Job 42:7-9
Job had in zijn redenen zeer veel geklaagd over de afkeuringen van zijn vrienden en hun harde behandeling van hem, en zich op God beroepen om als rechter te oordelen tussen hem en hen, en hij vond het hard dat de uitspraak niet terstond op dit beroep gevolgd was. Toen God tot Job sprak uit het onweder en hem ondervroeg, zou men gedacht hebben dat hij alleen ongelijk had en dat de uitspraak zeer zeker tegen hem zou zijn, maar nu vinden wij hier tot onze grote verrassing dat het juist andersom is, en de einduitspraak in het voordeel is van Job. Zo oordeel dan nooit vóór de tijd. Van hen, die waarlijk rechtvaardig zijn voor God, kan de gerechtigheid omfloerst zijn door de gewone rampen en beproevingen door strenge afkeuring en bestraffing van mensen, door hun eigen zwakheden en dwaze hartstochtelijkheid, door de scherpe bestraffing van het woord en hun eigen geweten, en de diepe verootmoediging hunner ziel onder de bewustheid van Gods verschrikkingen. En toch, ter bestemder tijd zullen die wolken uiteen gedreven worden, zal God "hun gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en hun recht als de middag," Psalm 37:6. Hier heeft Hij Jobs gerechtigheid aan het licht gebracht, omdat hij als een eerlijk man er aan vastgehouden heeft en haar niet wilde loslaten. Wij hebben hier:
I. Het vonnis gewezen tegen de drie vrienden van Job, in het geschil tussen hen en hem. Elihu wordt hier niet bestraft of berispt, want hij heeft zich in die twist van de overigen onderscheiden door een beter inzicht in en betere behandeling van de zaak, niet gehandeld als partij, maar als moderateur of leider, en gematigdheid zal lof hebben van God, hetzij zij die al of niet heeft van de mensen. In de uitspraak hier gegeven, wordt Job verhoogd, en worden zijn drie vrienden vernederd. Terwijl wij de redenen van beide zijden hebben beschouwd en overwogen, konden wij niet ontdekken en durfden dus niet bepalen wie gelijk had. Wij dachten dat er waarheid was aan beide zijden maar konden niet met juistheid onderscheiden wie gelijk en wie ongelijk had, ook zouden wij voor niets ter wereld uitspraak hebben willen doen in de zaak, uit vrees dat die uitspraak onrechtvaardig zou zijn. Het is kostelijk dat het oordeel des Heeren is, en wij zijn er zeker van dat het altijd naar waarheid is, daarnaar verwijzen wij en daaraan zullen wij ons houden.
In de uitspraak nu, die hier gegeven is:
1. Wordt Job grotelijks verhoogd, en komt hij er met ere af. Hij was slechts een tegen drie, een bedelaar tegenover drie vorsten maar God aan zijn zijde hebbende, behoefde hij voor de uitkomst niet te vrezen, al zouden er zich ook duizenden tegen hem gesteld hebben.
Merk hier op:
A. Wanneer God voor hem verscheen: nadat de Heere die woorden tot Job gesproken had, vers 7. Nadat Hij hem overtuigd en verootmoedigd had, hem tot berouw had doen komen over hetgeen hij verkeerd had gesproken, toen heeft Hij hem erkend in hetgeen hij goed had gesproken, heeft Hij hem vertroost en geëerd, maar niet eerder. Want wij zijn niet bereid voor Gods goedkeuring, vóór wij onszelf oordelen en veroordelen, maar toen heeft Hij aldus zijn zaak bepleit, want Hij, die verscheurd heeft, zal ons genezen, Hij, die geslagen heeft, zal ons verbinden. De Trooster zal overtuigen Johannes 16:8. Zie op wat wijze wij kunnen verwachten door God aangenomen te worden, wij moeten eerst onder de Goddelijke bestraffingen worden verootmoedigd. Nadat God door deze woorden te spreken droefheid gewerkt had, keerde Hij weer en ontfermde Hij zich naar de grootheid van Zijn barmhartigheden, want Hij zal niet tot in eeuwigheid twisten, maar met mate twisten en de harde wind wegnemen ten dage des oostenwinds. Nu Job zich vernederd heeft, verhoogt hem God. Ware boetvaardigen zullen gunst bij God vinden, en wat zij verkeerds gezegd en gedaan hebben, zal niet meer tegen hen gedacht worden. Als wij ertoe gebracht zijn onszelf te verfoeien, dan heeft God een welbehagen in ons.
