op God te vertrouwen. Gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? Voorzeker! De erfgenamen des hemels gaan de vogelen zeer veel te boven, zij zijn edeler, voortreffelijker wezens, en, door het geloof, verheffen zij zich hoger. Zij zijn van beter aard en opvoeding, wijzer dan het gevogelte des hemels, Job 35:11, hoewel de kinderen dezer wereld, die het recht des Heeren niet weten, niet zo wijs zijn als de ooievaar en de kraan en de zwaluw, Jeremia 8:7, zijt gij Gode dierbaarder en nader, hoewel zij in het open firmament des hemels vliegen. Hij is hun Maker en Hun Heer, hun Eigenaar en hun Meester, maar behalve dit alles is Hij uw Vader, en in Zijne schatting gaat gij vele musjes te boven. Gij zijt Zijne kinderen, Zijne eerstgeborenen, nu zal Hij, die Zijne vogelen voedt, voorzeker Zijne kinderkens niet van honger laten omkomen. Zij vertrouwen op uws Vaders voorzienigheid, zult gij er dan niet op vertrouwen? Steunende hier op, zorgen zij niet voor den morgen, en daarom zijn zij de vrolijkste van alle schepselen, zij geven stem van tussen de takken, Psalm 104:13 en, voor zo veel zij dit vermogen, prijzen zij hun Schepper. Indien wij door het geloof even onbezorgd waren als zij zijn, dan zouden wij ook even vrolijk zingen, want het is wereldse zorg, die onze vrolijkheid bederft, en onzen lof doet zwijgen.
b. Aanmerkt de lelies, en leert op God te vertrouwen voor kleding. Dat is een ander deel van onze zorg: waarmee zullen wij ons kleden: voor betamelijkheid om ons te bedekken, tot bescherming om ons te verwarmen, ja, en bij velen, voor waardigheid en versiering, om hun een groots aanzien te geven. En zo bezorgd zijn zij voor vrolijkheid en verscheidenheid in hun kledij, dat die zorge schier even dikwijls wederkeert als die om het dagelijks brood. Laat ons nu, om ons van die zorge te ontlasten, de lelies des velds beschouwen, niet slechts ze aanzien, (dat doet iedereen en met welgevallen) maar beschouwen, terwijl wij er over nadenken. Er is heel veel goeds te leren van hetgeen wij iedere dag zien, zo wij er ook over wilden nadenken, Prediker 6:6, 24:32. Aanmerkt hoe broos de lelies zijn, zij zijn als het gras des velds. Lelies zijn, hoewel zij fraai zijn wegens hare kleuren, toch slechts gras. Zo is alle vlees als gras, hoewel sommigen vanwege hun gaven van lichaam en geest als de lelies zijn, zeer bewonderd, toch zijn zij gras, het gras des velds in aard en samenstel, zij staan op gelijken bodem met anderen. Op zijn best genomen, zijn de dagen des mensen als gras, als de bloem van het gras, 1 Petrus 1:24. Dit gras is heden, en morgen wordt het in den oven geworpen, in ene kleine wijle zal de plaats, die ons kent, ons niet meer kennen. Het graf is de oven, waarin wij geworpen worden, en waarin wij verteerd zullen worden als gras in het vuur, Psalm 49:15. Dit duidt de reden aan waarom wij niet bezorgd moeten zijn voor den morgen over hetgeen waarmee wij ons zullen kleden, omdat wij morgen wellicht grafklederen aan zullen hebben. Aanmerkt hoe vrij van zorgen de lelies zijn, zij arbeiden niet, zoals de mensen, om zich klederen te verdienen, zoals dienstboden hun livrei verdienen, en zij spinnen niet, zoals vrouwen, om zich klederen te vervaardigen. Hieruit volgt nu niet, dat wij daarom den betamelijken arbeid in dit leven moeten veronachtzamen, het is de lof van de deugdzame vrouw, dat zij hare handen uitsteekt naar de spil, dat zij fijn lijnwaad maakt en het verkoopt, Prediker 31:19, 24. Luiheid verzoekt God, in plaats van op Hem te vertrouwen, maar Hij, die voor de mindere schepselen voorziet, zonder hun arbeid, zal nog veel meer voor ons voorzien door onzen arbeid te zegenen, dien Hij ons ten plicht heeft gesteld. En als wij, vanwege ziekte, niet in staat zijn te arbeiden en te spinnen, dan kan God ons