Job 7:7-16
Job, misschien bemerkende dat zijn vrienden hoewel zij hem niet in de rede wilden vallen toch moede begonnen te worden en niet veel acht gaven op wat hij zei, wendt zich hier tot God en spreekt tot Hem. Als de mensen ons niet willen horen, zal God ons horen als de mensen ons niet kunnen helpen, Hij kan het wel, want Zijn arm is niet verkort en Zijn oor is niet zwaar geworden. Maar wij moeten hier niet bij Job in de leer gaan, om te leren hoe wij tot God moeten spreken, want het moet erkend worden: er is een grote vermenging van hartstocht en bederf in hetgeen hij hier zegt. Maar als God niet met de uiterste strengheid let op alles wat Zijn kinderen verkeerds zeggen, dan moeten ook wij trachten het in de beste zin op te vatten. Job vraagt hier aan God om hem òf verlichting te geven òf een einde met hem te maken.
Hij stelt zich hier aan God voor:
I. Als een stervende, als iemand, die gewis en spoedig zal sterven. Het is goed voor ons, als wij ziek zijn, om aan de dood te denken en van hem te spreken, want de ziekte is ons gezonden om ons er aan te herinneren, en als wijzelf er op behoorlijke wijze aan denken, dan kunnen wij in het geloof God er aan doen denken, evenals Job hier, vers 7. Gedenk dat mijn leven een wind is. Hij beveelt zich Gode aan als een voorwerp van Zijn medelijden en Zijn ontferming, daar hij een zeer zwak, broos schepsel is, zijn verblijf in deze wereld van korte duur en onzeker is zijn verwijdering er uit gewis en spoedig zal plaatshebben, zijn terugkomst er in onmogelijk en dus niet te verwachten is, dat zijn leven, evenals het leven van alle mensen, wind is, woelig en luidruchtig misschien als de wind, maar ijdel en ledig, spoedig voorbij, en eenmaal voorbij zijnde, niet meer te herroepen. God ontfermde zich over Israël, gedenkende "dat zij vlees waren, een" "wind, die heengaat en niet weerkeert," Psalm 78:38-39..
Merk op:
1. De vrome overdenkingen van Job over zijn eigen leven en zijn dood. Eenvoudige, blijkbare waarheden als deze betreffende de kortheid en de ijdelheid van het leven, de onvermijdelijkheid en onherstelbaarheid van de dood zullen ons goed doen, als wij er aan denken en er van spreken met toepassing op onszelf. Laat ons dan bedenken:
A. Dat wij weldra afscheid moeten nemen van alles wat gezien wordt, alles wat tijdelijk is. Het oog van het lichaam moet gesloten worden, en zal het goede niet meer zien, het goede waar de meeste mensen hun hart op stellen want hun geroep is: "Wie zal ons het goede doen zien?" Psalm 4:7. Als wij zo dwaas zijn om ons geluk te stellen in het goede, dat zichtbaar is, wat zal er dan van ons worden, als dit voor altijd verborgen zal zijn voor onze ogen en wij geen goed meer zien zullen? Laat ons dan leven door het geloof, dat het wezen en het bewijs is van de dingen, die niet gezien worden.
B. Dat wij dan moeten heengaan naar een onzichtbare wereld: het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij daar niet zien. Het is hadès- een ongeziene staat, vers 8. De dood voert onze vrienden en metgezellen ver van ons weg in duisternis, Psalm 88:19, en zal ons weldra buiten hun gezicht brengen, als wij heengaan en niet meer zijn, Psalm 39:14, maar heengaan om te verkeren met de dingen, die niet gezien worden en eeuwig zijn. C. Dat God gemakkelijk en in een ogenblik een einde kan maken aan ons leven, en ons heenzenden naar een andere wereld, vers 3. Uw ogen zijn op mij, en ik ben niet, Uw blik kan mij heenvoeren naar de eeuwigheid, als het U behaagt brengt Uw donkere, dreigende blik mij in het graf. Hij neemt onze adem weg en wij sterven, ja als Hij slechts "de aarde aanschouwt, zo beeft zij," Psalm 104:29, 32.
