7. a) Werp al uw bekommernis op Hem, die tengevolge van de noden en gevaren, waardoor u omringd bent, in u opkomt. U mag dat doen, b) want Hij zorgt voor u zoals Hij zelf in
Psalm 55:23 toegezegd heeft (
Mattheus 6:25 v.
Filippenzen 4:6).
a) Lukas 12:22. 1 Timotheus 6:8 b) 1 Corinthiërs 9:9 Hebreeën 13:5
Bekommernis is hier niet zozeer de bezorgdheid voor iets, maar dat wat de bekommernis teweeg brengt; want de mening is niet, dat de mens Zijn zorgen, maar dat wat hem zorg veroorzaakt, aan God moet overgeven. Omdat God reeds zelf en vanzelf, dus zonder ons toedoen, aan ons denkt, daarom moeten wij alles wat ons zorg verwekt, in plaats van het ons gemoed te laten bezwaren. Op Hem werpen, dat Hij het draagt; anders komt het ook tot geen waar buigen onder Zijn hand, omdat ons de zorg onrustig maakt, waar wij moesten stilhouden. Hij zal zorg dragen, dat wij geen schade lijden onder hetgeen Hij over ons beschikt.
De zorgen, die de Christenen, aan wie de apostel schrijft, toenmaals hadden, hadden op andere dingen betrekking dan op het levensonderhoud, die gewoonlijk van alle de meest gewone en algemene zijn. Zij betroffen de haat van de wereld, de grote moeilijkheden, om in de wereld staande te blijven en onder voortdurende zware verzoekingen de Heere getrouw te zijn, de toenemende hitte van de vervolging, de hete strijd van de pelgrims van Jezus en de gelukkige uitkomst. Wij zijn maar al te zeer geneigd ons aan de zorgen over te geven, die breed uit te meten, te zuchten en te wenen en onder de last te versagen, ja onder het ijzeren kruis wanhopig te worden, dat Gods zegenende hand ons oplegt. Tegenover dat alles moet men het kruis op zich nemen en de zorgen op de Heere werpen, zijn leed terzijde stellen en blijdschap in God hebben onder alle moeilijke omstandigheden.
Drie zaken beginnende met een Z heeft God zich voorbehouden: zorgen, zegenen, zalig maken; laat ons daarom God de eer geven en zeggen: wijk u duistere zorgen; want voor heden en morgen zorgt een ander; laat mij met vrede; Hem heb ik het opgedragen, die het beter kan.
De gelovigen klimmen met Abraham dagelijks op de berg Moria, terwijl zij het woord van Abraham tot hun woord maken (Genesis 22:8): "De Heere zal het voorzien", op de berg zal het de Heere voorzien, namelijk op die berg van de goddelijke voorzienigheid, van waar de hulp komt (Psalm 121:1 v.).
Willen wij verhoogd worden op wettige wijze, te bekwamer tijd, op de tijd van God, dan moeten wij beginnen met ons onder de krachtige hand van God te vernederen, door namelijk Hem de eer te geven, onze toekomst Hem toe te vertrouwen, ons lot in Zijn hand te stellen, in één woord al onze bekommernis op Hem te werpen. Werp al uw bekommernis op Hem. " Gel. Daar is in onze vertaling een fijnheid van de oorspronkelijke tekst verloren gegaan, die toch eerst het juiste verstand geeft van de zin van de apostolische vermaning: "verneder u. " Daar wordt namelijk geen nieuwe vermaning toegevoegd in het zevende vers, maar de wijze, hoe wij ons te vernederen hebben, wordt hier voorgesteld. Wij moeten zo vertalen: verneder u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt te Zijner tijd, al uw bekommernis op Hem werpend, zie, daarin bestaat de juiste, voor God welbehaaglijke vernedering: niet dat wij ons wegwerpen, iets prijs geven van hetgeen wij verwachten, verlangen en waaraan ons hart behoefte heeft, maar dat we het voor God overgeven en van Hem de vervulling van onze wensen, de bevrediging van onze behoeften verwachten. Kunnen wij dit? Is de krachtige hand van God, waar zij over ons komt in zo vele