4. Johannes, van de mededeling over oorsprong en bestemming van dit boek nu overgaande tot de groet aan de eersten, die het ontvangen, zegt aan de zeven gemeenten, die in klein Azië 1) zijn (
Handelingen 2:9), namelijk aan die te Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelphia en Laodicea (
Vers 11): genade zij u en vrede 2) (
2 Johannes 1:3 van Hem a), Die is en Die was in Die komen zal 3) (Grieks: "Die komt d. i. van de Heere (
Exodus 3:14), of de God van de openbaring, waarvan het tegenwoordige en verledene en toekomstige in Hem zijn grond heeft en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn 4)als brandende fakkels (
Hoofdstuk 4:5) en die als het ware de ogen vormen, waarmee Hij, niet alleen toeziend, maar almachtig werkend, over de wereld regeert en de lotgevallen van de wereld in het belang van Zijn rijk leidt.
a) Openbaring :8; 4:8; 11:17; 16:5
Evenals de schriften van Lukas voor de edelen Theofilus, de brieven van Paulus voor bepaalde gemeenten in de eerste plaats, maar toch voor alle gelovigen werden geschreven, zo zendt ook Johannes het boek in de eerste plaats aan de zeven Christelijke gemeenten in Azië, een Klein-Aziatische provincie van de Romeinen. Dat is zeker meer juist dan als nu iemand iets schrijft en uitgeeft in de wereld, maar niet weet, wie het kopen, lezen en er genot van hebben zal.
De schrijver noemt zijn persoon niet nader dan met de eenvoudige naam "Johannes. " Reeds dit doet ons denken aan de apostel Johannes. Het doet denken aan een Johannes, die hoog boven anderen uitstak, aan wie in die kring voor van wie de zendbrieven en het boek, waarin die staan, in de eerste plaats bestemd waren, ieder meteen dacht, als hij deze naam hoorde. Die slechts enigszins in betrekking tot die genoemde gemeenten stond, had zeker geen recht zich zo bekend te achten.
Terwijl Jeruzalem, de oude Godsstad ineen zinkt, omdat de Eeuwige Zijn aangezicht voor haar verbergt, verwaardigt Christus de zeven gemeenten van Azië, dat centraalpunt van de nieuwe geestelijke staat van God, met Zijn Openbaring. Terwijl het aardse heiligdom verdwijnt, gaat voor Johannes een hemels licht op, waarin de zeven gouden kandelaren staan, en deze kandelaren zijn zeven gemeenten. Het Aäronitische priesterschap wordt uitgeblust. In plaats daarvan verschijnt Christus in priesterlijk sieraad als verzorger van de hogere tempel (Vers 13), zoals reeds bij de naderende val van de Aäronitische bediening de schrijver van de brief aan de Hebreeën (Hebreeën 8:1) Hem had voorgesteld.
De zeven gemeenten zijn die, die de lezer in Vers 11 als zodanige moet leren kennen, die de Heilige Geest heeft uitverkoren. Zeker zijn onder deze gemeenten wel historische, werkelijke gemeenten bedoeld; maar aan deze wijdt Johannes dit boek niet daarom, dat het ook niet door het overige gedeelte van de kerk zou worden gelezen, maar om de diepere, meer inwendige reden, omdat hem in de gezichten zelf en wel meteen in de allereerste (Vers 10-20) deze zeven gemeenten als type van de hele kerk voor ogen waren gesteld. Christus verschijnt aan hem als die zeven sterren in Zijn rechterhand draagt, en die tussen zeven kandelaren wandelt en deze zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten en de sterren zijn hun engelen en worden in Vers 4 en Hoofdstuk 3:1 met de zeven engelen van God parallel geplaatst. Nu kan onmogelijk Christus zich in vereniging met de zinnebeelden van enige weinige gemeenten in zo'n uitsluitend verband stellen, als deze weinige delen niets anders zijn dan toevallige gedeelten; het hele visioen heeft integendeel slechts dan betekenis, als de zeven gemeenten vertegenwoordigers of typen van hele kerken zijn, zodat Christus, terwijl Hij ze draagt, in deze wat de idee betreft, de hele kerk draagt. Johannes kan dus de Openbaring, die voor alle dienstknechten van God bestemd is (Vers 1), aan de zeven gemeenten wijden, omdat hij aan de hele kerk toewijdt, wat hij aan deze schrijft.