D. Dat wij, eenmaal naar een andere wereld verplaatst zijnde, nimmer naar deze terugkeren. Er is een voortdurend heengaan van deze naar een andere wereld, maar Vestigia nulla retrorsum-er is geen weerkomen. " Daarom, Heere, betoon mij goedheid terwijl ik hier ben, want ik zal niet wederkeren om goedheid in deze wereld te ontvangen." Of: "Daarom, Heere, geef mij door de dood vriendelijke verlichting, want dat zal een voortdurende, bestendige verlichting zijn, ik zal naar de rampen van dit leven niet wederkeren." Als wij dood zijn, zijn wij weg om niet weer te komen:
a. Van onze woonstede onder de grond, vers 9. Die in het graf daalt, zal niet weer opkomen, voordat de algemene opstanding zijn zal, niet weer opkomen op zijn plaats in deze wereld. Sterven is een werk, dat slechts eenmaal gedaan wordt, en daarom moet het goed gedaan worden, een vergissing daarin is niet te herstellen. Dit wordt voorgesteld door het verdwijnen en vergaan van een wolk. Zij vergaat, wordt opgelost in de lucht en wordt nooit meer samengevoegd, andere wolken komen op, maar dezelfde wolk keert nooit weer. Zo wordt ook een nieuw geslacht van de kinderen van de mensen verwekt, maar het vorige geslacht is geheel vergaan en verdwenen. Als wij zien hoe een wolk, die zo groot schijnt, alsof zij de zon ging verduisteren en de aarde overstromen, plotseling uiteen wordt gedreven en dan verdwijnt, laat ons dan zeggen: "Evenzo is het leven van de mens, het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.
b. Om niet weer te keren naar ons huis boven de grond vers 10. Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, tot het bezit en het genot ervan, tot het werk en de genoegens ervan. Anderen zullen er bezit van nemen, en het in bezit houden, totdat zij het opnieuw aan een ander geslacht overgeven. De rijke man in de hel begeerde dat Lazarus naar zijn huis gezonden zou worden, wetende dat het doelloos zou zijn verlof te vragen om er zelf heen te gaan. De verheerlijkte heiligen zullen niet meer terugkeren tot de zorgen en lasten en smarten van hun huis, noch veroordeelde zondaren tot de vrolijkheid en de genoegens van het hunne. Hun plaats zal hen niet meer kennen hen niet meer erkennen, niet meer onder hun invloed zijn. Het is zaak voor ons om ons, als wij sterven, van een betere plaats te verzekeren, want deze zal ons niet meer erkennen.
2. De hartstochtelijke gevolgen, die hij hieruit afleidt. Van deze voorafgaande stellingen zou hij wel tot een betere gevolgtrekking hebben kunnen komen dan deze, vers 11. Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid van mijn geest, ik zal klagen in bitterheid van mijn ziel. De Godvruchtige David heeft, na de broosheid van het menselijk leven overdacht te hebben er een tegenovergesteld gebruik van gemaakt, Psalm 39:10 :"ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen." Maar Job, zich op het punt vindende van de laatste adem uit te blazen, haast zich evenzeer om uiting te geven aan zijn klacht, als wanneer hij zijn testament wilde maken, of wanneer hij dacht niet in vrede te kunnen sterven zo hij aan zijn hartstocht geen lucht had gegeven. Als er niet veel adem meer in ons is overgebleven, dan moeten wij hem gebruiken om heilig geloof te uiten en in gebed tot God, niet voor schadelijke, giftige ademtochten van zonde en bederf. Het is beter biddend en dankend en God lovend te sterven, dan onder klagen en twisten de laatste adem uit te blazen. II. Als een man, die zwaar ziek is, ziek naar ziel en lichaam. In dit deel van zijn voorstelling is hij zeer bitter en gemelijk, alsof God hard met hem handelde, hem meer oplegde dan behoorlijk was. Ben ik dan een zee, of een walvis? vers 12. "Een onstuimige zee, die binnen de perken moet gehouden worden om haar trotse golven te beteugelen, of een ontembaar zeemonster, dat met geweld weerhouden moet worden van al de vissen van de zee te verslinden? Ben ik zo sterk, dat het zoveel moeite kost om mij ten onder te houden? Zo rumoerig en onstuimig, dat niets minder dan al die banden van beproeving volstaan kan om mij te temmen en mij binnen de perken te houden?" Als wij onder beproeving zijn, komen wij er licht toe om over God en Zijn voorzienigheid te klagen, alsof Hij ons meer bedwang oplegde dan nodig is, terwijl wij nooit in bedruktheid zijn dan wanneer het nodig is, en nooit boven hetgeen nodig is.