B. Hoe Hij voor hem verscheen. Er wordt ondersteld en aangenomen dat al zijn overtredingen waren vergeven, want als hij verhoogd en vereerd is gelijk wij hem hier verhoogd en vereerd zien, dan is hij ook gerechtvaardigd. Job had soms met grote zekerheid te kennen gegeven dat God hem ten laatste zuiveren zal, en hij is in die hoop niet beschaamd geworden.
a. God noemt hem telkens en nogmaals Zijn knecht Job, vier maal in twee verzen, en Hij schijnt er behagen in te hebben om hem aldus te noemen, evenals voor Zijn rampen nog over hem gekomen waren, Hoofdst. 1:8. Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Hoewel hij nu arm en veracht is is hij toch Mijn knecht en Mij even dierbaar als toen hij nog voorspoedig was. Hoewel hij zijn fouten en gebreken heeft, en gebleken is een mens te zijn van gelijke bewegingen als anderen, hij heeft met Mij getwist, hij heeft het ondernomen om Mijn oordeel teniet te doen, hij heeft de raad verduisterd met woorden zonder wetenschap, maar hij ziet nu zijn dwaling in en herroept haar, en daarom is hij toch nog Mijn knecht Job. Als wij nog vasthouden aan de oprechtheid en trouw van dienstknechten Gods, zoals Job er aan vastgehouden heeft, dan kunnen wij voor een tijd de vertroosting en de eer van die betrekking moeten missen, maar zij zal ons ter bestemder tijd teruggegeven worden, zoals zij hem teruggegeven was. De duivel had op zich genomen te bewijzen dat Job een geveinsde was, en zijn drie vrienden hadden hem veroordeeld als een goddeloze, maar God zal hen, die Hij aanneemt, belijden en hen door geen boosaardigheid van hel of aarde terneder laten werpen. Als God zegt: Wèl, gij goede en getrouwe dienstknecht, dan is er niet heel veel aan gelegen dat iemand iets anders zegt.
b. Hij erkent dat hij recht van Hem had gesproken, beter dan zijn tegenstanders. Hij heeft een veel beter bericht gegeven van de Goddelijke voorzienigheid dan zij. Zij hadden onrecht gedaan aan God door voorspoed tot een kenteken te maken van de ware kerk, en beproevingen tot een stellige aanduiding van Gods toorn, maar Job had Hem recht gedaan, door te verklaren en vol te houden dat Gods liefde en haat beoordeeld moeten worden naar hetgeen in de mens is, niet naar hetgeen voor hem is, Prediker 9:1. Merk op:
Ten eerste. Diegenen laten God en Zijn voorzienigheid het meest recht wedervaren, die meer het oog hebben op de beloning en straf in een andere wereld dan op die in deze wereld en met het vooruitzicht daarop de moeilijkheden van het tegenwoordige Godsbestuur oplossen. Job had de dingen naar een toekomstig oordeel en de toekomende staat verwezen, meer dan zijn vrienden dit gedaan hadden, en daarom heeft hij recht van God gesproken, beter dan zijn vrienden dit gedaan hadden.
Ten tweede. Hoewel Job sommige verkeerde dingen gezegd heeft, zelfs nopens God, over wie en tot wie hij met al te veel vrijmoedigheid had gesproken, wordt hij toch geprezen voor hetgeen hij sprak dat recht was. Wij moeten niet alleen niet verwerpen wat recht en goed is, maar er ook de rechtmatige lof niet aan onthouden, al is het ook dat er nog een mengsel van menselijke zwakheid onder loopt. Ten derde. Job had gelijk, en Zijn vrienden hadden ongelijk, en toch was hij in moeite en pijn, en waren zij gerust en op hun gemak, een duidelijk bewijs dat wij over de mensen en hun gevoelens niet kunnen oordelen door op hun gelaat of in hun beurs te zien, Hij alleen kan het onfeilbaar doen, die in het hart van de mensen ziet.
c. Hij staat in voor Job, staat er voor in dat hij, niettegenstaande al het onrecht dat Zijn vrienden hem aangedaan hebben, zo'n goede man is van een tedere en vergevingsgezinde aard, dat hij zeer gaarne voor hen zal bidden en zijn invloed in de hemel tot hun behoeve zal aanwenden. "Mijn knecht Job zal voor u bidden, Ik weet dat hij dit doen zal. Ik heb hem vergeving geschonken, en daar smaakt hij de vertroosting van, en daarom zal hij ook u vergeving schenken."
d. Hij stelt hem aan tot priester van de vergadering en belooft dat Hij hem en zijn voorbede voor zijn vrienden zal aannemen.