Het zevental heeft niet een slechts algemene symbolische betekenis, maar ook een zeer bepaalde. Het is de signatuur van zodanige werken van God, die evenals de schepping in 7 dagen, in een door Gods raad bepaalde tijdruimte volbracht worden. Het bevat steeds in zich de momenten van een opklimmen in ontwikkeling in de tijd, van een gevoed worden door Gods woord en daad, zo dat hetgeen er in vervat is, steeds onder deze categorieën wordt geplaatst. Zijn dus de gemeenten van Jezus zulke zeven symbolische, dan zal in deze de ontwikkeling van de kerk, die onder Gods werking in de tijd volgt tot aan haar volmaking, kunnen worden voorgesteld.
Het kan aan geen twijfel onderhevig zijn, dat de gewone Paulinische formule van groeten (Romeinen 1:7. 1 Corinthiërs 1:3. 2 Corinthiërs 1:2 Galaten 1:3 enz.) hier de grond van de begroeting vormt. Het is zeer natuurlijk, dat Johannes in een schrijven aan de gemeenten, waarbij hij in de plaats van Paulus was getreden, zich in de eerste plaats aan Paulus aansluit, diens welbekende en geëerde wijze van groeten bezigt. Dit eenvoudige Paulinische groeten komt hier nu voor naar de lessen van de hogere profetische stijl en uitgebreid in overeenstemming met de behoeften van de tijd, welks nood en gevaar een krachtige troost vereiste. Uit de diepte van het wezen van God en Christus wordt datgene te voorschijn gebracht, waarin het bestreden geloof zich zou kunnen versterken.
Genade en vrede wenst Johannes aan de zeven gemeenten. Tegenover de haat van de wereld hebben zij vooral de genade van God nodig, de troostvolle zekerheid, in Hem een verzoende en liefhebbende Vader te hebben, zoals hun in de strijd met de wereld de vrede van God, die uit Gods genade voortvloeit, nodig is.
Genade en vrede staan in zo'n verhouding tot elkaar, dat genade het Nieuw-Testamentische principe, vrede de daardoor teweeggebrachte zegen, genade de hoofdvoorwaarde van vrede, vrede de vrucht van de genade is. Vrede heeft de mens alleen als hij weer terugkeert in de gemeenschap met God, die door de zonde gestoord is, als hij met Hem verzoend is; en genade is alles, wat God gedaan heeft en doet, om deze verzoening te bewerken en de mens deze te geven.
De genade is boven alles kostelijk en troostvol, waar de Heere, als ook bij deze gemeenten, veelvuldig te bestraffen en te dreigen heeft; de vrede is vooral daar een begeerlijk goed, waar zware oordelen en lotgevallen over de kerk komen. Zich bij alle leringen van de Geest toch in het geloof in de genade van God te weten, vrede met God en Christus te hebben ook tegen de ontzettende dag als die komt, dat zijn zonder twijfel de meest betekenende goederen, die in zulke omstandigheden slechts gewenst kunnen worden.
Die door het lezen en overdenken van de Openbaring iet toeneemt en opgroeit in genade en vrede, die let op het woord van de Heere in Mattheus 10:31 !
3) Het "die is en die was en die komt", wijst op de onveranderlijkheid van de eeuwige God, die zoals het begrip van eeuwigheid zelf en vooral het woord "die komt" (met bijzonder letten op de hoofdgedachte schrijft Johannes aldus en niet "die komen zal aanwijst de lotgevallen van de Zijnen zowel als de vijandige wereld regeert, Zijn voorspelling tot vervulling brengt en in het bijzonder de hele ontwikkeling van het gericht in Zijn vaste hand houdt.
God is Hij, die is. Dit zegt niet slechts dat Hij nu in deze tijd is, maar dat Hij is de Zijnde, wiens meest eigenlijk wezen het zijn is, dat het niet zijn zowel als het gaandeweg worden geheel buiten zich sluit, zodat buiten Hem en zonder Hem niets is, wat is en alle dingen alleen in Hem leven, bewegen en zijn. Als deze Zijnde is Hij tevens degene, die was, weer niet maar zoveel als die eenmaal geweest is, maar degene, wiens zijn het hele verleden, sinds er een wereld en een tijd is, vervult, ja in de onbegonnen diepten van de eeuwigheid reikt. En zo is Hij als de Zijnde ook degene die komt, die niet maar te eniger tijd komen zal, maar die de eigenlijke komende is in alles wat komt en wiens komen voortgaat, tot Hij geheel tegenwoordig en openbaar, ja alles in alles en allen geworden is. Wat een troost in de strijd met een wereld van leugen en ijdelheid Hem de waarachtig Zijnde te kennen en te bezitten en overtuigd te kunnen zijn: de toekomst moge nog zo dreigend zich vertonen, zij behoort toch aan Hem, die komt en die de Almachtige is; die doet wat Hem behaagt!