1. Hij klaagt, dat hij geen rust heeft in zijn bed, vers 13, 14. Daar vleien wij ons enige rust te zullen vinden, als wij vermoeid zijn van de arbeid, van pijn, of van reizen: mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat afnemen, de slaap zal mij voor een wijle verlichting geven, hij doet het, daartoe is hij verordineerd, menigmaal heeft hij ons verademing gebracht, zijn wij verkwikt en met nieuwe kracht wakker geworden. Als dit zo is, dan hebben wij grote reden tot dankbaarheid, maar zo was het niet met de armen Job, zijn bed heeft, inplaats van hem te vertroosten, hem verschrikt, en zijn leger heeft, inplaats van iets van zijn klacht weg te nemen, er nog aan toegevoegd, want als hij insluimerde, dan werd hij beroerd door verschrikkelijke dromen, en als deze hem deden ontwaken, dan werd hij door verschrikkelijke gezichten beangstigd. Dat was het, dat de nacht zo onwelkom en zo moeizaam voor hem maakte, vers 4. Wanneer zal ik opstaan? God kan, als het Hem behaagt ons daar ontmoeten met verschrikking, waar wij ons rust en gemak beloofden, ja Hij kan ons tot een verschrikking maken voor onszelf, en, gelijk wij dikwijls door de omzwerving van een ongeheiligde verbeelding schuld op ons geladen hebben, zo kan Hij door de kracht van onze eigen verbeelding, smart voor ons scheppen, en dus datgene tot onze straf maken, wat dikwijls onze zonde geweest is. Wij hebben reden te geloven dat in Jobs dromen, hoewel zij ten dele uit zijn ziekte zijn ontstaan, (in koorts, of bij pokken, als het gehele lichaam pijnlijk is, dan zal de slaap meestal onrustig zijn) Satan de hand gehad heeft, Satan, die er behagen in schept hen te verschrikken, die hij niet kan verderven, maar Job zag op tot God die aan Satan toeliet dit te doen, "Gij ontzet mij) en Satans voorspiegelingen zag hij aan voor de verschrikkingen Gods, die zich tegen hem rustten. Wij hebben reden God te bidden dat onze dromen ons noch zullen verontreinigen noch verontrusten, ons noch tot zonde zullen verzoeken, noch ons zullen kwellen door vrees dat Hij die Israël bewaart en die noch slaapt noch sluimert, ons moge bewaren als wij sluimeren en slapen, dat de duivel ons dan geen kwaad zal doen, hetzij als een slang, die ons boze gedachten inblaast, of als een briesende leeuw, die ons zoekt te verslinden, en God te loven als wij nederliggen en onze slaap zoet is, en wij niet aldus ontzet worden.
2. Hij begeert te rusten in zijn graf, het bed, waar men zich niet onrustig op heen en weer beweegt en door geen angstwekkende dromen wordt gekweld, vers 15, 16..
a. Hij was het leven moe en haatte het om er aan te denken. "Ik heb er een afkeer van, ik heb er genoeg van, ik zou niet altijd willen leven, niet alleen niet leven in deze toestand, in pijn en ellende, maar ik zou ook in de aangenaamste, voorspoedigste toestand niet altijd willen leven, in voortdurend gevaar zijn van tot die rampzalige toestand te komen. Mijn dagen zijn, op zijn best, slechts ijdelheid, ontbloot van wezenlijke vertroosting, blootgesteld aan wezenlijke smarten, en ik zou niet voor altijd aan dusdanige onzekerheid willen gebonden zijn." Een Godvruchtig man zou, (al kon hij het ook) niet altijd in deze wereld willen leven, neen, al zou zij hem ook toelachen, omdat het een wereld is van zonde en verzoeking, en hij een betere wereld in het vooruitzicht heeft.
b. Hij beminde de dood en schepte vermaak in de gedachte er aan, zijn ziel (zijn oordeel, dacht hij, maar het was in werkelijkheid zijn hartstocht) gaf de voorkeur aan verworging en dood ja aan iedere dood, boven het leven, dat hij nu leidde. Dit was ongetwijfeld Jobs zwakheid, want hoewel een goed man niet zou wensen altijd in deze wereld te leven en liever, zoals de martelaren, verworging en dood zouden kiezen dan te zondigen, zal hij toch tevreden zijn om te leven zolang het Gode behaagt hem te laten leven, en er niet de voorkeur aan geven boven het leven, want het leven biedt de gelegenheid om God te verheerlijken en bereid te worden voor de hemel.