Leviticus 19:19-29
Hier is:
I. Een wet tegen vermenging, vers 19. In het begin heeft God het vee geschapen naar zijn aard, Genesis 1:25 en wij moeten berusten in de natuur, die God ingesteld heeft, gelovende dat het zo het beste en voldoende is, en niet begeren naar hetgeen daarvan afwijkt daar zulke afwijkende wezens wangedrochten zijn. Doe niet tot Zijn werken, opdat Hij u niet bestraffe, want het is het uitnemende van Gods werk, dat er niets aan toe gedaan of van af gedaan kan worden zonder het te mismaken, Prediker 3:14. Gelijk wij hetgeen God samengevoegd heeft, niet moeten scheiden, zo moeten wij niet samenvoegen wat Hij gescheiden heeft. Het zaaien van gemengd koren, en het dragen van kleren van verschillende stof zijn hier verboden, hetzij als bijgelovige gebruiken van de heidenen, of om te kennen te geven hoe zorgvuldig zij zich van vermenging met de heidenen moeten onthouden, of van heidense gebruiken met Gods inzettingen te vermengen. Ainsworth oppert het denkbeeld, dat het bedoeld was om Israël tot de eenvoudigheid en oprechtheid van de Godsdienst te leiden en tot al de delen en leerstellingen van de wet en het Evangelie in haar onderscheidene soorten. Gelijk geloof nodig is, zo zijn ook goede werken nodig, maar om die in de oorzaak van onze rechtvaardigmaking voor God te vermengen is verboden, Galaten 2:16.
II. Een wet om overspel te straffen, bedreven met een dienstmaagd, die ondertrouwd was, vers 20-22. Indien zij niet ondertrouwd was, dan legde de wet in het geheel geen straf op, indien zij geen dienstmaagd was, en ondertrouwd was, dan legde de wet geen mindere straf op dan de doodstraf, maar nog een dienstmaagd zijnde, (hoewel zij voor de voleinding van haar ondertrouw vrijgemaakt moest zijn) dan werd die straf verzacht, zij zullen beide gegeseld worden (sommigen denken alleen de vrouw) en de man moest een offer brengen. Het was om de eer van het huwelijk, hoewel nog slechts aangevangen in ondertrouw, dat de misdaad gestraft moest worden, maar het was voor de eer van de vrijheid, dat zij niet gestraft moest worden zoals het verleiden van een vrije vrouw, zo groot was toen het verschil tussen dienstbare en vrije, Galaten 4:30, maar het Evangelie van Christus kent zodanig onderscheid niet, Colossenzen 3:11.
III. Een wet betreffende vruchtbomen. Als het gebeurde, dat zij in de eerste drie jaren nadat zij geplant waren, reeds vrucht droegen, dan moest van die vrucht toch geen gebruik gemaakt worden, vers 23-25. Het was daarom de gewoonte van de Joden, om de vruchten van hun jonge bomen, zodra zij zich begonnen te vormen, af te plukken, zoals hoveniers soms doen, omdat dit vroegtijdige vruchtdragen de groei belemmert. Als zo'n vrucht al tot rijpheid kwam, dan mocht er voor de dienst van God noch mensen gebruik van worden gemaakt, maar de vruchten, die zij in het vierde jaar droegen, moesten de Heere geheiligd worden, hetzij door ze de priesters te geven, of om met blijdschap voor het aangezicht des Heeren gegeten te worden, zoals hun tweede tienden, Deuteronomium 14:23, en van toen af waren de vruchten geheel voor hen.
1. Sommigen denken dat dit hun leerde de gewoonte van de heidenen niet te volgen, die, naar men zegt, de allereerste voortbrengselen van hun vruchtbomen aan hun afgoden wijdden, zeggende, dat anders al hun vruchten bedorven zouden zijn.
2. Deze wet nopens hun vruchtbomen schijnt parallel te wezen met die voor hun vee namelijk dat geen dier als offer aangenomen zou worden vóór het acht dagen oud was, en voor de achtste dag mochten geen kinderen besneden worden, zie Hoofdstuk 22:27. God wilde de eerstelingen hebben van hun vruchtbomen, daar zij echter gedurende de eerste drie jaren even onbeduidend waren als een lam of een kalf beneden de acht dagen, wilde God die niet hebben, want het betaamt dat Hij alles op zijn best heeft, en toch wilde Hij hun niet vergunnen ze te gebruiken, omdat Zijn eerstelingen nog niet geofferd waren. Zij moeten dus geacht worden als onbesneden, dat is: als een dier onder de acht dagen oud, ongeschikt voor enigerlei gebruik.