toch voorzien van hetgeen wij nodig hebben. Aanmerkt hoe schoon, hoe fraai de lelies zijn, hoe zij groeien, waaruit zij groeien. De wortel van de lelie of tulp, evenals de wortel van andere bolgewassen, is in den winter verloren, begraven onder den grond, maar als de lente wederkeert, komt hij te voorschijn, en in korten tijd schiet hij op, vandaar dat aan Gods Israël beloofd is, dat zij zullen bloeien als de lelie, Hosea 14:6. Bedenkt, gaat eens na, waartoe zij groeien. In weinige weken komen zij zo fraai en sierlijk uit die duisternis te voorschijn, dat zelfs Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest, gelijk ene van deze. De kleding van Salomo was zeer schoon en prachtig. Hij, die de schatten bezat van koningen en landen, en zich zo zeer toelegde op praal en sierlijkheid, had ongetwijfeld ook de rijkste kledij en die het fraaist bewerkt was, inzonderheid als hij op feestdagen en hoogtijden in al zijne heerlijkheid verscheen. En toch! laat hij zich zo fraai aankleden als hij kan, zeer ver zal hij achterblijven bij de schoonheid van lelies, en een bed van tulpen zal hem in schittering overtreffen. Laat ons daarom veeleer streven naar de wijsheid van Salomo, waarin hij door niemand overtroffen werd, (wijsheid om in de plaats, waarin wij gesteld zijn, onzen plicht te doen) dan naar de heerlijkheid van Salomo, waarin hij door lelies in de schaduw werd gesteld. Kennis en genade zijn de volkomenheid van den mens, niet schoonheid, en nog veel minder fraaie klederen. Nu wordt hier gezegd, dat God aldus het gras des velds bekleedt. Alle voortreffelijkheid van het schepsel vloeit voort uit God, die de Bron is van die allen. Hij was het, die het paard zijne kracht en der lelie hare schoonheid gaf. Elk schepsel is in zichzelf, en voor ons, wat Hij het maakt, of doet zijn. Aanmerkt hoe leerrijk dit alles voor ons is, vers 30.
Ten eerste, wat betreft fraaie klederen, dit leert ons er in het geheel niet om te geven, ze niet te begeren, er niet hoogmoedig op te zijn, ons versiersel niet te laten bestaan in het aantrekken van klederen, want na al onze moeite en zorg, die wij hieraan besteden, zullen de lelies ons toch ver overtreffen. Wij kunnen ons niet zo fraai kleden als zij bekleed zijn, waarom zouden wij het dan beproeven met haar te wedijveren? Haar versiersel zal weldra verwelken, en het onze evenzo, zij verwelken-zijn heden, en zullen morgen, evenals andere prullen of afval, in den oven geworpen worden, en de klederen, waarop wij zo trots zijn, slijten, de glans is er spoedig af, de kleur verbleekt, de vorm gaat uit de mode, of het kledingstuk zelf is weldra versleten, zodanig is de mens in al zijn glans en pracht, Jesaja 40:6, 7, inzonderheid rijke mensen, Jakobus 1:10, zij verwelken in hun wegen. Ten tweede. Wat betreft noodzakelijke klederen, dit leert ons, onze zorge daarvoor op God te werpen-Jehova-Jireh, -vertrouwt, dat Hij, die de lelies bekleedt, u voorzien zal van hetgeen waarmee gij u kunt kleden. Indien Hij zulke fraaie klederen geeft aan het gras, hoe veel te meer zal Hij dan niet gepaste klederen geven aan Zijne eigene kinderen, klederen, die hen warm houden, niet slechts als Hij de aarde stil maakt uit het Zuiden, maar ook als Hij haar ontrust met den Noordenwind, Job 37:17. Veel meer zal Hij u bekleden, want gij zijt edeler schepselen, van voortreffelijker aard. Indien Hij aldus het zo kort levende gras bekleedt, veel meer zal Hij u bekleden, die voor de onsterfelijkheid gemaakt zijt. Zelfs aan de kinderen van Ninevé wordt de voorkeur gegeven boven den wonderboom, Jona 4:10, 11. veel meer dus nog aan de kinderen van Zion, die in verbond zijn met God. Let op den titel, dien Hij hun geeft, vers 30, Gij kleingelovigen. Dit kan genomen worden als ene aanmoediging van waar geloof, hoewel het zwak