bezoekingen, gerichten van Zijn rechtvaardigheid, kastijdingen van Zijn heilige tucht, is zij niet te verpletterend voor ons, dan dat wij onder die krachtige hand nog iets anders zouden kunnen dan sidderen, onze nietigheid voelen en uit vrees ons overgeven? Hoe kunnen wij vertrouwen stellen in Hem, die ons straft of kastijdt hoe kunnen wij het vertrouwen stellen in Hem, die ons vrees inboezemt? Gel., wij vinden een antwoord op deze vraag in het motief, waarmee de apostel de weg van de verootmoediging, waartoe Hij ons opwekt, aandringt, namelijk in deze woorden (want ook hier is onze vertaling beneden de kracht van de oorspronkelijke tekst gebleven); want u gaat Hem ter harte. " Verneder u onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt te Zijner tijd, al uw bekommernis op Hem werpend, want u gaat Hem ter harte. " Ziedaar dan een apostolische vermaning in haar geheel: een schoon geheel; een vermaning, waarin de gehele kracht van het Evangelie ligt; een vermaning, die louter troost, een troostwoord, dat louter vermaning is. Werp al uw bekommernis op Hem, want u gaat Hem ter harte. " Dit is de ware wijze om u te vernederen, u, die de krachtige hand van God over u voelt. Bekommernis heeft u, bekommernis over veel, over uzelf, over vaderland en kerk, over de menselijke maatschappij en de toekomst van de mensheid. Bekommernis, steeds meer, naarmate uw hart ruimer is; bekommernis, weinig en eindelijk volstrekt niet, naarmate u in het stof verzinkt, uw hogere natuur verkracht, uw menselijke roeping prijs geeft en blind en doof en gevoelloos wordt voor al wat buiten de kring ligt van hetgeen u uw belang noemt en dat eigenlijk niets anders is dan de begeerlijkheid van het vlees en de streling van uw zinnen, het behoud van het lichaam dat sterft. Zie, daar is wel niemand, die onder de krachtige hand van God, die over ons is, geheel gevoelloos kan blijven, daartoe is God over alle mensen te genadig en te barmhartig. Niemand kan zich zo hermetisch afsluiten tegen invloeden van buiten, dat het kermen van de lijdende mensheid niet wel eens tot zijn oren doordringt; niemand kan een verbond sluiten met de dood en met het dodenrijk een voorzichtig verdrag, dat de overvloeiende gesel niet ook hem aanraakt; de toevlucht van de leugen is een valse toevlucht en onder de valsheid is het kwaad zich te verbergen (Jesaja 28:15). Zorg en kommer zij klimmen uw vensters in, zij begeren uw hart en u, zorgelozen en lichtzinnigen en menige legerstede van spotters kan in deze dagen getuigen van de waarheid van het woord: de goddelozen hebben geen vrede. Dit is de trouwe God en Zijn ontferming over zondaren. Hij breekt hun hoogheid af met eigen handen en doet hen sidderen op hun leger in de nacht. Welnu, hoort u die wekstem van uw Gods, die u roept, hoor naar deze: Verneder u onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt te Zijner tijd? Hoort u haar? U kunt uw oren sluiten, want God dringt Zijn weldadigheden niet op, Hij wil dat u ze ontvangt en aanneemt. Twee wegen openen zich. De een is deze; u verzet u tegen de krachtige hand van God; u wilt die afslaan, wellicht onder de schijn van ootmoed, wellicht daardoor dat u zich God als een harde en willekeurige despoot voorstelt, die zich door kerkdienst en eigenwillige werken van uw gerechtigheid zal laten bewegen uw wil te doen, maar het meest voorzeker, zij het in godsdienstige of ongodsdienstige vorm, daardoor dat u uw hart sluit, slechts op u zelf ziet, van lijden niet wilt horen, het lijden niet wilt zien en uzelf en anderen probeert wijs te maken, dat er geen lijden is, dat