Psalm 16:8-11
Al deze verzen worden door Petrus aangehaald in zijn eerste rede na de uitstorting van de Heilige Geest op het pinksterfeest, Handelingen 2:25-28, en hij zegt ons uitdrukkelijk dat David in die verzen spreekt van Christus en inzonderheid van Zijn opstanding. Wel kunnen wij er ook iets van de werkingen in zien van Davids eigen vrome genegenheden voor God, daar hij steunt en betrouwt op Zijn genade om alles voor hem te voleinden, en uitziet naar de zalige staat aan geen zijde van de dood in de genieting van God, maar in die heilige opheffing naar God en de hemel werd hij gedreven door de geest van de profetie ver boven de beschouwing van zichzelf en zijn eigen toestand, om de heerlijkheid te voorzeggen van de Messias in uitdrukkingen, die daar alleen passend voor zijn en niet van hemzelf verstaan kunnen worden. Het Nieuwe Testament voorziet ons van de sleutel om ons tot de verborgenheid van deze woorden in te leiden.
I. Deze verzen moeten zeer zeker op Christus worden toegepast, van Hem spreekt de profeet dit, zoals vele profeten van het Oude Testament van Hem gesproken hebben, "tevoren getuigende het lijden, dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarna volgende," 1 Petrus 1:11 en dat is het onderwerp van deze profetie hier. Er is voorzegd (gelijk Hijzelf dit ongetwijfeld onder andere profetieën in deze psalm heeft aangetoond, Lukas 24:44, 46) dat "de Christus meest laden en van de doden opstaan," 1 Corinthiers 15:3, 4.
1. Dat Hij moest lijden en sterven. Dit wordt hier aangeduid als hij zegt: ik zal niet wankelen, vers 8. Hij veronderstelde dat er slagen op Hem gericht zullen worden, dat Hem een geweldige schok zal worden gegeven, zoals Hij die ontving in Zijn doodsbenauwdheid toen Zijn ziel bedroefd was tot de dood toe en Hij bad dat die drinkbeker van Hem mocht voorbijgaan. Als hij zegt: mijn vlees zal zeker wonen, dan wordt hiermede aangeduid dat Hij het lichaam moest afleggen en dus moest heengaan door de smarten van de dood. Er wordt ook duidelijk te kennen gegeven dat Zijn ziel in een staat van afzondering van het lichaam moest gaan en dat Zijn lichaam, aldus verlaten in onmiddellijk gevaar zou zijn van verderving te zien, dat Hij niet slechts zou sterven, maar begraven worden en voor enigen tijd onder de macht van de dood zou zijn.
2. Dat Hij in Zijn lijden en sterven verwonderlijk ondersteund zal worden door de Goddelijke kracht.
A. Dat Hij niet zal wankelen, niet van Zijn onderneming weggedreven zal worden, niet zal wegzinken onder het gewicht ervan, "niet zal falen en niet ontmoedigd zal worden" Jesaja 42:4 maar er in zal voortgaan, er in zei volharden totdat Hij kan zeggen: Het is volbracht. Hoewel de dienst zwaar en de strijd heet was en Hij de wijnpers alleen getreden heeft, heeft Hij de zaak niet opgegeven, maar Zijn aangezicht gesteld als een keisteen, Jesaja 50:7-9. "Ik ben het, zo laat deze heengaan." Ja:
B. Dat zijn hart zich zal verblijden en zijn eer zich zal verheugen, opdat Hij met Zijn onderneming zou voortgaan niet alleen vastberaden, maar blijmoedig, en met onuitsprekelijk welbehagen en voldoening, getuige dat woord: "Ik ben niet meer in de wereld, en Ik kom tot U," Johannes 17:11 :en:" De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?" Johannes 18:11, en vele dergelijke meer. Met Zijn eer wordt bedoeld Zijn tong, zoals blijkt uit Handelingen 2:26, want onze tong is onze eer, en dat is zij nooit meer dan wanneer zij gebruikt wordt om God te verheerlijken. Er waren drie dingen, die Hem ondersteunden en Hem blijmoedig deden voortgaan.
