Filippenzen 2:1-11
De apostel gaat in deze verzen voort met het geven van verdere vermaningen tot Christelijke plichten. Hij dringt in den brede aan op gelijkgezindheid en nederigheid, overeenkomstig het voorbeeld van den Heere Jezus, den groten voorganger in nederigheid en liefde. Hierbij kunnen wij opmerken:
I. Het grote voorschrift, dat het Evangelie ons gestadig geeft, is liefde jegens elkaar. Dit is de wet van Christus' koninkrijk, de les in Zijne school, het kenmerk van Zijn gezin. Hij houdt ons dat voor, vers 2, als: weest eensgezind, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. Wij zijn eensgezind wanneer wij elkaar liefhebben. Christenen behoren een in toegenegenheid te zijn, al kunnen zij niet steeds een in opvatting zijn. Dit is altijd in hun macht en altijd hun plicht, en het is ook het beste middel om hen in oordeel tot elkaar te brengen. Dezelfde liefde hebbende. Dezelfde liefde, die wij verplicht zijn anderen te bewijzen, moeten die anderen ons betonen. Christelijke liefde moet wederzijdse liefde zijn. Heb lief en men zal u liefhebben.
Van een gemoed en van een gevoelen zijnde, niet elkaar kruisende en dwarsbomende, of naar eigenbelang staande, maar eenparig instemmende in de grote dingen van God en de enigheid des Geestes bewarende bij andere verschillen. Merk op:
1. Op welke aangename wijze hij op dezen plicht aandringt. Hij houdt er bij hen zeer sterk op aan, wetende welk een bewijs het is voor onze oprechtheid, en wat groot belang het heeft voor de bewaring en opbouwing van het lichaam van Christus. De redenen voor broederlijke liefde zijn deze:
A. Indien er dan enige vertroosting is in Christus. Hebt gij van Christus vertroosting ondervonden? Bewijs van die ondervinding zal zijn uw wederzijdse liefde. De zachtheid, die wij gevonden hebben in de leer van Christus, moet onze zielen verzachten. Verwachten wij enige vertroosting van Christus? Indien wij niet teleurgesteld willen worden. moeten wij elkaar liefhebben. Zo wij geen vertroosting in Christus hebben, vanwaar zullen wij die dan verwachten? Zij, die deelhebben aan Christus, hebben vertroosting in Hem, sterke en eeuwige vertroosting, Hebreeën 6:18, 2 Thes. 2:16, en daarom moeten zij elkaar liefhebben.
B. Enige troost der liefde. Indien er enige troost is in Christelijke liefde in Gods liefde voor u, in uwe liefde voor God, of in de liefde uwer broederen voor u, met het oog op dit alles: weest eensgezind. Indien gij ooit dien troost gevonden hebt, indien gij begeert hem te vinden, indien gij waarlijk gelooft dat de genade der liefde een vertroostende genade is: weest daarin dan overvloedig.
C. Enige gemeenschap des Geestes. Indien er is gemeenschap met God en Christus door den Geest, gemeenschap der heiligen, doordien zij bezield en werkzaam zijn door een en dezelfden Geest, zo weest eensgezind, want Christelijke liefde en gelijkgezindheid zal voor ons de gemeenschap met God en met elkaar bewaren.
D. Enige innerlijke bewegingen en ontfermingen, in God en Christus jegens u. Zo gij verwacht den zegen van Gods ontfermingen jegens u, ontfermt u dan over elkaar. Indien er iets van barmhartigheid gevonden wordt onder de volgelingen van Christus, indien allen die geheiligd zijn een aanleg voor heilig medelijden hebben, laat het dan gezien worden. Hoe dringend zijn deze beweegredenen! Men zou denken dat ze genoeg waren om den hoogmoedigste te beteugelen, en het hardste hart te verzachten.
E. Een andere beweegreden, dien hij aanhaalt, is de vertroosting, die hij daardoor genieten zou. Vervult mijne blijdschap. Het is de blijdschap der dienaren, te zien dat de leden gelijkgezind en in liefde leven. Hij is het werktuig geweest om hun de genade van Christus en de liefde van God te brengen. "Nu", zegt hij: "indien gij enigen zegen gevonden hebt in uw deelgenootschap aan het Evangelie van Christus, indien gij er enige vertroosting of enige blijdschap in hebt, vervult dan de blijdschap van den armen dienaar, die u dat Evangelie bracht.
2. Hij stelt enige middelen voor om dat te bevorderen.
A. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, vers 3. Er is geen groter vijand van het Christendom dan hoogmoed en hartstocht. Indien wij dingen doen om onze broederen tegen te werken, dan doen wij die door twisting, indien wij ze doen door ingenomenheid met ons zelven, dan doen wij ze door ijdele eer. Beide zijn verwoestend voor de Christelijke liefde en prikkelen onchristelijken hartstocht. Christus kwam om alle vijandschap te doden, laat er daarom onder de Christenen geen geest van opstand zijn. Christus kwam om ons nederig te maken, laat er daarom onder ons geen geest van hoogmoed zijn.
B. Wij moeten door ootmoedigheid den een den ander uitnemender achten dan zich zelven, gestreng zijn tegen onze eigen fouten en liefderijk in ons oordeel over anderen, vlug in het opmerken van onze eigen tekortkomingen en gebreken, maar bereid om de onvolkomenheden van anderen voorbij te zien en er de gunstigste uitlegging aan te geven. Wij moeten het goede, dat in anderen is, hoger achten dan ons eigen goed, wij zelven kennen immers het best onze eigen onwaardigheid en tekortkoming.
C. Wij moeten belangstellen in de zaken van anderen, niet uit nieuwsgierigheid en bedilzucht, of als mensen, die zich met eens anders doen bemoeien, maar in Christelijke liefde en toegenegenheid. Een iegelijk zie niet op hei zijne' maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is, vers 4. Een zelfzuchtige geest is vernietigend voor de Christelijke liefde. Wij moeten belangstellen niet alleen in onzen goeden naam, en gemak, en veiligheid, maar ook in die van anderen, en ons zo waarachtig verheugen in den voorspoed van anderen als in onzen eigenen. Wij moeten onze naasten liefhebben als ons zelven en hun zaak de onze maken.
II. Hier wordt ons ter navolging een evangelisch voorbeeld gesteld, dat van onzen Heere Jezus Christus. Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was, vers 5. Christenen moeten het gevoelen van Christus hebben. Wij moeten Zijn beeld in ons leven vertonen, indien wij den zegen van Zijn dood hebben willen.
Zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe, Romeinen 8:9. Wat was het gevoelen van Christus? Hij was voorbeeldig nederig, en dit is het voornamelijk wat wij van Hem moeten leren. Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart, Mattheus 11:29. Indien wij nederig gezind zijn, zullen wij gelijk gezind zijn, en indien wij Christus gelijken, zullen wij nederig gezind zijn. Wij moeten wandelen in dezelfden geest en in dezelfde voetstappen als de Heere Jezus, die zich zelven voor ons tot in het lijden des doods vernederde, niet alleen om aan de gerechtigheid Gods te voldoen en den prijs voor onze verlossing te betalen, maar ook om ons een voorbeeld na te laten opdat wij in Zijne voetstappen zouden wandelen. Hier hebben wij de beide naturen en de beide staten van onzen Heere Jezus. Het is opmerkelijk, dat de apostel, zodra hij gelegenheid heeft om den Heere Jezus te noemen en te spreken over het gevoelen dat in Hem was, die aangrijpt om over Zijn persoon uit te weiden, en enige bepaalde beschrijving van Hem te geven. Het is zijn geliefkoosd onderwerp, en een dienaar des Evangelies behoeft nooit te denken dat hij van zijn onderwerp afdwaalt, indien hij dit voorbeeld navolgt, elke goede gelegenheid moet hij gaarne gebruiken.
1. Hier zijn de beide naturen van Christus, Zijn goddelijke en Zijn menselijke natuur.
A. Zijn goddelijke natuur. Die in de gestaltenis Gods was, vers 6, deelgenoot aan de goddelijke natuur, als de eeuwige en eengeboren Zoon van God. Dat komt overeen met Johannes 1:1. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, het betekent hetzelfde als: het beeld des onzienlijken Gods, Colossenzen 1:15, en het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, Hebreeën 1:3.
Hij heeft het geen roof geacht Gode evengelijk te zijn, Hij behoefde niet te denken dat Hij schuldig stond aan enige toe-eigening van hetgeen Hem niet toekwam, of van aanmatiging van eens anders recht. Hij zei: Ik en de Vader zijn een, Johannes 10:30. Het is de hoogste trap van roof, wanneer enig schepsel voorgeeft gelijk met God te zijn, of van zich zelven zegt dat hij en God een zijn. Dat is voor een mens God beroven, niet in zijn naam, of in offeranden, maar in de rechten zijner Godheid, Maleachi 3:8. Sommigen verstaan onder de gestaltenis Gods, en morphêi theoe hupaschoon, zijne verschijningen in Goddelijke majesteit aan de patriarchen en de Joden van het Oude Testament, die dikwijls genoemd wordt de heerlijkheid, de Schechinah. In dien zin wordt dat woord gebruikt in de vertaling der Zeventigen en in het Nieuwe Testament. Hij verscheen aan de twee discipelen, en heterai morphêi, in een andere gedaante, Markus 16:12, metemorphoothê, Hij werd voor hen van gedaante veranderd, Mattheus 17:12. En Hij achtte het geen roof Gode evengelijk te zijn. Hij greep daar niet gretig naar, Hij begeerde niet in die heerlijkheid te verschijnen, Hij legde de majesteit van Zijn vroegere verschijningen toen Hij op aarde was af, dat wordt ondersteld de bedoeling te zijn van die eigenaardige uitdrukking, oech hapargmon hêgêsato.
B. Zijn menselijke natuur. Hij is den mensen gelijk geworden en in gedaante gevonden gelijk een mens. Hij was werkelijk en waarlijk mens, Hij nam ons vlees en bloed aan, verscheen in de natuur en den vorm van een mens. Vrijwillig nam Hij de menselijke natuur aan, het was Zijn eigen daad, met Zijn eigen toestemming. Dat kunnen wij van ons deelgenootschap aan de menselijke natuur niet zeggen. Hierdoor vernietigde (of ontledigde) Hij zich zelven, ontdeed zich van de eer en glorie der hogere wereld, en van zijn vroegere gedaante, om zich te bekleden met de lompen van onze menselijke natuur. Hij was in alle dingen gelijk als wij, Heb. 2:17.
2. Hier zijn Zijn beide toestanden, vernedering en verhoging. Zijn staat van vernedering. Hij nam niet enkel den vorm en de gedaante van een mens aan, maar de gestaltenis van een dienstknecht, dat is: een man van lagen rang. Hij was niet alleen de dienstknecht van God, die Hem verkoren had, maar Hij kwam om de mensen te dienen, en was onder hen als een die dient, in lagen en dienenden staat. Men zou denken dat de Heere Jezus, toen Hij mens wilde worden, als een vorst en met veel pracht verschijnen zou. Juist het tegendeel. Hij nam de gestaltenis van een dienstknecht aan. Hij werd heel eenvoudig opgevoed, en arbeidde waarschijnlijk met Zijn onderstelden vader in diens zaak. Zijn gehele leven was een leven van vernedering, geringheid, armoede en ongenade, Hij had niets om het hoofd op neer te leggen, leefde van aalmoezen, was een man van smarten en verzocht in ziekte, verscheen nooit met uiterlijken glans en andere onderscheidingen. Dit was de vernedering van Zijn leven. Maar het diepste punt van Zijn vernedering was Zijn kruisdood. Hij was niet slechts een lijder, maar Hij was daadwerkelijk en vrijwillig gehoorzaam. Hij is gehoorzaam geworden tot den dood, ja den dood des kruizes. Hij gehoorzaamde aan de wet, waaronder Hij zich als Middelaar gesteld had en door welke Hij veroordeeld werd om te sterven. Ik heb macht Mijn leven af te leggen en Ik heb macht het wederom aan te nemen, dit gebod heb Ik van Mijnen Vader ontvangen, Johannes 10:18. En Hij was geworden onder de wet, Galaten 4:4. Zijn wijze van sterven had alles in zich, wat het maar met mogelijkheid vernederend maken kon.
Zelfs tot den dood des kruizes. Een vervloekte, smartelijke, schandelijke dood-een dood vervloekt door de wet, (Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt) -smartelijk, h et lichaam vastgenageld door de gevoeligste delen, handen en voeten, en met Zijn ganse zwaarte daaraan aan het hout hangende, de dood van een misdadiger of een slaaf, niet van een vrij man-bloot gesteld aan openbaar schandaal. Zo was de verlaging van den gezegenden Jezus.
B. Zijne verhoging. Daarom heeft Hem God ook uitermate verhoogd. Zijne verhoging was ene beloning voor Zijne vernedering. Omdat Hij zich zelven vernederde, heeft God Hem verhoogd, en Hem uitermate verhoogd (huperhupsoose) verhoogd tot uitstekende hoogte. Hij verhoogde Zijn gehele persoon, de menselijke natuur zowel als de goddelijke, want er wordt van Hem gezegd, dat Hij zowel de gestaltenis Gods als die des mensen heeft. Wat Zijn goddelijke natuur betreft, kan dit alleen slaan op het herstel Zijner rechten, of de tentoonspreiding van de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had eer de wereld was, Johannes 17:5, niet enige nieuwe toevoeging van heerlijkheid, en zo wordt gezegd dat de Vader zelf Hem verhoogde. Maar de eigenlijke verhoging was die van Zijn menselijke natuur, welke alleen daarvoor vatbaar schijnt, ofschoon in vereniging met de goddelijke. Zijne verhoging wordt gezegd te bestaan in eer en macht. In eer: Hij heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is, een naam van waardigheid boven alle schepselen, mensen en engelen. En in macht: Elke knie moet voor Hem buigen. De gehele schepping moet aan Hem onderworpen zijn, de dingen die in den hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijn, de bewoners van hemel en aarde, de levenden en de doden. In den naam van Jezus, niet op den klank van dat woord, maar voor het gezag van Jezus, alle zielen moeten Hem plechtig eer bewijzen. En alle tong zou belijden dat Jezus de Heere is, elke natie en taal zal openbaar erkennen het algemene koninkrijk van den verhoogden Verlosser, en dat alle macht in hemel en op aarde Hem gegeven is, Mattheus 28:18. Merk op de grote uitgebreidheid van het koninkrijk van Christus, het omvat hemel en aarde, en alle schepselen daarin, engelen zowel als mensen, doden zowel als levenden. Tot heerlijkheid Gods des Vaders. Het is tot heerlijkheid des Vaders, dat beleden wordt dat Jezus Christus de Heere is, want het is Zijn wil, dat zij allen den Zoon eren gelijk zij den Vader eren, Johannes 5:23. Alle eerbied, die den Zoon bewezen wordt, strekt tot heerlijkheid van den Vader. Die Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft, Mattheus 10:40.