is, het geeft ons recht op de Goddelijke zorge, en ene belofte voor hetgeen nodig is. Groot geloof zal geprezen worden, en zal grote dingen teweegbrengen, maar klein geloof zal niet worden afgewezen, ook dat zal voedsel en klederen verkrijgen. Voor oprechte gelovigen zal voorzien worden, al zijn zij gene krachtige gelovigen. De kinderkens van het gezin worden gevoed en gekleed, zowel als de volwassenen, en wel met grote zorg en tederheid. Zeg niet: Ik ben maar een kind, een dorre boom. Jesaja 56:3, 5, want gij zijt wel arm en nooddruftig, maar de Heere denkt aan u. Of 2. Het is ene bestraffing van het zwakke geloof, schoon het oprecht is. Hoofdstuk 14:31. Het geeft te kennen wat op den bodem is van al onze overmatige bezorgdheid, het is de zwakheid van ons geloof, en de overblijfselen van het ongeloof in ons hart. Indien wij meer geloof hadden, wij zouden minder zorge hebben.
3. Wie toch van u, de wijsten, de sterksten van u, kan met bezorgd te zijn, ene el tot zijne lengte toe doen? vers 27, tot zijn leeftijd lezen hier sommigen, naar de maat van ene el duidt aan, dat het bedoeld is van lengte, van statuur, en de leeftijd van den oudste is toch slechts ene spanne, Psalm 39:6. Laat ons bedenken, dat wij tot de statuur, die wij hebben, niet gekomen zijn door onze eigene zorge, maar door de voorzienigheid Gods. Een kindeke, ene spanne groot, is opgegroeid tot een man van zes voet, en hoe was er nu ene el tot zijne lengte toe gedaan? Niet door zijne eigene plannen of bedenksels, hij groeide, zonder te weten hoe, door de kracht en goedheid van God. Nu zal Hij, die ons lichaam geschapen heeft, en het tot die grootte heeft geformeerd, voorzeker wel zorg dragen om in deszelfs behoeften te voorzien. God moet erkend worden in de toeneming van onze lichaamskracht en statuur, en vertrouwd worden voor alle nodige hulp en onderstand, omdat Hij heeft doen blijken, dat Hij het lichaam gedachtig is. De leeftijd van groeien is de gedachteloze, zorgeloze leeftijd, toch groeien wij, en zal Hij, die ons hiertoe heeft opgebracht, niet voor ons voorzien nu wij opgebracht zijn?
b. Wij kunnen onze statuur niet veranderen, al zouden wij het ook willen. Hoe dwaas en bespottelijk zou het zijn, als iemand, die klein van gestalte is, er om ging tobben, er slapeloze nachten om zou hebben en er zijne hersens om zou vermoeien, voortdurend er over ging peinzen, hoe hij toch ene el groter zou kunnen worden, als hij toch weet, dat hij er niets aan veranderen kan, en dus maar beter zou doen met tevreden te zijn en het te nemen zoals het is! Wij zijn niet allen van dezelfde grootte, toch is dit verschil in statuur tussen den een en den ander van geen gewicht of belang. Een klein man wenst allicht zo groot te zijn als die of die, maar hij weet, dat er niets aan te doen is, en daarom doet hij het zo goed als hij kan met zijn kleinheid. Gelijk wij nu doen met onze lichamelijke gestalte zo moeten wij ook doen ten opzichte van ons werelds goed. Wij moeten geen overvloed begeren van den rijkdom dezer wereld, evenmin als wij begeren ene el tot onze lengte toe te doen, ene el, dat heel veel is voor iemands grootte, het is genoeg bij duimen te groeien, de toevoeging van ene el zou iemand slechts een onbehouwen voorkomen geven en hem een last doen zijn voor zichzelf. Wij moeten even tevreden zijn met onzen staat als met onze statuur, wij moeten de gemakken stellen tegenover de ongemakken, en aldus van de noodzakelijkheid ene deugd maken, wat men niet kan verhelpen, moet men dragen. Wij kunnen de beschikkingen der voorzienigheid niet veranderen, en daarom moeten wij er in berusten, er ons naar schikken, en zo goed wij kunnen de ongemakken trachten te verminderen, zoals Zacheus het ongemak van zijne geringe statuur verminderd heeft door in een boom te klimmen.
4. Al deze dingen zoeken de Heidenen, vers 32. Het bezorgd zijn om de wereld is een Heidense zonde, die aan gene Christenen betaamt. De Heidenen zoeken deze dingen, zij zijn met hun ganse hart voor deze wereld, omdat zij vreemdelingen zijn voor de betere, zij zoeken deze dingen met bezorgdheid en begeerte, omdat zij zonder God in de wereld zijn, en Zijne voorzienigheid niet begrijpen. Zij vrezen en aanbidden hun afgoden, maar weten niet hoe op hen te vertrouwen voor verlossing en hulp, en daarom zijn zij zelf vol van zorg, maar dat is ene schande voor Christenen, die op hoger beginselen bouwen en een Godsdienst belijden, die hun leert, niet slechts dat er ene voorzienigheid is, maar dat aan de Godvruchtigen beloften zijn gegeven voor het tegenwoordige leven, hun leert vertrouwen te stellen in God en verachting te hebben voor de wereld, en voor beide zaken zulke goede redenen geeft. Het is ene schande voor hen om te wandelen zoals de Heidenen wandelen, en hun hoofd en hart met deze dingen te vervullen.
5. Uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft, deze noodzakelijke dingen, voedsel en klederen. Hij kent onze behoeften beter dan wij ze zelven kennen, hoewel Hij in den hemel is, en Zijne kinderen op de aarde zijn. Hij bemerkt wat de minste en de armste van hen nodig heeft, Openbaring 2:9. Ik weet uwe armoede. Gij denkt: indien deze of die goede vriend slechts wist in welken nood ik mij bevind, ik zou wel spoedig hulp verkrijgen, uw God weet het, en Hij is uw Vader, die u liefheeft, en zich over u ontfermt en bereid is u te helpen, uw hemelse Vader, die de middelen heeft om in uwen nood te voorzien. Weg dus met alle ontrustende gedachten en zorgen! ga tot uwen Vader, zeg Hem, dat Hij weet, dat gij dit of dat nodig hebt. Hij vraagt: Kinderkens! hebt gij niet enige toespijs? Johannes 21:5. Zeg Hem, of gij het al of niet hebt. Hoewel Hij onze behoeften kent, wil Hij ze toch van ons vernemen, en als wij ze Hem hebben blootgelegd, zo laat ons blijmoedig betrouwen op Zijne wijsheid, macht en goedheid. om hulp en bijstand te erlangen. Daarom moeten wij ons ontdoen van den last van zorg, door haar op Hem te werpen, omdat Hij het is, die voor ons zorgt, 1 Petrus 5:7. Waartoe ons al die moeite en last? Indien Hij zorgt, waarom zouden wij dan ook nog zorgen?
6. Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden, vers 33. Hier is een dubbel argument tegen de zonde van bezorgd te zijn, weest niet bezorgd voor uw leven, het leven des lichaams, want a. Gij hebt betere en grotere dingen om aan te denken, om bezorgd voor te zijn, het leven uwer ziel, uwe eeuwige gelukzaligheid, dat is het ene nodige, Lukas 10:42, waaraan gij moet denken, en dat gewoonlijk veronachtzaamd wordt in die harten, waarin wereldse zorgen heersen. Als wij slechts meer bezorgd waren om God te behagen, en onze zaligheid te werken, wij zouden minder bezorgd zijn om ons zelven te behagen, en ons bezittingen in deze wereld te bewerken. Bezorgd te zijn voor onze ziel is het krachtigste geneesmiddel tegen het werelds bezorgd zijn.
