Job 14:16-22
Job keert hier terug tot zijn klachten, en hoewel hij niet zonder hoop is op toekomstige zaligheid, vindt hij het zeer moeilijk om over zijn tegenwoordige ellende heen te komen.
I. Hij klaagt over de bijzondere hardheid, die hij, naar hij onderstelde, vanwege de strengheid van Gods gerechtigheid had te verduren, vers 16, 17. Dus verlangde hij heen te gaan naar die wereld, waar Gods toorn voorbij zal zijn gegaan, daar hij nu voortdurend onder de tekenen ervan lag, zoals een kind, dat onder de strenge tucht van de roede is, er naar verlangt meerderjarig te zijn. "Wanneer zal mijn verandering komen? Want nu schijnt Gij mij toe mijn treden te tellen en te waken over, dat is: streng acht te geven op mijn zonde, haar te verzegelen in een bundel, zoals acten van beschuldiging zorgvuldig bijeengehouden en bewaard worden om tegen de aangeklaagde overgelegd te worden." Zie Deuteronomium 32:34. "Van alles maakt Gij gebruik tegen mij, oude schulden worden weer in rekening gebracht, op iedere zwakheid wordt streng toegezien, en niet zodra heb ik een misstap gedaan, of ik word er voor geslagen." Nu doet Job:
1. Recht aan de gerechtigheid Gods door te erkennen dat hij leed om zijn zonden en overtredingen, en genoeg gedaan had om alles te verdienen wat hem was opgelegd, want er was zonde in al zijn treden, en hij was schuldig aan overtreding genoeg, om al dit verderf over hem te brengen, zo er een nauwkeurig onderzoek naar werd ingesteld, het is verre van hem te zeggen, dat hij vergaat onschuldig zijnde. Maar,
2. Hij doet onrecht aan de goedheid Gods door het vermoeden op te werpen dat God met de uiterste strengheid al het verkeerde, dat hij deed waarnam en in rekening bracht, alles van hem op zijn slechtst nam, in deze zin heeft hij ook vroeger gesproken, Hoofdst. 13:27. Het was onbedachtelijk gesproken, en daarom zullen wij er niet al te zeer de nadruk op leggen. God ziet voorzeker al onze zonden, Hij ziet zonde in Zijn eigen volk, maar Hij is niet streng in Zijn afrekening met ons, ook wordt het uiterste van de wet niet bij ons in toepassing gebracht, naar de strengste eis van de wet niet met ons gehandeld, wij worden minder gestraft dan onze ongerechtigheden het verdienen. God verzegelt gewis de overtreding van de onboetvaardigen, en bewaart die tegen de dag des toorns, maar de zonden Zijns volks delgt Hij uit als een nevel.
II. Hij klaagt over de kwijnende toestand van het mensdom in het algemeen. Wij leven in een stervende wereld, "wie kent de sterkte van Gods toorn, door welke wij vergaan en verschrikt worden. en al onze dagen heengaan?" Zie Psalm 90:7, 9, 11. En wie kan bestaan voor Zijn bestraffingen? Psalm 39:11-12.
1. Wij zien het vergaan van de aarde zelf.
a. Van de sterkste delen ervan, vers 18. Er is niets dat altijd wezen zal, altijd duren zal, want wij zien zelfs bergen vermolmen en tot niets worden, zij verdorren en vallen als een blad, rotsen worden oud en vergaan door het gestadige aandruisen van de zee er tegen. De wateren vermalen de stenen door er gestadig op te druipen, "non vi, sed soepe cadendo, niet door geweld maar door het gestadige vallen er op". Op deze aarde vergaat alles door slijting, "Tempus edax rerum-De tijd verslindt alles." Zo is het niet met de hemelse lichamen. b. Van de natuurlijke voortbrengselen ervan. De dingen, die uit de aarde groeien en er in vastgeworteld schijnen, worden soms door overmatige regen weggespoeld, vers 19. Sommigen denken dat dit een pleiten is om verlichting: "Heere, mijn geduld zal niet altijd bestand zijn tegen mijn leed, zelfs rotsen en bergen bezwijken ten laatste, zo houd dan op van met mij te twisten."
