Spreuken 24:1-2
1. De waarschuwing, die ons hier wordt gegeven is tamelijk gelijk aan die, welke wij hadden in Hoofdst. 23:17, namelijk om geen zondaars te benijden, niet te denken dat zij gelukkig zijn, noch te wensen in hun plaats en toestand te wezen, al zijn zij ook nog zo voorspoedig in de wereld, en al zijn zij ook nog zo vrolijk en gerust. "Laat zo'n denkbeeld nooit in uw hart opkomen: Ach, kon ik toch maar de banden, het bedwang van de Godsdienst en van het geweten van mij afschudden en evenzeer de vrijheid nemen om toe te geven aan zinnelijke lusten als ik zie dat die en die dit doet! Neen, begeer niet onder hen te wezen om te doen zoals zij doen, uw deel en lot met hen te hebben."
2. Hier is nog een reden gegeven voor deze waarschuwing. Wees niet nijdig over hen, niet alleen omdat hun einde slecht zal wezen, maar omdat hun weg dit is, vers 2. Denk niet met hen, want hun hart bedenkt verwoesting voor anderen, maar het zal blijken verwoesting te wezen voor henzelf. Spreek niet zoals zij spreken, want hun lippen spreken van hun kwaad Alles wat zij zeggen heeft een boze strekking, de strekking om God te onteren, de Godsdienst te smaden, of onrecht te doen aan hun naaste, maar in het einde zal het kwaad wezen voor henzelf. Daarom zal het verstandig van u wezen om niets met hen van doen te hebben, ook hebt gij volstrekt geen reden om hen te benijden, maar wel om hen te beklagen, of om verontwaardigd te zijn over hun boze praktijken.