a. Dat Hij in hetgeen Hij deed de wil en de heerlijkheid Zijns Vaders op het oog had: Ik stel de Heere geduriglijk voor mij. Hij had het oog op het gebod van Zijn Vader, Johannes 10:18, 14,31 de wil desgenen, die Hem had gezonden. Hij bedoelde de eer van Zijn Vader en de herstelling van de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen, en hierdoor hebben de moeilijkheden die Hij ontmoette, Hem niet doen wankelen, want Hij heeft altijd gedaan wat welbehaaglijk was aan Zijn Vader.
b. Dat Hij de verzekerdheid had dat Zijn Vader met Hem was in Zijn lijden. Hij is aan Mijn rechterhand, een krachtdadige hulp voor Mij in Mijn benauwdheid, Mijn tijd van nood. Hij is "nabij die Mij rechtvaardigt," Jesaja 50:8. Hij is aan Mijn rechterhand om Mij te leiden en te versterken, Psalm 89:22. Toen Hij in Zijn doodsbenauwdheid was, werd een engel gezonden om Hem te versterken, Lukas 22:43. Daaraan waren de overwinningen aan het kruis te danken, het was de Heere aan Zijn rechterhand, die koningen versloeg, Psalm 110:5, Jesaja 42:1, 2.
c. Zijn vooruitzicht op de glorierijke uitkomst van Zijn lijden. "Het was voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, dat Hij het kruis heeft verdragen en de schande veracht Hebreeën 12:2. "en Zijn rustplaats zal heerlijk zijn", Jesaja 11:10. Hij wist dat Hij in de Geest gerechtvaardigd zou worden door de opstanding en terstond zou worden verheerlijkt. Zie Johannes 13:31, 32.
3. Dat Hij door Zijn lijden heengebracht zou worden en van onder de macht van de dood uitgevoerd zou worden door een glorierijke opstanding.
a. Dat Zijn ziel in de hel niet zal verlaten worden, Zijn menselijke geest zal niet, zoals de geest van andere mensen, in een staat van afscheiding van het lichaam gelaten worden, maar binnen weinig tijds terugkeren om er weer mee verenigd te worden en er nooit meer van gescheiden te zijn.
b. Dat Hij op zeer bijzondere wijze Gods heilige zijnde, afgezonderd voor het werk van de verlossing en volkomen vrij van zonde, de verderving niet zou zien of zou gevoelen. Dit duidt aan dat Hij niet alleen opgewekt zou worden uit het graf, maar zo spoedig opgewekt zou worden, dat bij Zijn dood lichaam niet eens bederf zou beginnen te komen, hetgeen naar de loop van de natuur geschied zou zijn indien het niet ten derden dage ware opgewekt. Wij, die zoveel bederf hebben in onze ziel, moeten verwachten dat er ook bederf zal komen aan ons lichaam, Job 24:19, maar deze Heilige Gods, die geen zonde gekend heeft, heeft geen verderving gezien. Onder de wet was streng bevolen dat die delen van de offeranden, welke niet verbrand werden op het altaar, niet tot op de derden dag bewaard zouden worden, opdat er geen bederf zou bijkomen, Leviticus 7:15, 18, hetgeen misschien wees op Christus' opstanding ten derden dage, opdat Hij geen bederf zou zien ook was geen been aan Hem gebroken.