b. Gij hebt een zekerder, en gemakkelijker, een veiliger en sneller middel om de noodwendigheden van dit leven te verkrijgen, dan door knagende zorg, en er over te tobben, en dat middel is: eerst het koninkrijk Gods te zoeken, van den Godsdienst uw werk te maken. Zeg niet dat dit het middel is om u honger te laten lijden, neen, het is het middel om zelfs in deze wereld, van het nodige voorzien te worden. Merk hier op: Den groten plicht, die geëist wordt, het is de hoofdsom en inhoud van al onze plichten: "Zoekt eerst het koninkrijk Gods, beschouwt den Godsdienst als uw grootst en voornaamst belang". Het is onze plicht deze dingen te zoeken, te begeren, na te jagen en te bedoelen. Het is een woord waarin veel van de grondwet des nieuwen verbonds ten onzen gunste gelegen is, hoewel wij het nog niet verkregen, hebben, maar nog in veel tekortkomen, zal toch het oprechte zoeken, aangenomen worden. Let nu: Ten eerste, op het voorwerp van dit zoeken: het koninkrijk Gods, en zijne gerechtigheid. Wij moeten acht geven op den hemel, als ons doel, en op heiligheid als onzen weg. "Zoekt de vertroostingen van het koninkrijk der genade en der heerlijkheid als uwe gelukzaligheid, hebt het koninkrijk der hemelen op het oog, houdt er op aan, beijvert u om er zeker van te wezen, weest vast besloten om met niets minder tevreden te zijn, zoekt naar deze eer, en heerlijkheid, en onsterfelijkheid, geeft verre weg de voorkeur aan den hemel en de hemelse dingen boven de aarde en de genietingen der aarde". Wij maken niets van onzen Godsdienst, als wij er niet den hemel van maken. En zoekt bij de gelukzaligheid van dit koninkrijk, ook de gerechtigheid ervan, Gods gerechtigheid, de gerechtigheid, die Hij in ons gewerkt wil hebben, en door ons gewerkt wil hebben, ene gerechtigheid, die overvloediger is dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën, wij moeten vrede najagen en heiligmaking. Hebreeën 12:14. Ten tweede. De volgorde er van. Zoekt eerst het koninkrijk Gods. Laat uwe zorge voor uwe ziel en voor ene andere wereld de plaats innemen van al uwe andere zorgen, en laten al de belangen van dit leven ondergeschikt gemaakt worden aan die van het toekomende leven. Wij moeten de dingen van Christus meer zoeken dan onze eigene dingen, en zo zij ooit in mededinging met elkaar komen, dan moeten wij ons herinneren, aan welke wij de voorkeur hebben te geven. Zoekt eerst deze dingen, het eerst in uwe dagen: laat de morgen der jeugd Gode gewijd zijn. De wijsheid moet vroeg worden gezocht, het is goed om bij tijds te beginnen Godsdienstig te zijn. Zoekt dit het eerst op elke dag, laten uwe gedachten bij het ontwaken gedachten zijn aan God. Laat het uw grondbeginsel wezen om datgene het eerst te doen wat het nodigst is, en laat Hij, die de Eerste is, het eerste hebben.
b. De genaderijke belofte, die er aan toegevoegd is: al deze dingen, het noodzakelijke levensonderhoud, zullen u toegeworpen worden, zullen u nog daarenboven worden geschonken, als toegift. Gij zult hebben wat gij zoekt, het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, want nooit heeft iemand te vergeefs gezocht, die in ernst zocht, en daarenboven, zult gij voedsel en kleding hebben, zoals hij, die iets koopt, papier en bindtouw op den koop toe krijgt. De Godzaligheid heeft de belofte des tegenwoordigen levens, 1 Timotheus 4:8. Salomo vroeg om wijsheid, en ontving haar en daarbij nog andere dingen, 2 Kronieken 1:11, 12. O welk een gezegende verandering zou het teweegbrengen in ons hart en ons leven, indien wij deze waarheid slechts vast geloofden, dat de beste manier om goed en geriefelijk voorzien te zijn in deze wereld is, om zeer ijverig bezig te zijn met de andere wereld! Dan eerst beginnen wij aan de rechte zijde van ons werk, als wij beginnen met God. Laten wij ons beijveren om ons het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid te verzekeren, en wat de dingen van dit leven betreft: Jehova-Jireh-de Heere zal ons van zoveel er van voorzien, als Hij weet, dat goed voor ons is, en meer zouden wij niet wensen. Hebben wij op Hem vertrouwd voor het deel onzer erve bij ons einde, en zullen wij niet op Hem vertrouwen, voor het deel onzes bekers op den weg er heen? Gods Israël werd ten laatste niet slechts naar Kanaän gebracht, maar in de woestijn werden hun lasten gedragen. O dat wij toch meer bezorgd waren voor de dingen, die men niet ziet, die eeuwig zijn! Hoe minder wij dan bezorgd zouden zijn voor de dingen, die men ziet, die tijdelijk zijn, hoe minder wij er bezorgd voor behoefden te wezen.
