Spreuken 14:32
Hier is:
1. De wanhopige toestand van een goddeloze als hij uit de wereld gaat, hij wordt heengedreven in zijn kwaad, hij is zo gehecht aan de wereld, kleeft haar zo aan, dat hij het niet van zich kan verkrijgen haar te verlaten, hij wordt er uit weggedreven. Zijn ziel wordt van hem geëist, wordt hem afgedwongen, en de zonde kleeft hem zo vast aan, dat zij onafscheidelijk van hem is, zij gaat met hem naar een andere wereld, hij wordt heengedreven in zijn kwaad, sterft in zijn zonden, onder de schuld en de macht ervan, ongerechtvaardigd, ongeheiligd, zijn goddeloosheid is de storm, waarin hij voortgezweept wordt als kaf voor de wind, uit de wereld verjaagd.
2. De troostrijke, aangename toestand van een Godvruchtige als hij zijn loop voleindigd heeft. Hij heeft hoop in zijn dood, hoop op gelukzaligheid aan de andere kant van de dood op betere dingen in een andere wereld dan hij ooit in deze gehad heeft. Zij hebben de genade van de hoop in hun hart, al hebben zij ook pijn en enig opzien tegen de dood, zij hebben voor zich het goed, waarop zij gehoopt hebben namelijk de zalige hoop, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft.