Hebreeën 5:1-9
Wij hebben hier ene omschrijving van den aard der priesterlijke bediening in het algemeen, ofschoon met toepassing op den Heere Jezus Christus. Ons wordt gezegd:
I. Tot welke soort van wezens een hogepriester moet behoren. Hij moet genomen zijn uit de mensen, hij moet een mens zijn als wij zelven, been van ons been, vlees van ons vlees, geest van onzen geest, deelgenoot van onze natuur, een banierdrager onder duizend. Dat sluit in zich:
1. Dat de mens gezondigd heeft,
2. Dat God geen zondigen mens zal toestaan onmiddellijk en alleen tot Hem te naderen, zonder een hogepriester, die uit de mensen moet genomen worden,
3. Dat het Gode behaagde een uit de mensen te nemen, door wie zij nu tot Hem kunnen naderen met hope, dat hij met ere ontvangen zou worden,
4. Dat iedereen nu Gode welkom zijn zal, die door dezen hogepriester tot Hem komt.
II. Voor wie deze hogepriester wordt aangesteld. Voor de mensen, in de zaken die bij God te doen zijn. Voor de eer van God en het welzijn van de mensen, opdat hij tussen trede tussen God en de mensen. Dat deed Christus, laat ons daarom nooit pogen tot God te gaan dan door Christus, of enige gunst van God verwachten dan door Christus.
III. Met welk doel de hogepriester aangesteld werd. Opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden.
1. Opdat hij zou offeren gaven en vrijwillige offers, gebracht door den hogepriester, aangeboden tot heerlijkheid van God, en als erkenning dat al het onze van Hem en tot Hem is. Wij hebben niets dan wat het Hem behaagt ons te geven, en van het Zijne brengen wij Hem een bewijs, dat we dit erkennen. Dat sluit in zich:
A. Dat al wat wij God brengen moet vrijwillig en niet gedwongen zijn, het moet een gave zijn, het moet gegeven en niet weggenomen worden.
B. Dat al wat wij God brengen moet gaan door de hand des hogepriesters, als de grote Middelaar tussen God en de mensen.
2. Opdat hij zou brengen slachtofferen voor de zonden, dat is: offers die bestemd waren om verzoening te verkrijgen, opdat de zonden vergeven en de zondaren aangenomen zouden worden. Daarom werd Christus aangesteld als hogepriester met die beide bedoelingen. Onze goede werken moeten aangeboden worden door Christus, om die en ons zelven aannemelijk te maken, en onze slechte daden moeten weggewist worden door zijn zelfsofferande, opdat zij ons niet veroordelen en verwoesten zullen. Wanneer wij dus de aanneming door God en Zijne vergeving op prijs stellen, moeten wij ons door het geloof aan dezen onzen groten Hogepriester aansluiten. IV. Hoe de hogepriester bekwaam moet zijn, vers 2.
1. Hij moet iemand zijn, die medelijden kan hebben met twee soorten van mensen:
A. Met de onwetenden, met hen die schuldig zijn door zonden van onwetendheid. Hij moet iemand zijn, die in zijn hart medelijden met hen kan vinden, en daarom voor hen bij God tussen treedt, iemand, die aan deze onwetenden onderricht geven wil.
B. Met de dwalenden, dwalenden van den weg van waarheid, plicht en geluk, en hij moet iemand zijn, die tederheid genoeg heeft om hen terug te leiden van de bijpaden van dwaling, zonde en ellende, in den rechten weg, dat vereist groot geduld en medelijden, het medelijden van een God.
2. Hij moet ook zelf met zwakheid omvangen zijn, en daardoor instaat om diep onze broosheid te gevoelen, en met ons te lijden. Dat was Christus. Hij nam op zich onze zondeloze zwakheden, en dat geeft ons grote vrijmoedigheid om tot Hem te gaan onder alle droefenis, want in al de benauwdheden van Zijn volk is Hij benauwd.
V. Hoe de hogepriester door God geroepen werd. Hij moet een inwendige en een uitwendige roeping tot zijne bediening hebben. Niemand neemt zich zelven die eer aan, enz., vers 4. Dat is: niemand behoort dat te doen, niemand kan het wettelijk doen, indien iemand het doet, moet hij als een overweldiger beschouwd en dienovereenkomstig behandeld worden. Merk hier op:
1. De bediening van het priesterschap was een zeer grote eer. Het was zeer eervol om bestemd te zijn om te staan tussen God en de mensen, om God en Zijn wil bij de mensen te vertegenwoordigen, en terzelfder tijd den mens en diens belangen Gode voor te dragen, en tussen die beide partijen de zaken van het hoogste gewicht te behandelen, -iemand te zijn aan wie de eer van God en het geluk van de mensen toevertrouwd was.