En uw oog verschone uw huisraad niet, Genesis 45:20, 23.
7. De morgen zal voor het zijne zorgen, elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad, vers 34. Wij moeten ons niet bovenmate verlegen gevoelen of beangst vanwege toekomstige gebeurtenissen, omdat elke dag zijn eigen last van smart en zorgen meebrengt, gelijk hij ook, als wij om ons heen zien en niet toelaten dat onze vreze en angsten ons misleiden omtrent de hulp, die ons door genade en gezond verstand geboden wordt, zijne eigene kracht en ondersteuning meebrengt. Zodat ons hier gezegd wordt,
a. Dat bezorgd zijn, voor den morgen nodeloos is, de morgen zal voor het zijne zorgen. Indien met den nieuwen dag nieuw gebrek en nieuwe moeilijkheden komen, zullen ook de hulp en bijstand vernieuwd worden, barmhartigheden, die allen morgen nieuw zijn, Klaagliederen 3:22, 23. De heiligen hebben een Vriend, die allen morgen hun arm is, en hun dagelijks nieuwe ondersteuning uitreikt, Jesaja 38:2, naar het recht van elk, dagelijks op zijn dag, Ezra 3:4, en aldus houdt Hij Zijn volk in gedurige afhankelijkheid van Hem. Laten wij het dus aan de kracht van den morgen overlaten om het werk van den morgen te doen en den last van den morgen te dragen. Voor morgen, en voor de dingen van morgen, zal voorzien worden zonder ons, waarom zouden wij dus zo angstig zijn voor hetgeen, waarvoor reeds zo wijselijk gezorgd is? Dit verbiedt geen verstandig voorzien en dienovereenkomstige maatregelen, maar wel een verwarrend bezorgd zijn, en een tobben over moeilijkheden en rampen, die wellicht nimmer komen, of, zo zij komen, gemakkelijk gedragen, en tegen het kwaad er van gewaakt zal kunnen worden. Betekenis en bedoeling is: laat ons den plicht van heden behartigen, en dan verder de dingen aan God overlaten, het werk van den dag in deszelfs dag doen, en dan den morgen zijn werk met zich laten brengen.
b. Dat bezorgd zijn voor den morgen is een dier dwaze en schadelijke begeerlijkheden, waarin zij vallen, die rijk willen worden, en een der vele smarten, waarmee zij zich zelven doorsteken. Elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad. De dag van heden brengt al genoeg onrust en moeite mede, wij behoeven de lasten niet te verzwaren door bij die van heden reeds die van morgen te voegen. Het is onzeker wat het kwaad van morgen zijn zal, maar wat het ook zij, het zal tijd genoeg zijn om er onze zorge aan te geven als het komt. Hoe dwaas is het om heden door zorg en vrees den last op ons te nemen, die aan een anderen dag behoort, en daarom toch niet lichter zal zijn als hij komt! Laat ons niet tegelijk over ons halen hetgeen Gods voorzienigheid ons bij gedeelten wil doen dragen. De slotsom van dit alles is, dat het de wil en het gebod is van den Heere Jezus, dat Zijne discipelen niet hun eigene pijnigers zullen zijn, en dat zij hun doorgang door deze wereld niet meer somber en onbehaaglijk zullen maken door hun vrees voor moeilijkheden, dan God hem gemaakt heeft door die moeilijkheden zelven. Door ons dagelijks gebed kunnen wij kracht verkrijgen om ons te ondersteunen in onze dagelijkse moeilijkheden, en ons te wapenen tegen de verzoekingen, die er mede gepaard gaan, en laten wij dan voorts door geen van deze dingen bewogen worden.