4) De Geest van God, gesymboliseerd door vuur en vlammen, is altijd en overal een en dezelfde. Maar het door de kandelaar en de zeven gemeenten voorgestelde volk van God moet door de volheid van de tijden, die door het symbolische zevental is voorgesteld, ontwikkelingen en fasen doorlopen en die een Geest van God volgt het volk van God met al zijn werk in al die tijden en fasen, daarom komt de ene Geest van God voor als de zeven geesten van God. Daarmee wordt gezegd, dat de ene Geest van God zich aan het volk van God in al zijn verschillende tijden en fasen volgens de daaruit voortvloeiende verschillende behoeften openbaart en daardoor in de loop van de tijden niet alleen het leven van Gods volk in alle opzichten verzorgt, maar ook de volle mate van Zijn eigen genadegiften openbaart.
Door een zevental zijn de uitvloeisels van God, de Vader van de geesten (Hebreeën 12:9) voorgesteld, omdat het heilige middelaarschap tot herstelling van de verbondsgemeenschap van de mensheid met haar Schepper en Verbondsgod moet worden voorgesteld. Oetinger noemt deze zeven geesten en uitstralingen van de goddelijke volkomenheid, licht- of levensvolheid, de afschijnsels van de Jehova-heerlijkheid in haar zevenvoudige uitwerking en zaliging ten opzichte van de schepsels; als zij tegenover de Godheid staan, zegt hij, zijn zij één Geest.
Evenals het inwendig leven van God in het drietal is vervat, zo wordt het hele werken van de Geest naar buiten door het zevental als het getal van goddelijke machtsontvouwing en openbaring voorgesteld.
Staat ons nu deze zevenvoudige Geest terzijde, hoe zouden wij dan niet toegerust zijn tot iedere strijd? Evenmin als de duisternis voor het licht, evenmin kan de wereld voor de zeven geesten van God bestaan.
Met de apostolische groet, die wij uit de brieven zo van Petrus als van Paulus kennen, opent Johannes hier de apocalyptisch-profetische brief, die hem van de Heere van de gemeente te schrijven gegeven werd: Genade en vrede van God de Vader en van Jezus Christus. Waar tussenin, hier voor het eerst, ook de Heilige Geest in de aanvangsgroet plaats neemt. Onmiddellijk treedt reeds in die aanvangsgroet zowel het gewijde zevental als de goddelijke drieheid op de voorgrond: zeven Gemeenten, zeven Geesten. Bij dit laatste zevental, dat wij, zoals nog meerdere trekken uit deze eerste groet en lofzegging straks weer terug vinden in de beschrijving van Hoofdstuk 5 (Vers 6), komen als vanzelf voor de geest zowel de zeventallen bij de profeet Zacharia (Hoofdstuk 3:9 en Hoofdstuk 4:2, 7), als die Geest, die, bij Jesaja (Jesaja 11:2) door zeven namen gekenmerkt, op de Messias, Isaï's afgehouwen tronk, zou rusten. Ook het zevental van de gemeenten heeft zijn diepere betekenis. Ofschoon in een eerste plaats zeker aan de gemeenten van Klein-Azië in de apostolische eeuw gericht, spreekt toch wel de Apocalyps tot de algemene Christelijke kerk, tot de gemeenten in het geheel, van alle plaatsen en alle tijden. De drieheid komt drievuldig herhaald te voorschijn. Wij hebben haar allereerst in de drie goddelijke personen, in wier naam de groet geschiedt. Dan ontvouwt zich weer de persoonlijkheid van God de Vader, in dat hoog verheven Oud-Testamentische Die is en Die was en Die komen zal. Eindelijk wordt aan Jezus Christus de drievuldige naam van getrouwe Getuige, Eerstgeborene uit de doden, Overste van de koningen van de aarde gegeven. Ja, nog eenmaal wordt een drievoudige lofzegging Hem toegebracht in dat: "Hij heeft ons lief gehad en gewassen en gemaakt tot een koninkrijk enz. " De naam van God: Die is en Die was en Die komen zal, geeft hier in hebraïserend Grieks met drievoudige uitbreiding het Mozaïsche: Ik zal zijn, of wel Ik ben, van Israël's God in Exodus (Exodus 3:14) terug. Het karakteriserende van de uitbreiding of overbrenging in het Grieks van de Apocalyps loopt hij de inzage van het oorspronkelijke in het oog. De woordvoeging aldaar vloeit over van hetgeen naar de meest bekende regel van de syntaxe een vergrijp tegen de taal zou zijn, als niet was een stoute greep in de taal.