4. Dat Hij overvloedig voor Zijn lijden beloond zou worden met de vreugde, die Hem was voorgesteld, vers ll. Hij was wel verzekerd:
a. Dat Hem de heerlijkheid niet ontgaan zou: Gij zult Mij het pad des levens bekendmaken en Mij door dit donkere dal tot de uitkomst heenvoeren. In vertrouwen hierop heeft Hij, toen Hij de geest gaf, gezegd: "Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest, " en een weinig tevoren: "Vader, verheerlijk Mij bij Uzelf."
b. Dat Hij ontvangen zal worden in de tegenwoordigheid Gods om aan Zijn rechterhand te zitten. Dat Hij toegelaten zou worden in de tegenwoordigheid Gods, zal de aanneming zijn van Zijn dienst, de beloning ervan.
c. Aldus zal Hij, ter beloning van de smarten, die Hij ondergaan heeft voor onze verlossing, verzadiging van vreugde en lieflijkheid hebben tot in eeuwigheid, niet alleen de heerlijkheid, die Hij als God bij God gehad heeft eer de wereld was, meer de vreugde en de lieflijkheid van een Middelaar, door zaad te zien en de goeden uitslag van Zijn onderneming, Jesaja 53:10, 11.
II. Christus, het hoofd zijnde van het lichaam, de gemeente, kunnen deze verzen ook voor het merendeel toegepast worden op alle goede Christenen, die geleid en bezield zijn door de Geest van Christus, en bij het zingen ervan kunnen wij, na eerst de heerlijkheid toegebracht te hebben aan Christus, in wie zij tot onze eeuwige vertroosting hun vervulling hebben, onszelf en elkaar er mee aanmoedigen en er uit leren:
1. dat het onze wijsheid en onze plicht is om de Heere geduriglijk voor ons te stellen, Hem voortdurend aan onze rechterhand te zien, waar wij ook zijn, Hem te beschouwen als ons hoogste goed, onze eigenaar, onze bestuurder en rechter, onze genadige weldoener, onze betrouwbare gids en nauwkeurige waarnemer zolang wij dit doen, zullen wij niet wankelen noch bewogen worden van onze plicht, noch van onze vertroosting. De apostel Paulus heeft de Heere geduriglijk voor zich gesteld toen hij, hoewel banden en verdrukkingen voor hem aanstaande waren, kloekmoedig zeggen kon, "ik acht op geen ding," Handelingen 20:24, dat is: ik reken er niet mede, word er niet door bewogen, het zal mij niet doen wankelen.
2. Dat, zo onze ogen steeds op God gericht zijn, ons hart zich steeds in Hem kan verblijden, het is onze schuld als dit niet zo is. Indien ons hart zich verheugt in God, zo laat uit de overvloed daarvan de mond spreken tot Zijn eer en heerlijkheid en tot stichting van anderen.
3. Dat stervende Christenen, zowel als de stervende Christus, blijmoedig het lichaam kunnen afleggen in de gelovige verwachting van een blijde opstanding. Ook zal mijn vlees zeker wonen of rusten. Ons lichaam heeft in deze wereld weinig rust, maar in het graf zal het rusten als in onze slaapstede, Jesaja 57:2. Van dit leven hebben wij weinig te hopen, maar wij zullen rusten in de hoop op een beter leven, in die hoop kunnen wij het lichaam afleggen. "De dood verderft de verwachting des mensen," Job 14:19, maar niet de verwachting vaneen goed Christen, Spreuken 14:32. Hij heeft hoop in zijn dood, levende hoop in stervens ogenblikken, hoop dat het lichaam niet voor altijd in het graf zal worden gelaten, maar hoewel het voor een tijd verderving ziet, zal het aan het einde van de tijd opgewekt worden tot onsterflijkheid, Christus' opstanding is een onderpand van de onze, zo wij de Zijnen zijn.
4. Dat zij, die vroom leven met God voor hun ogen, getroost kunnen sterven met de hemel voor hun ogen. In deze wereld is smart ons lot, maar in de hemel is blijdschap, al onze vreugde hier op aarde is ledig en gebrekkig, maar in de hemel is verzadiging van vreugde, onze genoegens hier zijn kort en voorbijgaande, en zodanig is hun aard, dat het niet goed zou zijn zo zij lang duurden, maar in Gods rechterhand zijn lieflijkheden eeuwiglijk, want het zijn de genoegens van onsterflijke zielen in het onmiddellijke zien en genieten van een eeuwig God.