2. Het priesterschap is een eer en bediening, welke niemand zich zelven behoort te nemen, indien hij dat doet kan hij daar geen goed gevolg van en geen beloning voor verwachten, dan alleen van zichzelf. Hij is een indringer, die er niet, gelijk Aäron, door God toe geroepen werd. Merk op:
A. God is de fontein van alle eer, voornamelijk van alle geestelijke eer. Hij is de fontein van alle waarachtig gezag, hetzij Hij iemand tot het priesterschap roept langs buitengewonen weg, gelijk Aäron, hetzij Hij dat doet langs gewonen weg, gelijk diens opvolgers.
B. Alleen zij kunnen bijstand van God en aanneming door Hem verwachten, en op Zijne tegenwoordigheid hopen en Zijn zegen over hen zelven en over hun werk verwachten, die door God geroepen zijn, de overigen hebben een vloek in plaats van een zegen te wachten.
VI. Hoe dit toegepast wordt op Christus.
Alzo heeft ook Christus zich zelven niet verheerlijkt, enz., vers 5. Ofschoon Christus het zich een ere rekende tot hogepriester gesteld te worden, nam Hij zich zelven die heerlijkheid niet aan. Hij kon naar waarheid zeggen: Ik zoek Mijn eigen eer niet, Johannes 8:50. Als God beschouwd, kon Hem geen meerdere eer toegevoegd worden, maar als mens en als Middelaar ging Hij niet buiten Zijn zending. En indien Hij dat niet deed, moeten anderen zich daar zeker voor wachten!
VII. De apostel geeft aan Christus de voorkeur boven Aäron, zowel om den aard Zijner roeping als om de heiligheid van Zijn persoon.
1. Om de wijze Zijner roeping, waarbij God tot Hem sprak: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd, Psalm 2:7, hetgeen betrekking heeft op Zijn eeuwige generatie als God, Zijn wonderbare ontvangenis als mens en Zijn volkomen bekwaamheid als Middelaar. God verklaart daardoor plechtig Zijn tedere toegenegenheid tot Christus, Zijn gezaghebbende aanstelling tot Zijn bediening als Middelaar, Zijn goedkeuring in dien dienst, en Zijn aanneming en van al wat Hij gedaan had of doen zou om zich van die opdracht te kwijten. Zo iets nu zei God nooit tot Aäron. Een andere uitdrukking, die God bezigde in de roeping van Christus, vinden wij in Psalm 110:4.. Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. God de Vader stelde Hem aan tot priester in een hoger ordening dan die van Aäron. Het priesterschap van Aäron was slechts tijdelijk, het priesterschap van Christus zou eeuwig zijn, het priesterschap van Aäron was met opvolging, het ging van vader op zoon over, het priesterschap van Christus, naar de ordening van Melchizedek, zou persoonlijk zijn. Die hogepriester zou evenals Zijne bediening onsterfelijk zijn, zonder opvolgers, Hij zou geen begin der dagen of einde des levens hebben, zoals meer uitvoerig beschreven is in het zevende hoofdstuk en daar behandeld zal worden.
2. Christus wordt hier gesteld boven Aäron om de heiligheid van Zijn persoon. Andere priesters moesten slachtoffers offeren voor de zonden, gelijk voor het volk, alzo ook voor zich zelven, vers 3. Maar Christus behoefde geen offer voor zich zelven te brengen, want Hij had geen onrecht gedaan en er was geen bedrog in Zijnen mond geweest, Jesaja 53:9. En zulk een hogepriester betaamde ons.
VIII. Wij vinden hier hoe Christus Zijne bediening vervulde, en wat daarvan de gevolgen waren, vers 7-9.
1. Het volbrengen van Zijne bediening van het priesterschap, vers 7. Die in de dagen Zijns vlezes gebeden en smekingen geofferd heeft, enz. Merk hier op:
A. Hij nam vlees aan en tabernakelde daarin gedurende enigen tijd, Hij werd een sterflijk mens en rekende Zijn leven bij dagen, en gaf ons daarin een voorbeeld hoe wij ons leven rekenen moeten. Wanneer wij ons leven bij dagen rekenen, zal dat een middel zijn om ons aan te sporen elke dag zijn eigen werk te doen.
B. Christus, in de dagen Zijns vlezes, onderwierp zich aan den dood, Hem hongerde, Hij was een verzochte, bloedende, stervende Jezus. Zijn lichaam is nu in den hemel, maar het is een geestelijk, heerlijk lichaam.
C. God de Vader was machtig Hem van den dood te verlossen. Hij kon Zijn sterven voorkomen hebben, maar Hij wilde het niet doen, want dan zou het grote voornemen van Zijn wijsheid en genade vernietigd zijn geworden. Wat zou er van ons geworden zijn, indien God Christus van den dood verlost had! De Joden riepen Hem verwijtend toe: Laat Hij Hem nu verlossen, indien Hij Hem wèl wil! Mattheus 27:43. Maar het was uit liefde voor ons, dat de Vader niet wilde toelaten dat die bittere drinkbeker Hem voorbijging, want dan hadden wij den droesem moeten drinken en voor eeuwig rampzalig zijn.