"Gaat met uw offeranden heen tot Mijn knecht Job, want hem zal Ik aannemen." Hen, die God wast van hun zonden, maakt Hij zich tot koningen en priesters. Ware boetvaardigen zullen niet slechts als smekelingen voor zichzelf gunst vinden maar ook als voorbidders voor anderen worden aangenomen. Het was een grote eer, die God Job aandeed door hem aan te stellen om offeranden te offeren voor zijn vrienden, zoals hij het vroeger voor Zijn kinderen placht te doen, Hoofdst. 1:15. En het was een gelukkig voorteken van zijn wederherstelling in zijn staat van voorspoed dat hij aldus het priesterschap weer uitoefende. En zo werd hij een type van Christus, door wie alleen wij en onze geestelijke offeranden Gode aangenaam zijn. Zie 1 Petrus 2:5. "Gaat henen tot Mijn knecht Job, tot Mijn knecht Jezus "(voor wie Hij een wijle Zijn aangezicht had verborgen), "geeft uw offeranden in Zijn hand, maakt gebruik van Hem als uw voorspraak, want Hem zal Ik aannemen, buiten Hem moet gij verwachten behandeld te worden naar uw dwaasheid." En gelijk Job gebeden en offeranden geofferd heeft voor hen, die hem gegriefd en zijn hart gewond hadden, zo heeft Christus gebeden en is Hij gestorven voor Zijn vervolgers, en leeft Hij eeuwig om voor de overtreders te bidden.
2. Jobs vrienden zijn diep vernederd. Het waren vrome mannen, en ze behoorden aan God, en daarom wilde Hij hen niet meer in hun dwaling laten blijven, dan Job, hem verootmoedigd hebbende door een rede uit een onweder, volgt Hij een andere methode om ook hen te verootmoedigen. Job, die Hem het dierbaarst was, werd het eerst bestraft, en de anderen op hun beurt. Het is waarschijnlijk dat zij, toen zij tot Job hoorden spreken, zich gevleid hebben met de waan dat zij gelijk hadden en dat al de schuld bij Job lag, maar God heeft hen spoedig bestraft en hun het tegendeel doen weten. In de meeste geschillen en twistgedingen is er iets verkeerds aan beide zijden, hetzij in de zaak zelf of in de bespreking ervan, of in beide, en het is voegzaam dat dit aan beide zijden gezegd wordt, dat men beide partijen hun dwalingen doet inzien. God richt dit tot Elifaz, niet alleen als de oudste, maar als de aanvoerder in de aanval op Job gedaan.
A. God zegt hun duidelijk dat zij niet recht van Hem hebben gesproken, gelijk Job, dat is: zij hadden Job bestraft en veroordeeld op een valse onderstelling, hadden God voorgesteld als tegen Job strijdende als een vijand, toen Hij in werkelijkheid hem slechts beproefde als een vriend, dit was niet recht. Diegenen spreken niet recht van God, die Zijn vaderlijke kastijdingen van Zijn eigen kinderen voorstellen als rechterlijke straffen, en hen daarom van Zijn gunst afsnijden. Het is gevaarlijk om een liefdeloos oordeel uit te spreken over de geestelijke en eeuwige toestand van anderen, want aldus kunnen wij misschien diegenen veroordelen, die God heeft aangenomen, hetgeen zeer tergend en beledigend voor Hem is, het is Zijn kleinen te ergeren, en Hij acht zichzelf verongelijkt in het onrecht, dat hun wordt aangedaan.
B. Hij verzekert hun dat Zijn toorn tegen hen ontstoken is. Mijn toorn is ontstoken tegen u en tegen uw twee vrienden. God is zeer vertoornd op hen, die hun broederen minachten en smaden en een hard oordeel over hen vellen hetzij om hun rampen of om hun zwakheden en tekortkomingen. Hoewel zij wijze en vrome mannen waren, is God toch, toen zij verkeerd gesproken hebben, vertoornd op hen geweest en heeft Hij hun dit doen weten.
C. Hij eist een offerande van hen, om verzoening te doen voor hetgeen zij verkeerd gezegd hadden, ieder hunner moet zeven varren en zeven rammen brengen om Gode tot een brandoffer geofferd te worden, want het schijnt dat vóór de wet van Mozes, alle offers, zelfs die ter verzoening gebracht werden, geheel en al verbrand werden, en daarom aldus genoemd werden. Zij dachten verwonderlijk goed te hebben gesproken en dat God hun dank verschuldigd was, omdat zij Zijn zaak bepleit hadden, en er hun een goede beloning van Hem voor toekwam. Maar hun wordt aangezegd dat Hij integendeel misnoegd op hen is een offer van hen eist, en hen dreigt anders met hen te handelen naar hun dwaasheid. God is dikwijls toornig op ons wegens hetgeen waarop wij trots zijn, en ziet veel verkeerds in hetgeen wij denken zo goed gedaan te zijn.
D. Hij beveelt hun heen te gaan tot Job en hem te verzoeken hun offeranden te offeren en voor hen te bidden, want anders zullen zij niet aangenomen worden. Hiermede heeft God bedoeld:
a. hen te vernederen en omlaag te brengen. Zij waanden dat zij alleen de gunstgenoten des hemels waren en dat Job aldaar geen invloed had, maar God geeft hun te verstaan dat hij aldaar meer invloed had dan zij, dat hij meer dan zij bij Hem in gunst stond. De dag kan komen wanneer zij, die Gods volk laken en minachten, om hun gunst zullen vragen, en zullen "bekennen dat God hen liefheeft" Openbaring 3:9. De dwaze maagden zullen aan de wijze om olie vragen.
b. Hen te verplichten om zich met Job te verzoenen, als de voorwaarde waarop zij met God verzoend kunnen worden. Indien uw broeder iets tegen u heeft, (gelijk Job zeer veel tegen hen had), gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, komt dan en offert uw gaven. Voor aangedaan onrecht moet eerst, naar de aard van de zaak het vereist, voldoening gegeven worden, eer wij van God vergeving van zonde kunnen hopen. Zie hoe volkomen God de zaak van Zijn dienstknecht Job omhelst. God wil niet verzoend worden met hen, die hem beledigd hebben, vóór zij hem om vergeving hebben gevraagd en zich met hem hebben verzoend. Job en zijn vrienden hadden grotelijks met elkaar verschild van gevoelen omtrent vele dingen, en zij waren te scherp in hun uitdrukkingen tegen en over elkaar, maar nu moeten zij weer vrienden worden, met elkaar worden verzoend, en te dien einde moeten zij niet opnieuw de zaak gaan bespreken, niet trachten er een andere wending aan te geven-dat zou dan eindeloos worden-maar zij moeten samenstemmen in offerande en gebed, en dat moet hen met elkaar verzoenen. Zij moeten zich verenigen in liefde en Godsvrucht, als zij het niet eens met elkaar kunnen worden in gevoelen en denkwijze. Zij, die het niet met elkaar eens zijn in hun oordeel over min belangrijke zaken, zijn toch een in Christus, het grote offer, en ontmoeten elkaar voor dezelfde troon van de genade, en daarom behoren zij elkaar lief te hebben en elkaar te verdragen. En merk ook nog op dat God, toen Hij toornig was op Jobs vrienden, zelf hun de weg gewezen heeft om met Hem verzoend te worden. Onze twisten met God beginnen altijd bij ons, maar de verzoening begint bij Hem, gaat van Hem uit.
II. De berusting van Jobs vrienden in deze uitspraak, vers 9. Het waren Godvruchtige mannen, en zodra zij begrepen wat de zin en wil des Heeren was, deden zij wat Hij hun gebood, en dat wel spoedig en zonder tegenspreken, hoewel het tegen vlees en bloed inging om aldus een bede te richten tot hem, die zij hadden veroordeeld. Zij, die met God verzoend willen wezen, moeten zorgvuldig gebruik maken van de voorgeschreven middelen en methoden ter verzoening. Vrede met God kan alleen op Zijn wijze verkregen worden en op Zijn voorwaarden, en die zullen nooit hard toeschijnen aan hen, die dit voorrecht weten te waarderen, maar hem gaarne hebben op iedere voorwaarde, al is die ook nog zo vernederend. Jobs vrienden hadden zich allen verenigd in hem te beschuldigen, en nu verenigen zij zich om hem om vergeving te vragen, zij, die tezamen gezondigd hebben, moeten er tezamen berouw over hebben. Zij, die zich op God beroepen, gelijk zowel Job als zijn vrienden dikwijls gedaan hadden, moeten het vaste besluit nemen om zich bij Zijn uitspraak neer te leggen, hetzij die aangenaam of onaangenaam voor hen is. En zij, die nauwkeurig Gods geboden opvolgen, behoeven niet te twijfelen aan Zijn gunst, en de Heere nam het aangezicht van Job en zijn vrienden aan in verhoring van zijn gebed. Er wordt niet gezegd: Hij nam hen aan (hoewel dat er in opgesloten ligt maar Hij nam het aangezicht van Job aan voor hen, aldus "heeft Hij ons begenadigd in de Geliefde," Efeziers 1:6, Mattheus 3:17. Job heeft op het getuigenis, dat God van hem gegeven heeft, zijn vrienden niet bespot of gehoond, toen zij zich aan hem moesten onderwerpen, maar God genadiglijk met hem verdoend zijnde, was hij ook gemakkelijk met hen verzoend, en toen heeft God zijn aangezicht aangenomen. Dat is het, waarop wij in al onze gebeden het oog moeten hebben, namelijk om door de Heere te worden aangenomen, dat moet het toppunt zijn van onze eerzucht, niet om lof te hebben van mensen, maar om God te behagen.