het althans zo groot niet is, dat de geruchten overdreven, de gevaren grotendeels denkbeeldig zijn en dat men ze nog het meest voorkomt door verstrooiing te zoeken en zoveel te genieten als men maar kan. Welnu, u onderdrukt de bekommernis; u werpt die bekommernis niet op God, maar tracht haar te smoren in uw binnenste. IJdel pogen! Zij zal weer opkomen en dan, zult u ze nog op God kunnen werpen? U snijdt uzelf de weg af van de verhoging, omdat u zich niet wilt vernederen. Voor u, als er degenen zijn onder mijn hoorders hetgeen niet onmogelijk is op deze dag voor u heb ik geen troostwoord. Het troostwoord ligt in de vermaning zelf; als u de laatste versmaadt, u kunt ook het eerste niet verstaan. Als u zich niet wilt vernederen onder de krachtige hand van God, u heeft geen deel aan de belofte van verhoging en u kent de kracht niet, die in die vernedering ligt, de kracht van al uw bekommernis op de almachtige God te werpen, die u ter harte gaat. Dit is de andere weg, die zich opent en die ik u aanprijs, de enige, die tot verhoging leidt; uw hart niet te sluiten, uw bekommernis wel te voelen, onder de krachtige hand van God uw hart te laten verbrijzelen en dan dat verbrijzelde hart ter genezing aan te bieden aan Hem, die het verbrijzelde. Ja, dit is een zekere weg, een weg, die onfeilbaar tot verhoging leidt. Die krachtige hand toch, wiens hand is zij? Wie is de God, die u slaat? Een God, die u ter harte gaat. Die krachtige hand is in dienst van een vaderlijk hart. Zij wordt bewogen door ontfermende liefde. Zij slaat om te helen, zij vernedert om de verhogen. Werp dan al uw bekommernis op Hem, dit vertrouwen is de dienst, die Hij eist, die vernedering alleen is Hem welgevallig en wordt gevolgd door verhoging.
Het is een gezegende weg tot stilling van de smart, wanneer wij kunnen gevoelen: Hij zorgt voor mij. Christen! doe uw godsdienst geen oneer aan door altijd een droef gelaat te tonen; kom, werp uw bekommernis op uw Heer. U wankelt onder een last, die uw Vader niet zou voelen. Hetgeen u een pak schijnt om onder te bezwijken, zou voor Hem slechts zijn als een stofje aan de weegschaal. Niets is zoeter dan dat wij
Voor de toekomst willig blind, Stil zijn als het gespeende kind.
O kind van de smart, wees geduldiger; God heeft u in Zijn voorzienigheid niet voorbijgezien. Hij, die de vogels voedt, zal u ook geven wat u nodig heeft. Zit niet in wanhoop ter neer; hoop slechts, hoop altijd. Doe aan de wapens van het geloof tegen een zee van moeite en uw tegenstand zal weldra een einde aan uw kommer maken. Een is er, die voor u zorgt. Zijn oog is op u geslagen. Zijn hart klopt met medelijden voor uw leed en Zijn almachtige hand zal u nog de nodige hulp aanbrengen. De donkerste wolk zal zich oplossen in stromen van genade. De dikste duisternis zal tegen de ochtendstond verdwijnen. Hij zal, wanneer u een van de Zijnen bent, uw wonden verbinden en uw gebroken hart helen. Twijfel niet aan Zijn genade, nu u in beproeving bent, maar geloof dat Hij u evenzeer lief heeft in tijden van smart als in tijden van geluk. Wat een helder en kalm leven zou u leiden, wilde u zich geheel verlaten op de God van de voorzienigheid. Met een beetje olie in de kruik en een handvol meel in het vat, doorleefde Elia de hongersnood en u zult hetzelfde doen. Als God voor u zorgt, waarom hoeft u dan ook te zorgen? Kunt u Hem voor uw ziel en niet voor uw lichaam vertrouwen? Hij weigerde nooit uw lasten te dragen, Hij bezweek nooit onder hun zwaarte. Kom dan, ziel! eindig met uw droevig zorgen en laat al uw noden over in de hand van een genadig God.