D. Christus, in de dagen Zijns vlezes, offerde gebeden en smekingen aan Zijn Vader, als de eerstelingen van Zijn tussenkomst in den hemel. Wij hebben een grote menigte voorbeelden van gebed van Christus. Dit heeft betrekking op Zijn gebed in Zijn angsten, Mattheus 26:39, en 27:46, en op dat voor Zijn angsten, Johannes 17, dat Hij opzond voor Zijne discipelen en voor allen, die in Zijn naam geloven zouden.
E. De gebeden en smekingen, die Christus offerde, waren vergezeld van sterke roeping en tranen. Hierin gaf Hij ons het voorbeeld, dat wij niet alleen bidden moeten, maar vurig en aanhoudend in het gebed zijn. Hoeveel gebeden zonder, en hoeveel met tranen zenden wij tot God op?
F. Christus werd verhoord uit de vreze. Hoe? Hij ontving antwoord door onmiddellijke ondersteuning in en onder Zijn angsten, doordien Hij veilig door het dal des doods geleid werd, en door Zijn luisterrijke opwekking.
Hij is verhoord uit de vreze. Hij had een vreeslijk gevoel van den toorn Gods en van het gewicht der zonde. Zijn menselijke natuur zou onder die zwaarte bezweken zijn en werd door God verlaten ten opzichte van hulp en troost, maar Hij werd er uit verhoord, Hij werd ondersteund onder de angsten des doods. Hij werd door den dood heengeleid, en daar is geen andere ware verlossing van den dood dan dat wij er veilig door heengeleid worden. Wij kunnen van ziekten herstellen, maar wij worden nooit gered van den dood alvorens wij er veilig door heengeleid zijn. En zij, die zo uit den dood verlost zijn, zullen dat ten laatste door een heerlijke opstanding ondervinden, waarvan de opstanding van Christus de eersteling en de waarborg was.
2. De gevolgen van dit vervullen Zijner bediening.
A. Door dit lijden heeft Hij gehoorzaamheid geleerd, hoewel Hij de Zoon was, vers 8. Merk hier op:
a. Het voorrecht van Christus: Hij was de Zoon, de eengeborene des Vaders. Men zou denken dat dit Hem vrijwaarde voor lijden, maar dat deed het niet. Laat geen van hen allen, die door aanneming kinderen Gods zijn, menen dat zij daardoor geheel en al van lijden vrijgesteld zijn. Welke zoon is er, dien de vader niet kastijdt?
b. Christus maakte vorderingen door Zijn lijden. Bij Zijn lijdelijke gehoorzaamheid leerde Hij daadwerkelijke gehoorzaamheid, dat is, Hij bracht de grote les in praktijk, en deed aan den dag komen dat Hij haar geheel en volmaakt geleerd had. Ofschoon Hij nooit ongehoorzaam was, had Hij nooit zulk een daad van gehoorzaamheid verricht als toen Hij gehoorzaam werd tot den dood, ja den dood des kruizes. Hier heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij zouden leren in al onze droefenissen nederig gehoorzaam te zijn aan God. Wij hebben droefenissen nodig, om ons onderwerping te leren.
B. Door dit Zijn lijden is Hij geheiligd, en werd een oorzaak van eeuwige zaligheid voor allen, die Hem gehoorzaam zijn, vers 9. Christus werd door Zijn offerande gewijd tot Zijn bediening, gewijd door Zijn eigen bloed. Door Zijn lijden volbracht Hij dat deel van Zijn werk, dat op aarde moest verricht worden, ene verzoening voor de ongerechtigheid aanbrengende, en in dezen zin wordt gezegd dat Hij geheiligd is. Hierdoor was Hij de oorzaak van eeuwige zaligheid geworden voor de mensen, door Zijn lijden heeft Hij volkomen bevrijding van zonde en ellende verworven, en volkomen heiligheid en gelukzaligheid voor Zijn volk. Van deze zaligheid heeft Hij mededeling gedaan in het Evangelie, Hij heeft dat gemaakt tot de drager van het nieuwe verbond, en den Geest gezonden om de mensen instaat te stellen deze zaligheid aan te nemen. Deze zaligheid wordt in werkelijkheid aan niemand geschonken dan aan hen, die Christus gehoorzamen. Het is niet voldoende dat wij enige leerstellige kennis van Christus hebben, of belijden dat wij in Hem geloven, wij moeten naar Zijn woord luisteren en het gehoorzamen. Hij is tot een Vorst verheven om over ons te regeren, zowel als tot een Zaligmaker om ons te verlossen, en Hij wil geen Zaligmaker zijn dan voor hen, die gewillig zijn dat Hij over hen regeren zal, de overigen zal Hij voor Zijne vijanden houden en daarnaar behandelen. Maar voor hen, die Hem gehoorzamen, zich aan Hem toewijden, zich zelven verloochenen, en hun kruis op zich nemende Hem navolgen, wil Hij de grote oorzaak van zaligheid zijn, hen wil Hij als de Zijnen beschouwen eeuwiglijk.