3. Hiermede wordt ons geleerd, niet al te haastig naar een aards genot te grijpen, maar er geduldig de bestemden tijd voor af te wachten, en inzonderheid ons de voortbrengselen van de aarde onwaardig te erkennen, ons recht op haar vruchten werd verbeurd door het eten van de verboden vrucht door onze eerste ouders en in dat recht zijn wij alleen hersteld "door het woord van God en het gebed," 1 Timotheus 4:5.
IV. Een wet tegen bijgelovige gebruiken van de heidenen, vers 26-28.
1. Eten met het bloed, zoals de heidenen deden, die het bloed van hun offers opvingen in een vat, opdat hun demonen het-naar zij zich inbeeldden-zouden drinken, en dan zaten zij er bij en aten zelf het vlees, hun gemeenschap met duivelen te kennen gevende door maaltijd met hen te houden. Laat dit gebruik niet worden aangenomen, want het bloed van de offer aan God moest op het altaar gesprengd en dan aan de voet van het altaar uitgestort worden.
2. Toverij en waarzeggerij en een bijgelovig waarnemen van de tijden, sommige dagen en uren als gelukkig, en anderen als onheilspellend te beschouwen. Zonderlinge kunstjes van die aard waren waarschijnlijk kort tevoren door de Egyptische priesters verzonnen om het volk te vermaken en hun eigen roem op te houden. De Israëlieten hadden ze zien doen, maar mogen ze volstrekt niet navolgen. Het zou onvergeeflijk zijn in hen, aan wie de woorden Gods zijn toebetrouwd, om de duivel om raad te vragen, maar nog slechter zou het wezen in Christenen, aan wie de Zoon van God is geopenbaard, die de werken des duivels verbroken heeft. Als Christenen hun horoscoop laten trekken, zich door waarzeggers de toekomst laten voorspellen. amuletten en toverwoorden gebruiken ter genezing van krankheden en om boze geesten te verdrijven, ontroerd worden wegens het omvallen van het zout, of omdat een haas over de weg loopt en dergelijke dingen meer, dan is dit een onduldbare belediging van de Heere Jezus, een steunen van heidendom en afgoderij, en een smaad voor henzelf en voor de heerlijke naam, waarnaar zij genoemd zijn. En diegenen verraden wel een grove onwetendheid beide van de wet en het Evangelie, die vragen: "Welk kwaad steekt er in deze dingen?" Is het geen kwaad voor hen, die gemeenschap hebben met Christus, om gemeenschap te hebben met duivelen, of de weg te leren van hen, die deze gemeenschap hebben? Gewis, wij hebben Christus alzo niet geleerd.
3. Er was bijgelovigheid zelfs in de wijze, waarop de heidenen zich scheerden, het volk Gods moet hen daarin niet navolgen. Gij zult de hoeken van uw hoofd niet rond afscheren. Zij, die het hemelse leger aanbaden, hebben ter ere daarvan hun haar zo geknipt, dat hun hoofd op de hemelbol geleek, maar gelijk die gewoonte dwaas was in zichzelf, zo was zij ook afgodisch, daar zij het deden uit achting voor hun valse goden.
4. Zij moeten ook de ceremoniën niet navolgen, waarmee de heidenen uitdrukking gaven aan hun droefheid bij begrafenissen, vers 28. Zij moeten geen insnijdingen maken in hun vlees voor de doden, want dat deden de heidenen om de helse godheden, die zij zich hadden uitgedacht, tevreden te stellen, en hen gunstig te stemmen voor hun gestorven vrienden. Christus heeft door Zijn lijden de eigenschap van de dood veranderd, en hem tot een ware vriend gemaakt voor ieder waar Israëliet, en daar er nu niets nodig is om de dood genadig voor ons te maken, (want indien God ons genadig is, dan is de dood dit natuurlijk ook) treuren wij niet als degenen, die geen hoop hebben. Zij, die door de God Israëls voor zich waren afgezonderd, moeten het beeld en opschrift niet dragen van deze afgoden.
Eindelijk. Het prijsgeven van hun dochters tot hoererij, dat hier verboden is, vers 29 schijnt in gebruik te zijn geweest bij de heidenen in hun afgodische eredienst, want met zulke verfoeiselen waren de onreine geesten, die zij aanbaden, wel ingenomen. En toen ongebondenheid een godsdienstplechtigheid werd en zij er zich in hun tempels aan overgaven, was het niet te verwonderen dat het land vol werd van die goddeloosheid, die, toen zij de tempeldeuren binnenkwam, zich als een sterke bergstroom over het land verspreidde, en alle heiningen van deugd en zedigheid omver rukte. De duivel zelf zou die gruwelen niet in hun leven hebben kunnen roepen, indien hij ze niet eerst in hun aanbidding had gebracht. En rechtvaardiglijk werden diegenen aan hun lage lusten overgelaten die de heilige God verlieten en aan onreine geesten Goddelijke eer bewezen. Zij, die God onteren zullen aldus overgelaten worden, om zichzelf en hun geslacht te onteren.