Genesis 37:31-36
Jozef zou spoedig gemist worden, er zou een onderzoek naar hem zijn ingesteld, en daarom beramen zijn broeders een ander plan om de wereld te doen geloven, dat Jozef door een wild dier verscheurd was, en dit deden zij:
I. Om zich te zuiveren van de verdenking, dat zij hem kwaad hadden gedaan. Allen hebben wij van Adam geleerd onze overtreding te bedekken, Job 31:33. Als de duivel de mensen eerst geleerd heeft een zonde te bedrijven, dan leert hij hun daarna haar te verbergen met een andere, diefstal en moord met liegen en vals zweren, maar die zijn overtreding bedekt zal niet voorspoedig zijn. Jozefs broeders hebben hun geheim gedurende enige tijd bewaard, maar hun snoodheid is toch eindelijk aan het licht gekomen, en hier is hij aan de wereld bekend gemaakt, en de gedachtenis er van voor alle eeuwen bewaard.
II. Om hun goede vader smart aan te doen, zij schenen zich hierdoor op hem te willen wreken wegens zijn duidelijke liefde voor Jozef. Het plan werd gemaakt om er hem de meest mogelijke kwelling door te veroorzaken. Zij zonden hem Jozefs veelvervige rok met nog een kleur meer dan hij had, de bloedkleur, vers 32. Zij geven voor hem in het veld te hebben gevonden, en aan Jakob zelf moet minachtend gevraagd worden: Is dit uws zoons rok? Nu wordt het teken dienstbaar aan de ontdekking van zijn lot en haastig wordt uit die bebloede rok afgeleid, dat Jozef ongetwijfeld verscheurd is. De liefde is altijd geneigd het ergste te vrezen omtrent de beminde persoon. Er is een liefde, die de vrees buiten drijft, maar dat is een volmaakte liefde. Laat nu hen, die het ouderhart kennen, zich Jakob's foltering voorstellen, en hun ziel eens in de plaats stellen van zijn ziel. Hoe krachtig stelt hij zich het ontzettend denkbeeld voor van Jozefs treurig lot. Slapend of wakend verbeeldt hij zich te zien hoe de wilde dieren zich op Jozef werpen, meent hij zijn jammerkreten te horen, als de leeuw hem aanbrult. Menigmaal siddert hij en wordt hij door een koude huivering bevangen, als hij zich voorstelt hoe de dieren zijn bloed opzuigen, hem lid voor lid van het lichaam scheuren, niets van hem overlaten dan de veelvervige rok, om de tijding tot hem te brengen. Ongetwijfeld heeft ook de gedachte niet weinig toegevoegd aan zijn smart, dat hij hem hieraan had blootgesteld, door hem te zenden, alleen en onbeschermd op deze gevaarvolle reis uit te zenden, die zo noodlottig voor hem bleek te zijn. Dit snijdt hem in het hart, en hij is geheel bereid zich schuldig te vinden aan de dood van zijn zoon.
1. Nu werden er pogingen gedaan om hem te troosten. Zijn zonen nemen daar laaghartig de schijn van aan, vers 35, maar allen waren zij ellendige huichelachtige vertroosters. Indien zij wezenlijk begeerd hadden hem te vertroosten, zij zouden het gemakkelijk gekund hebben door hem de waarheid te zeggen: "Jozef leeft, hij is wel als slaaf verkocht naar Egypte, maar het is een lichte zaak daar heen te gaan en hem vrij te kopen." Dat zou zijn zak hebben ontbonden en hem met blijdschap hebben omgord. Ik vraag mij af hoe hun schuld niet op hun aangezicht stond te lezen en met welk een gelaat en voorkomen zij konden voorwenden Jakob hun rouwbeklag te betuigen wegens de dood van zijn zoon, wetende dat hij in leven was. Het hart wordt door de bedrieglijkheid van de zonde ontzettend verhard.
2. Maar het was alles tevergeefs, Jakob weigerde zich te laten troosten, vers 35. Hij was een hardnekkige rouwbedrijvende, vast besloten om treurende naar het graf te gaan. Het was niet een plotselinge vervoering van David, toen hij uitriep: "Och, dat ik, ik, voor u gestorven ware, mijn zoon mijn zoon!" Maar, evenals Job, volhardde hij in zijn droefheid. Grote genegenheid voor enig schepsel bereidt slechts voor zoveel te grotere beproeving en smart, wanneer zij of van ons wordt weggenomen, of ons verbittert, ongeregelde liefde eindigt gewoonlijk in onmatige droefheid, zover de slinger van een klok zich naar de ene kant beweegt, zal hij naar de andere kant teruggeworpen worden. Diegenen die besloten zijn om wegens elke aanleiding te treuren en rouw te bedrijven, gaan noch met het welzijn van hun ziel, noch met de eer van hun Godsdienst te rade. Wij moeten nooit zeggen: "Wij zullen rouw bedrijvende in het graf nederdalen", want wij weten niet welke blijde dagen Gods voorzienigheid nog voor ons heeft weggelegd, en wij zullen verstandig en plichtmatig handelen door ons te schikken naar de voorzienigheid Gods. Dikwijls brengen wij ons in verwarring en verlegenheid door denkbeeldige smart, wij stellen ons de dingen erger voor dan zij zijn en kwellen ons dan meer dan nodig is. Soms is er om ons te troosten niets meer nodig dan ons uit de droom te helpen, het is goed om het beste te hopen.
Eindelijk. Daar de Ismaëlieten en Midianieten Jozef slechts gekocht hadden om hem met voordeel weer te verkopen, zien wij hem hier opnieuw verkocht (ongetwijfeld met winst genoeg voor de kooplieden) aan Potifar, vers 36. Jakob treurde over het verlies van zijn leven, had hij alles geweten, hij zou getreurd hebben-hoewel minder hartstochtelijk-over het verlies van zijn vrijheid. Zal Jakob's vrijgeboren zoon het beste kleed van zijn geslacht verruilen voor de livrei van een Egyptisch heer met al de tekenen van de dienstbaarheid? Hoe spoedig is het land van Egypte tot een diensthuis geworden voor het zaad Jakob's! Het is verstandig van ouders om hun kinderen niet al te zacht en wekelijk op te voeden, want zij weten niet welke ontberingen en moeilijkheden zij in de weg van Gods voorzienigheid zullen ontmoeten. Weinig heeft Jakob gedacht, dat zijn geliefde zoon Jozef ooit aldus als slaaf gekocht en verkocht zou worden.