2. Geen wonder dus dat wij het verval des mensen zien op de aarde, want hij is uit de aarde aards. Job begint te denken dat zijn geval, zijn toestand niet enig is, en dat hij zich dus met het algemene lot behoort te verzoenen.
Wij bespeuren aan vele voorbeelden:
a. Hoe ijdel het is om veel van de genietingen des levens te verwachten: "Gij verderft de verwachting des mensen," dat is: "maakt een einde aan al de plannen, die hij gevormd heeft, en aan al het vooruitzicht op voldoening, waarmee hij zich gevleid heeft." De dood zal het verderf, de vernietiging wezen van alle hoop, die gegrond is op een werelds bebouwen en beperkt is tot werelds genoegen en lieflijkheid. Hoop in Christus en hoop op de hemel zal de dood bevestigen, niet vernietigen.
b. Hoe ijdel het is te worstelen tegen de aanvallen van de dood, vers 20. Gij overweldigt hem in eeuwigheid. De mens is een ongelijke partij voor God, zij, met wie God twist, zullen gewis door Hem overweldigd worden tot in eeuwigheid, zodat zij Hem nooit meer het hoofd kunnen bieden. De slag van de dood is onweerstaanbaar, het is nutteloos zich tegen zijn oproep te verzetten, God overweldigt de mens en hij gaat heen, en zie, hij is niet. Beschouw een stervende mens, en zie:
Ten eerste. Hoe zijn uitzicht veranderd is. Gij verandert zijn gelaat op tweeërlei wijze:
1. Door de ziekte van zijn lichaam. Laat iemand maar eens enige dagen ziek zijn.... welk een verandering is er in zijn gelaat! En hoeveel meer nog enkele minuten nadat hij gestorven is! Het gelaat dat majestueus, ontzagwekkend was, wordt laag, onooglijk, dat lieflijk en beminnelijk was, wordt afzichtelijk en ijzingwekkend. Begraaf mijn dode van voor mijn aangezicht. Waar is dan de zozeer bewonderde schoonheid? De dood verandert het gelaat, en zendt ons dan weg van deze wereld, om nooit weer te keren.
2. Door de ontsteltenis van zijn geest. De nadering van de dood zal het aangezicht van de krachtigsten en moedigsten doen veranderen, zij zal het vrolijkste gelaat ernstig maken, en het aangezicht van de vermetelste doen verbleken.
Ten tweede. Hoe weinig belang hij stelt in de zaken van zijn familie, zijn gezin, die hem eens zo na aan het hart lagen. Als hij in de handen is van de voorboden van de dood, bijvoorbeeld als hij door een beroerte is getroffen, of ijlhoofdig is door koorts, of in doodstrijd is-deel hem dan de aangenaamste tijding, of wel de smartelijkste mee betreffende zijn kinderen, het is hem volkomen hetzelfde, hij weet het niet, hij bemerkt het niet, vers 21. Hij gaat heen naar die wereld, waar hij een volkomen vreemdeling zal wezen voor al die dingen, waarvan hij hier zo vervuld was. De overweging hiervan moet onze zorgen matigen betreffende onze kinderen en onze familie. God zal weten wat er van hen zal worden, als wij zijn heengegaan, laat ons hen dus aan Hem overgeven, en onszelf niet belasten met nodeloze, vruchteloze zorgen aangaande hen. Ten derde. Hoe schrikkelijk de doodstrijd de doodsbenauwdheid is, vers 22. Zijn vlees nog aan hem zijnde, dat is: het lichaam, dat hij zo ongaarne aflegt, heeft smart, en zijn ziel in hem zijnde, dat is: de geest, die hij zo onwillig is over te geven, heeft rouw. Het werk van sterven is een zwaar werk, doodsbenauwdheid is zeer ontzettend. Het is dus dwaasheid als de mensen hun bekering uitstellen tot zij op hun sterfbed liggen, om de datgene te doen wat het ene nodige is, als zij opgeschikt zijn om iets, wat het ook zij, te doen, maar het is ware wijsheid, om door in Christus ons met God te verzoenen en een goede consciëntie te behouden, vertroostingen te vergaderen, die ons zullen ondersteunen onder de pijn en smart van de stervensure.